Wakker worden is een kunst

Harry Prick voltooit `ons boek' over Lodewijk Van Deyssel (1864-1952)

Onder de Nederlandse biografen neemt Harry G.M. Prick een volstrekt unieke plaats in. Zijn onderwerp is een uitzonderlijke persoonlijkheid – de schrijver Lodewijk van Deyssel, het pseudoniem van K.J.L. Alberdingk Thijm (1864-1952). Van Deyssel wordt traditioneel tot de literaire beweging gerekend die we de Tachtigers noemen, de groep dichters en schrijvers rond het roemruchte tijdschrift De Nieuwe Gids, die rond 1890 inderdaad iets nieuws in de Nederlandse letteren teweegbrachten, dat gek genoeg pas doordrong toen een van de boegbeelden van de `oude' letteren, de criticus J.N. van Hall, hun werk ging propageren.
Harry Prick: Een vreemdeling op de wegen. Het leven van Lodewijk van Deyssel vanaf 1890. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1432 blz. €45,–

Maar helemaal lid van die groep – Van Eeden, Kloos, Verwey, e.a. – is Van Deyssel nooit geweest, evenmin als de dichter Herman Gorter. Hij was er te veel een eenling voor. Van Deyssels romans Een liefde (1887) en De kleine republiek (1889) zou je `experimenteel' kunnen noemen, als een zelden eerder vertoonde mengeling van naturalisme en taalimpressionisme. En zoals het een echte experimenteel betaamt, was Van Deyssel ook de eerste die het naturalisme weer `dood' verklaarde, in 1891, toen in Nederland een stroom naturalistische romans nog moest losbarsten.

Ook Van Deyssels impressionisme werd iets minder nadrukkelijk, al bleef de minutieuze waarneming in zijn werk centraal staan. Om een laatste -isme te noemen: Van Deyssel wendde zich tot het (mystieke) sensitivisme, wederom aangestoken door de Franse literatuur waarin hij goed thuis was, al zat de mystiek in zijn genen: zijn vader was de emancipator van de Nederlandse katholieken, J.A. Alberdingk Thijm. Maar dwars als hij altijd is geweest Van Deyssel zocht de eenwording met een wel hoogstpersoonlijke God: zichzelf. De rest van zijn schrijversleven zou hij zich richten op de ontleding en beheersing van het eigen, eigenaardige karakter, dat veel karakteristieken vertoont van het zwarte gat uit de astronomie. Een onmenselijke energie, hoogst implosief.

Van Deyssel heeft Harry G.M. Prick zelf als biograaf aangewezen, biograaf en het onderwerp daarvan spraken over `ons boek'. Slechts een fractie van wat de implosieve Van Deyssel schreef werd bij leven gepubliceerd. Het grootste deel van zijn geschriften kwam in handen van Prick, die zijn bestaan sindsdien wijdt aan de (geannoteerde) publicatie ervan. Zonder Prick zou het schrijverschap van Lodewijk van Deyssel maar teilweise bestaan. Harry Prick heeft Lodewijk van Deyssel `gemaakt'.

Grande finale
`Ons werk' – het gaat evenzeer op voor Pricks biografie, het in 1997 gepubliceerde eerste deel In de zekerheid van eigen heerlijkheid (tot 1890) en de nu verschenen grande finale Een vreemdeling op de wegen. We zien Van Deyssel in dit tweede deel vastlopen in zijn ambities, maar die logen er dan ook niet om. Net als Multatuli (over wie hij onder pseudoniem AJ in 1891 een boek schreef) streefde Van Deyssel naar een absoluut keizerschap, maar dan zonder de sociale aspecten die bij Multatuli zichtbaar zijn. Het `heroïeke' bij Van Deyssel is strikt individueel gericht en in Het Ik (1891), het verzendrama Napoleon (1895) en de schets Caesar (1896) lijkt zijn schrijverschap in die ambitie te stikken, met alle fysieke en geestelijke gevolgen van dien. Keizerlijke adel, besluit hij, kan slechts worden bereikt door het bedwingen van de hartstochten. In dat kader lezen we over verwoede pogingen tot onanie-controle. Slechts in een staat van zuiverheid kan men het hoogste bereiken, het licht (of Licht). In die geest moeten we het late werk van Van Deyssel begrijpen: Het leven van Frank Rozelaar (1898) en zijn prachtige essays over Rembrandt (1906). Gestikt in zijn huizenhoge ambitie is Van Deyssel uiteindelijk niet – hij is zijn leven lang blijven publiceren. Maar groots is het niet meer geworden. De talloze pluimstrijkerijen die hem tot op hoge leeftijd zijn bewezen doen meer denken aan verering van een fossiel dan aan die van een levende auteur.

De twee delen tellen opgeteld krap tweeëneenhalfduizend pagina's en vormen een ten diepste gravend boek, meticuleus zoals dat heet, in een stijl die nevenschikking, uitweiding, komma en puntkomma niet schuwt. Met Prick dalen we af in een woekerende wereld, waar details elkaar verdringen. Natuurlijk gaat het dan óók om een eigenaardige fascinatie van de biograaf zelf. Stel Van Deyssel heeft eens iemand ontmoet: Harry Prick meldt uur, datum, jaar, plaats, weers- en geestesgesteldheid, het soort plaveisel waarop, de stoep of gevel waarvoor, et cetera. Natuurlijk heeft Prick daarvoor een groot aantal feitelijkheden zelf opgespoord. Maar Van Deyssel zelf is de belangrijkste leverancier van het biografisch materiaal, als maniakaal boekstaver van zijn eigen leven. In de zekerheid van eigen heerlijkheid en Een vreemdeling op de wegen is `ons werk'.

Egomaan
Maniakaal boekstaven doet Prick óók, toch kunnen we beide makers van `ons boek' eenvoudig onderscheiden. Daarvoor zijn de geamuseerde opmerkingen, ironische inleidinkjes en veelbetekenende uitroeptekens van Prick nadrukkelijk genoeg. En als Van Deyssel al een humorist was, wat ik sterk betwijfel – Prick is het wél, op een wijdlopig retorische, enigszins ouderwetse manier. In de zekerheid van eigen heerlijkheid verkeren als Van Deyssel doet Harry Prick intussen beslist niet, zijn toonvastheid is bewonderenswaardig, zijn onmiskenbaar grote schrijftalent verschilt daarbij hemelsbreed met dat van zijn onderwerp.

In de zekerheid van eigen heerlijkheid en Een vreemdeling op de wegen doen de lezer verstomd staan. Van Deyssel wordt van dag tot dag gevolgd, het is veel, het is goed. Verrukkelijk om te lezen, bizar, een meeslepende chronologie van een egomaan leven.

Men vroeg mij iets over deze onvergetelijke biografie te schrijven en ik sta met de mond vol tanden. Alle woorden stranden in superlativiteit betreffende omvang en kwaliteit. Ik bedacht dus een truc – zoeken op trefwoord, met de gedachte dat het kleine het grote kan weerspiegelen. Natuurlijk heeft een boek als dat van Prick een register, maar sommige trefwoorden vond ik niet, en voor wél vermelde ingangen in dit lijvige werk moet je lang bladeren.

Stel dacht ik, je hebt Pricks tekst op floppy of cd-rom. Je maakt er een Word- of WordPerfect-document van, en zet de zoekfunctie aan het werk, met je eigen woorden. Uitgevers zouden bij elk gedrukt boek de digitale tekst op cd-rom erbij moeten leveren, maar zo ver is het nog niet. Ik vroeg dus de uitgever om de floppy's en kreeg ze te leen. Toen ging het snel – zie `oorlog', `groente', `opstaan', `schoenen' en `onweer'. Mooie gegevens, die veel over Van Deyssel zeggen en hopelijk iedereen aansteken tot onmiddellijke, integrale lezing van een meesterwerk: de gezamenlijke Van Deyssel-biografie door Harry Prick.

Grepen uit Van Deyssels volle leven
OORLOG
In 1914 bespreekt Van Deyssel Gedanken und Erinnerungen van Bismarck (1815-1898), de vijf delen Deutsche Geschichte im Neunzehnten Jahrhundert van Heinrich von Treitschke (1834-1896) of de liefst tien delen Vom Kriege van Clausewitz (1780-1831). Hij publiceert deze recensies niet, en is daar achteraf in 1929 blij om. Hij heeft zich nogal laten meeslepen door de `frische und fröhliche Krieg'-geest in deze boeken. Prick publiceert een passage uit de nagelaten papieren: `De oorlog voldoet aan het beste, aan de beste begeerten en neigingen, die een zoogezegd dichterlijke menschengeest kent. Toegerust zijn als een soldaat in veld-tenue, met kleêren, eten en drinken op den rug en het wapen aan de zij of over den schouder en in de hand, [...] is er iets meer knus, meer weinig kinderlijk en warm gezellig dan de het lichaam omgevende en aanrakende voedings- en kleedingsdingen; en is er iets meer romantisch, meer avontuurlijk dan met het wapen bij zich, ja paardje rijdend dikwijls naar de vreemde bergen en dalen, me nschen en steden, te trekken?'

GROENTE
Een speciale aandacht voor groente vertoont Van Deyssel niet, maar hij ziet haar geenszins over het hoofd. Als hij in augustus 1889 poolshoogte neemt, blijken de prijzen voor levensmiddelen in Bergen op Zoom veel lager dan in Amsterdam. Van Deyssel noteert dat een mand komkommers (36 stuks) dertig cent kost. Vijf cent voor een citroen lijkt weliswaar aan de prijs, maar voor vier cent kun je al een prachtige groene of savooienkool verwerven. Met de bloemkool echter moet je uitkijken, schrijft hij, die kost toch al gauw vijftien cent.

Op een wandeling in de meidagen van 1890 komt Van Deyssel bij Woensdrecht terecht, waar hij het aspergesteken gadeslaat. Verder terloopse groente-aandacht in Van Deyssels geschriften o.a. aan de winterpeen (vijf kleine exemplaren).

OPSTAAN
Heeft Van Deyssel moeite mee. Hij neemt daar maatregelen tegen, bijvoorbeeld op 28 juni 1891. `1. Zet ik het wekkertje op half zeven, op mijn nachttafeltje (niet op de waschtafel om dat ik het daar nu al een paar maal niet gehoord heb). 2. Hang ik in het ledikant, aan de kwast, een affiche op, waarop de door mijzelf gestelde vermaningen tot opstaan. 3. Gebruik ik den tijd tusschen het naar-bed-gaan en het inslapen of ,,bewustzijn-verliezen' met te denken aan het uur van opstaan en voornemens daaromtrent te formuleeren: a. fluisterend met de gedachte, b. fluisterend met den mond, c. mij de wijzerplaat van het wekkertje ,,staande op' half zeven verbeeldend, 4. Lees ik in het kwartier onmiddellijk voorafgaande aan het naar-bed-gaan de opstaans-meditatie, 5. Verzoek ik mijne vrouw mij om half zeven te wekken, 6. Gebruik ik den tijd tusschen het ochtend-moment, dat ik mijn opstaan-plicht herinner en: de handeling, de beweging van het opstaan, met mij de opstaans-handeling te verbeelden, 7. Verbeeld ik mij ook de opstaans-handeling vóor ik 's avonds inslaap, 8. Heb ik een ,,Nacht-Hand'- en een ,,Nacht-Dagorde'-papier om mij te helpen.'


Volgt elke volgende ochtend een schriftelijke evaluatie van de punten 1 t/m 8. Zijn opstaans-meditatie moest regelmatig gevarieerd of vervangen worden. Verder moet het Nacht-Handpapier worden gecontroleerd – hoe laat te bed gegaan, op welk tijdstip nog wakker en op welk vermoedelijk ingeslapen, op welk tijdstip opnieuw wakker geworden en op welk wederom opnieuw ingeslapen, wanneer voorgoed ontwaakt en wanneer definitief opgestaan? Daarnaast moeten het Dagboek en diverse dossiers van het Woordenboek van Huishouding en Hygiëne worden bijgehouden. De honderdste dag van goed-opstaan wordt bereikt op 19 januari 1892. Om dit resultaat te behalen moest Van Deyssel in zijn dossier `Opstaan' driehonderdenzeventien pagina's volschrijven, aldus Prick.

SCHOENEN
We zien Van Deyssel in de Prick-biografie lopen op bruine schoenen, witte (`niet zoo goed voor in de stad'), verlakte en vierkante schoenen, met ijzerbeslag verstevigde bergschoenen of zwartleren kaplaarzen. Als Van Deyssel met zijn echtgenote in 1892 een waterkuur methode-Kneipp ondergaat, legt hij deze als volgt uit: `De Kneipp-kuur is [o.a.] altijd zonder schoenen en op sandalen loopen en zooveel mogelijk geheel barrevoets, behalve als het te koud is, 's ochtends tien minuten in 't natte gras loopen of 3 minuten in een emmer of beek.' In een van zijn armlastige periodes (1895) blijkt Van Deyssel onvoldoende schoeisel te bezitten: `Wij zijn arme en sukkelige menschen. Wij hebben bij voorbeeld ofschoon ik vele paren bezit feitelijk geen een paar schoenen waar de sneeuw niet door heen komt.'

ONWEER
Wordt door Van Deyssel in de zekerheid van eigen heerlijkheid ondergaan. In De Nieuwe Gids van februari 1941 schrijft hij: `Gisteren een hevig onweêr. Alle deuren en vensters had ik tegenover elkaâr open staan. [...] Ik dacht: misschien slaat het nu in en ben ik er gewéest. Ik beleefde een heel aangename kalmte. [...] Een ,,stem' zei ,,maar als je nu eens door den bliksem werd gedood, weet je dan wel zeker dat het goed met je zoû afloopen?''

Van Deyssels antwoord luidt ja. Waarom? `Ik weet reeds in den Hemel te zíjn, voor altijd... Dit ben ik te weten gekomen in den tijd, dat mijn denken op zijn best was.'