
De vader van David Van Reybrouck zat, begin jaren zestig, in Congo. Daar werkte hij aan de aanleg van het spoor, net na de onafhankelijkheid van België. Met Congo wilde Van Reybrouck het grote verhaal vertellen, domweg omdat dat nog niet was gedaan. Het boek moest een verhaal worden dat ‘twijfel en de zelfkritiek in zich draagt’ en met ‘ruimte voor nuancering, zonder de arrogantie en agressie van een dominante overtuiging’. Een gesprek.