Grunberg in Irak

Arnon Grunberg keerde terug naar Bagdad en deed vanaf 5 maart verslag van zijn belevenissen. Hieronder zijn ze in negentien afleveringen terug te lezen.

(1) Naar Bagdad met de auto om te zien of er vooruitgang is

Ruim een jaar geleden vloog ik van Istanbul naar Bagdad. Het was mijn tweede reis naar Irak. Terwijl ik uit het vliegtuigraam naar de Turkse bergen keek, bekroop mij het verlangen de reis per auto te maken.
Als er in Irak vooruitgang was geboekt, dan moest Bagdad per auto kunnen worden bereikt en zo niet, dan wisten we dat ook weer.
Hoewel het er maar vanaf hangt hoe je ‘vooruitgang’ definieert. Ik zou zeggen: vooruitgang is minder lijden.
Ook deze definitie is bedenkelijk. Het lijden uitroeien kan onvoorziene neveneffecten hebben.
Woensdagavond arriveerde ik in Grand Hotel de Londres in Istanbul. Een betrekkelijk vervallen hotel met een bar waar een grote motor staat, maar iedereen die beweert artiest te zijn krijgt vijfentwintig procent korting op de kamerprijs. Ik had geen scherfvest of helm bij me, bezoek aan het Amerikaanse leger zou worden overgeslagen.
Alleen ging ik deze reis niet maken. Tot de Irakese grens zou Gül meegaan als tolk. Gül woont al jaren in Nederland, zij heeft een Turks-Nederlands/ Nederlands-Turks woordenboek geschreven. Van de zomer logeerde ik bij haar zus toen ik ‘embedded’ was in de Vinex-wijk Leidsche Rijn.
Dan was er de chauffeur, Umit, die ons tot de grens zou rijden. Vandaar zou een Irakese chauffeur het overnemen.
En ook Eva zou meegaan, een kunstenares die bij mijn vorige reizen vanuit Nederland geassisteerd had maar die nu zelf wilde zien hoe het eraan toeging in Irak.
Met Gül had ik alleen contact gehad per e-mail. Toen ik haar woensdagavond op haar kamer in Hotel de Londres belde zei ze: „Kunnen we morgen kennismaken? Ik heb twee nachten niet geslapen.”
We spraken af elkaar donderdagochtend te ontmoeten in de ontbijtzaal van Grand Hotel des Londres.
Gül herinnerde mij aan een van mijn nichtjes die in een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever woont. Dezelfde kuise kleding, hetzelfde volle en tegelijkertijd spitse gezicht, hetzelfde kapsel, dezelfde hoge, zangerige stem.
Ze vertelde dat ze geesteswetenschappen had gestudeerd maar dat ze nu werk zocht, het maakte niet meer uit wat voor werk.
Vrienden en familieleden hadden haar opgedragen een Turkse man te vinden op deze reis. Ze hadden haar een bezoek aan een schoonheidssalon aangeboden, maar dat had ze afgeslagen.
Een echt bevredigend antwoord waarom ik met de auto van Istanbul naar Bagdad wilde, had ik nooit kunnen geven.
Misschien was dit het antwoord: om een man voor Gül te vinden.

(2) Eerlijk zullen we alles delen, ook leed

Ramazan Öztürk is een Turkse oorlogsfotograaf en documentairemaker van Koerdische afkomst. Beroemd werd hij met een foto van twee lijken, een moeder en haar kind, die gedood waren tijdens de Iraakse gifgasaanval op de stad Halabja in het voorjaar van 1988.
Öztürks kantoor is gevestigd in een buitenwijk van Istanboel in een woonflat, niet ver van een gebouw waarop met grote letters staat Yoga Academy.
Özturk is eind veertig, hij heeft een zwart petje op zijn hoofd en hij draagt een grijs colbertje met daaronder een wit overhemd. Hij wekt eerder de indruk in de mode te werken dan oorlogsfotograaf te zijn.
Zijn kantoor hangt vol met zijn eigen oorlogsfoto’s. Boven de open haard hangt de foto van moeder en kind die omgekomen zijn tijdens Saddams gifgasaanval.
Ik ben naar Özturk gegaan omdat hij goede contacten heeft in het Koerdische gedeelte van Irak, bovendien zou hij interessante dingen te vertellen hebben over oorlogsfotografie.
Aan een keurig opgeruimd bureau achter een laptop zitten Öztürk en zijn assistente, een vrouw van zijn leeftijd die iets minder modieus gekleed is dan hij.
Öztürk wil geen Engels spreken. Het gesprek verloopt via Gül, mijn vertaalster.
„Een foto kan iets wat het woord en film niet kunnen”, zegt Öztürk.
„In een blik kun je je bewust worden van de slechtheid van de dingen die mensen doen.”
Mijn vertaalster zucht.
„Dit is ongelooflijk wat hij zegt,” fluistert ze. „Dit is zo diep.”
Ik krijg het vermoeden dat mijn vertaalster verliefd is op Öztürk.
„Uw foto’s maken een bijzonder esthetische indruk”, zeg ik. „Welke rol speelt esthetiek in uw werk? Gaat het bij oorlogsfotografie niet in de eerste plaats om schoonheid?”
Öztürk begint nu ook te zuchten.
„Als je tussen de lijken staat, denk je niet aan esthetiek. Maar tegelijkertijd is het esthetische een intuïtie die je nooit kwijtraakt. Mijn foto’s zijn het meest esthetisch omdat ze het meest natuurlijk zijn. Ik doe niets gekunsteld.”
Ook het realisme moet van tijd tot tijd worden verdedigd.
Öztürk staat op, wijst op een foto van drie huilende Servische soldaten. „De persoonlijkheid van de oorlogsfotograaf wordt uitgedrukt in zijn foto’s. Het leed zit aan beide kanten.”
Eerlijk zullen we alles delen, ook het leed.
En de ijdelheid van de boodschapper zal zijn boodschap overleven. Het is maar de vraag of ik aan dit adagium ontkom.

(3) Eerst maar het leger verslaan

Murat Belge doceert literatuurwetenschappen aan de Bilgi Universiteit in Istanbul.
Vlak voor mijn vertrek richting Ankara ontmoet ik hem in zijn riante kamer aan de universiteit. Aan de muur hangen foto’s en een schilderij van een blote vrouw.
Belge is 67, hij heeft een baard, zijn kledingstijl is verzorgd.
„Bij de verbouwing wilde de universiteit docenten in klerenkasten stoppen,” zegt Belge. „Ik heb geprotesteerd, daarom hebben ze dit klaslokaal omgebouwd tot mijn kantoor.”
Belge is ook een wat wordt genoemd kritisch columnist voor de krant Taraf. Bovendien geeft hij rondleidingen door Istanbul.
Belge neemt me mee naar een restaurant op de campus waar hij in korte tijd een bord risotto en drie glazen rode wijn naar binnen werkt. Halverwege het tweede glas zegt Belge: „Ik was altijd een onorthodoxe marxist en dat ben ik nog steeds.”
Volgens ingewijden moest ik met Belge praten om meer van Turkije te begrijpen.
„Het nationalisme is hier alles,” zegt Belge. „Welke andere ideologie je ook neemt, liberalisme, socialisme, islamisme, niets dan dressing bij de salade die nationalisme heet.”
Belge bestelt nog wat wijn.
„Het leger heeft hier als hobby,” zegt hij, „om democratisch gekozen leiders te verwijderen. Vroeger had men de illusie dat er civiele kemalisten waren, nu is duidelijk dat alle kemalisten achter het leger aan marcheren.”
Kemalisten zijn aanhanger van het kemalisme, de leer van Mustafa Kemal Atatürk grondlegger van Turkije, aanhanger van secularisme en nationalisme.
Mild is Belge voor de regerende, religieuze AK-partij.
„Als het leger is verslagen,” zegt Belge, „zal ik mijn pijlen richten op de AK-partij.”
Terwijl hij zijn bord risotto tot het laatste korrel opeet, mompelt hij: „Noodzaak is de meest efficiënte moeder van de vooruitgang.”
Volgens wikipedia wordt de krant waarvoor Belge schrijft mede bekostigd door de rijke, invloedrijke prediker Fethullah Gülen.
Gülen woont als balling in de Verenigde Staten. Zijn doel schijnt het stichten van een Islamitisch rijk te zijn, eerst in Turkije, later ook elders. Volgens een Nederlandse diplomaat heeft de AIVD meters dossier over Gülen aangelegd.
De vijanden van je vijanden zijn je vrienden. Je kunt het ook mooier zeggen: „Noodzaak is de meest efficiënte moeder van de vooruitgang.”
Momenteel werkt Belge aan boek over eten. „Er zijn drie keukens in de wereld,” zegt hij. „De Franse, de Chinese en de Ottomaanse.”
Aan zijn gezicht is te zien dat de onorthodoxe marxist Belge ze alle drie even lekker vindt.(

(4) Stoppen bij bloemenwinkel voor meneer Atatürk

De snelweg van Istanbul naar Ankara is riant. De voorspelling dat na Istanbul het Midden-Oosten begint, klopt qua snelweg niet.
In een buitenwijk van Istanbul heeft de chauffeur, Umit, afscheid van zijn vrouw en zijn schoonzus genomen. In zijn vrije tijd is hij modelbouwer. Bij een tankstation laat hij foto’s van zijn modelschepen zien.
De wens dat in Ankara de geur van Irak een beetje zal zijn op te snuiven komt ook niet uit. Weliswaar begint direct naast het hotel een sloppenwijk, maar het geheim van Irak zit niet in sloppenwijken.
Nu ik door Turkije reis, voel ik mij verplicht het mausoleum van Atatürk te bezoeken.
Onderweg naar het mausoleum zegt mijn tolk, Gül: „Laten we stoppen bij een bloemenwinkel. Ik wil een bloemetje meenemen voor meneer Atatürk.’’
Het woord ‘meneer’ ontroert mij.
Gül is nerveus omdat een commissie van het Amerikaanse Congres een resolutie heeft aangenomen waarin gerept wordt van „Armeense genocide”.
Volgens Gül moeten wetenschappers het laatste woord over die genocide nog spreken. „Bovendien”, zegt ze, „zijn de meeste Armeniërs vermoord door Koerdische bandieten.”
Voor de ingang van het mausoleum houden twee Turkse soldaten de wacht. Ze herinneren me aan de soldaten die vroeger bij het Graf van de Onbekende Soldaat in Oost-Berlijn stonden.
De bouw van het mausoleum maakt duidelijk dat persoonsverheerlijking niet voorbehouden is aan communistische en fascistische ideologieën.
„Ze hebben hem iets vreselijks aangedaan,” zegt Gül, „vroeger lag Atatürk veel beter.”
Een tijd lag Atatürk in een paleisje dat tegenwoordig het etnografisch museum herbergt. Voor de ware persoonsverheerlijking was dat paleis te klein.
Naast het mausoleum van Atatürk bevindt zich een museum over zijn leven, met daarin onder andere zijn pyjama, zijn rijbroek, zijn hoge hoed en zijn opgezette hond.
Ik zou ook verheerlijkt willen worden als ik dood ben.
’s Avonds dineren we in een restaurant met drie archeologen, kennissen van mijn assistente. Een van de archeologen, Ilknur Özgen, een gezette Turkse dame, zegt: „Het leger is onze redding. Ik wil niet dat we honderd jaar teruggaan in de tijd. Als ik zie dat de vrouw van onze president een hoofddoekje draagt, doet me dat pijn.”
De ene Turk wil het leger vernietigen, de andere wil door het leger gered worden.
Muzikanten zingen een liefdeslied.
„Wat zingen ze?” vraag ik.
„Het liefdeslied heet”, zegt Gül, „Jij hebt me vernietigd.”
Ware liefde is vernietigend. Dat hebben de Turken goed begrepen.

(5) Een website voor Jezus

De wachter draagt een modieuze bril zonder montuur. Hij geeft een privérondleiding door het Mevlana-complex, centrum van de derwisjen die onder aanvoering van Jalal ad-Din Rumi, ook genaamd Mevlana, onze meester, meenden dat zij dansend dichter bij God konden komen.
De wachter zegt: „Het is meditatie”.
De derwisjen draaiden rondjes op één punt.
Als je dansend dichterbij Hem komt, dan ook schrijvend. Het is de vraag of Hij dat prettig vindt. Als ik God was, dan zou ik het op prijs stellen als de mensen zich discreet van mij zouden verwijderen.
„Hier moesten de aspirant-derwisjen wachten”, zegt de wachter. Hij wijst op een open kast. „Na drie dagen kreeg de aspirant-derwisj zijn schoenen terug, als de neuzen naar de deur wezen, moest hij gaan, wezen de neuzen zijn richting uit mocht hij blijven.”
Misschien moet ik een klooster beginnen voor aspirant-schrijvers. Zij kunnen dan zaken beschrijven die me na al die jaren niet meer boeien. De beschrijving van een berg bijvoorbeeld.
Konya, 250 kilometer ten zuiden van Ankara, schijnt de meest religieuze stad van Turkije te zijn.
In de ontbijtzaal van het hotel wacht Orçun Madanoc op mij. Hij is 31 jaar, kalend en heeft zachte ogen. Madanoc zegt: „Ik ben geboren als moslim in Izmir. Ik was gelovig, maar ik ging twijfelen. Alles ging mis in mijn leven, als ik een zoutvaatje vasthield, viel het uit mijn hand. Ik studeerde voor landbouwmachine-ingenieur. Bij toeval belandde ik in een kerk. Zo ben ik de Bijbel gaan bestuderen. In de Koran staan angstaanjagende dingen, maar de Bijbel bevat voornamelijk liefde. Mijn grootvader had een gebroken arm met etterende wonden. Ik heb tot Jezus gebeden en de arm genas. De doktoren stonden voor een raadsel. Op 10 november 2000 heb ik me tot het christendom bekeerd.”
Madanoc spreekt met de gedrevenheid van iemand die het licht heeft gezien.
„Ik vroeg me af”, zegt hij, „wat ik voor Jezus kon doen”.
„En?” vraag ik.
„Ik besloot een website voor Jezus te maken. Ik heb er uiteindelijk drie gemaakt. Volgens Google zijn ze in Turkije de meest populaire websites over Jezus. Mijn ouders vonden het niet erg dat ik christen werd, want de moslims in Izmir zijn vrij.”
Madanoc moet terug met de bus naar Izmir. Hij heeft acht uur gereisd om met mij te praten.
Ik voel me bezwaard en geef hem geld voor Jezus en de busreis.

(6) Beland in mijn eigen roman

Een jaar geleden bezocht ik Forward Operating Base Warhorse in Irak. Daar bevond zich een massagesalon. De masseuses aldaar, die alle drie uit de Turkse stad Adana kwamen, boden, zo was mij verteld, een ‘happy ending’ aan, oftewel manuele bevrediging die stopt zodra het orgasme is bereikt.
Ik liet mij masseren, maar geen happy ending. Later vernam ik uit betrouwbare bron dat de commandant de salon had gesloten omdat er wel degelijk happy endings werden aangeboden.
In Adana, een grote, vrij smerige stad aan de Middellandse Zee, verwachtte ik het erotisch centrum van Turkije aan te treffen.
Een man die bijna 40 is, dient zijn geluk te zoeken in de armen van licht verlopen vrouwen.
Adana biedt een overvloed aan licht verlopen vrouwen, maar nergens geluk.
Wel vind ik de grootste moskee van Turkije, nieuw en helemaal leeg. De portier biedt een bezoek aan een van de minaretten aan voor tien lira per persoon.
Er gaat een kleine lift naar boven.
Het uitzicht is indrukwekkend maar het waait zo hard dat de minaret heen en weer zwaait en ik het gevoel heb dat Adana op het punt staat getroffen te worden door een aardbeving.
Later op de avond zit ik samen met mijn vertaalster in een kunstenaarscafé waar geen alcohol wordt geschonken. Je kan er wel leren beeldhouwen.
Mijn vertaalster zegt: „Er is geen discriminatie in Turkije, want volgens de islam zijn alle mensen gelijk voor God.”
Ik maak een fotootje van haar, we zitten onder een sinaasappelboom.
De vertaalster zegt: „Verwijder die foto.”
Ik sputter tegen. Waarop zij zegt: „Je bent een verachtelijk wezen. Sinds de ezel in Ankara vertrouw ik je niet meer.”
In Ankara hadden wij een industrieel museum bezocht waar ook een antieken speelgoedezel stond waarop bezoekers mochten gaan zitten. Ik had tegen de vertaalster gezegd: „Ga even op dat ezeltje zitten, dan maak ik een foto.”
„Je bent een groot schrijver, gedraag je dan ook als een groot schrijver”, zegt de vertaalster in het kunstenaarscafé.
Hoe grote schrijvers zich in hun vrije tijd gedragen, weet ik niet.
Eenmaal in het hotel zegt de vertaalster tegen me: „Ik heb je beledigd. Nu moet je mij beledigen. Scheld me uit. Je bent toch goed met woorden.”
Deze reis heb ik het gevoel in een van mijn romans te zijn beland. Ik weet niet of dat zaligmakend is. Eerder een teken dat het einde nadert.

(7) De melancholie van handel

De directeur van het archeologisch museum in Antakya heeft een secretaresse om zijn jas gevraagd en nu vist hij uit zijn regenjas een beduimeld papier.
„Dit museum trok afgelopen jaar 231.000 bezoekers”, zegt de directeur terwijl hij het papier gladstrijkt. „Van wie 74.000 niet uit Turkije afkomstig waren.”
Achter de directeur hangt een groot portret van Atatürk. Atatürk is alomtegenwoordig. Geen stad of er is een standbeeld van hem. Geen hotel of er hangt een portret van hem aan de muur.
De directeur van het museum heet Faruk Hinç. Hij heeft wit haar en een witte snor.
Hij vertelt dat hij nierstenen heeft. Het plassen is een hel geworden.
Antakya ligt in een uithoek van Turkije, niet ver van de Syrische grens. De Fransen zijn hier geweest, de Ottomanen; na een referendum besloten de burgers van Antakya en omgeving dat ze liever bij Turkije wilden horen dan bij Syrië. En er wordt beweerd dat hier in een grot, die is omgebouwd tot kerk, de eerste mensen bijeenkwamen die zich christenen noemden. De grot van de Heilige Petrus bestaat uit een grot met een altaar. Geen toeristen. Twee souvenirstalletjes, twee suppoosten. Een heuvel met kinderen en plastic zakjes.
Pas bij de grot van de Heilige Petrus drong het tot me door dat handel melancholie is.
Hinç ondertekent diverse brieven terwijl hij spreekt: „Ik ben archeoloog en ik houd van mijn werk, want voor het geld hoef ik het niet te doen.”
Het archeologisch museum heeft voornamelijk mozaïeken in zijn collectie. Op twee kilometer afstand van het museum heeft Ahmet Bostanci een winkeltje genaamd Antakya Mozaik, waar de mozaïeken uit het museum, inclusief beschadigingen en ontbrekende steentjes, worden nagemaakt. Een leek ziet het verschil niet.
Hinç kijkt nauwelijks op als ik afscheid van hem neem. Zijn gedachten zijn niet bij het museum, maar bij zijn nierstenen.
Mijn chauffeur zegt: „Ik had ook nierstenen, maar ik ben er vanaf.” Hij geeft de directeur een doosje medicijnen.
Morgen gaan we naar Syrië. Dit is het moment een hamam te bezoeken.
De chauffeur begeleidt me.
„Wil je jezelf wassen of worden gewassen?” vraagt hij, maar hij voegt eraan toe: „Worden gewassen is beter.”
Een theedoek wordt voor mijn geslachtsdeel gebonden.
Een rossige man met een flinke buik wast me. De theedoek wordt losgetrokken. Alles moet schoon.
Ik denk aan de eerste christenen.
Wat van de mensen zal overblijven, zijn hun onverkoopbare voorraden.

(8) ‘Straks ben ik de laatste christen in Syrië’

Wie van Antakya in Turkije naar Aleppo in Syrië reist, moet bij Bab Al-Hawa de grens over. Hier wordt van de grens nog werk gemaakt: prikkeldraad en hekken die opzij worden geschoven om auto’s één voor één binnen te laten.
Aan de Syrische kant van de grens wordt de reiziger begroet door diverse portretten van Bashar al-Assad, de president van Syrië.
Ali, volgens mijn vertaalster een Arabier die in Turkije woont, brengt dagelijks reizigers van Antakya naar Aleppo. Later zal blijken dat hij zich ook heeft toegelegd op het smokkelen van thee en benzine vanuit Syrië naar Turkije. Sigaretten en whisky worden eveneens via Bab Al-Hawa Turkije binnen gesmokkeld.
Hotel Baron in Aleppo is beroemd – Agatha Christie heeft er gelogeerd – maar in verval. Kort na aankomst meldt zich een man in de receptie die een gesprek met mijn Turkse vertaalster begint.
„Zo’n leuke man,” zegt mijn vertaalster, „hij spreekt Armeens.”
Mijn assistente, die eerder in Syrië is geweest, meent dat mannen die onverwacht in hotellobby’s opduiken om joviale gesprekken te voeren voor de Mukhabarat werken, de Syrische geheime dienst.
’s Avonds spreek ik met Issa Touma, een Syrische fotograaf maar ook de drijvende kracht achter galerie Le Pont in Aleppo en organisator van een fotografiefestival en een festival voor kunst van vrouwen, beide in Aleppo. Hij draagt een hoed, die hij afzet als we in café Oriento een glas wijn gaan drinken.
„Ik heb de pech in een kloteland te zijn geboren,” zegt Touma. „De meeste christenen zijn weggegaan. Ik heb tegen de overheid gezegd: ‘Straks ben ik de laatste christen in Syrië.’ Een paar jaar geleden organiseerde ik een concert in een station. De akoestiek was er zo goed dat ze er meteen een moskee van hebben gemaakt. Dat is vrijheid in het Midden-Oosten: moskeeën.”
Bij de wijn krijgen we wortels en komkommer, waaraan Touma zich tegoed doet.
„De werkelijke macht in dit land ligt bij de Mukhabarat,” zegt hij. „Ik heb een serie foto’s gemaakt getiteld Dansen voor de grote vader. Dat zijn foto’s waarop Syrische burgers gedwongen worden voor Assad te dansen, maar de Mukhabarat durft niets tegen me te beginnen.”
Nog een wortel.
„Er zijn hier moslims met maar één vrouw, maar dat zijn rijke moslims die op christenen willen lijken. Iedereen doet in Syrië alsof de moslims en de christenen goede vrienden zijn, maar ik vertrouw de moslims niet.”

(9) ‘Wij wachten op gerechtigheid’

Dominee Serop G. Megerditchian van de Armeense Evangelische Emanuel Kerk in Aleppo heeft achter zijn bureau een portret van Bashar Al-Assad hangen. Wat Atatürk is voor Turkije is Assad voor Syrië. Voor en na de zondvloed: persoonsverheerlijking. Maar Atatürk is dood en Assad leeft.
„Wij protestantse Armeniërs zijn een minderheid binnen een minderheid. Er zijn vijfhonderd Armeens protestantse families in deze stad,” zegt de vriendelijke dominee. ‘We zijn actief, we hebben een zondagsschool voor kinderen, we hebben een vrouwengroep, we organiseren spirituele bijeenkomsten voor pasgetrouwde stelletjes.”
De dominee heeft een goudkleurige vulpen in zijn borstzak. Tegenover de foto van Assad hangt een schilderij van een levensgrote Jezus die op de ramen van het Verenigde Naties-gebouw in New York klopt.
De dominee ziet mij kijken.
„Ja, dat betekent dat wij Armeniërs wachten op gerechtigheid.”
Daarnaast hangt een schilderij van een huilende berg met een grote ketting eromheen.
De dominee zegt: ‘Dat is de Ararat, die huilt omdat Turkije hem gevangen houdt.’
Verderop in zijn kantoor hangt een landkaart waarop Armenië een groot deel van Oost-Turkije beslaat. „Het thuisland,” noemt de dominee het.
In het Midden-Oosten lopen landkaarten voor of achter, het is maar hoe je het bekijkt.
„Is het moeilijk een Armeense protestant te zijn in Syrië?”
„O nee,” zegt de dominee. „Hiernaast is een moskee en ik ben bevriend met de imam. Er is hier vrijheid voor christenen. Tot voor kort kon je in Turkije geen kerk restaureren en in Egypte moet je ook niet proberen een kerk te bouwen, maar in Syrië kun je zoveel kerken en moskeeën bouwen als je wilt. Hoe heet je en voor welke krant werk je?”
Vrijheid in het Midden-Oosten is het bouwen van gebedshuizen. Zoiets zei de galeriehouder Issa Touma al tegen me.
De dominee schrijft mijn naam en de naam van deze krant op een papiertje. Misschien is een verveelde medewerker van de Syrische geheime dienst geïnteresseerd in mijn activiteiten in Syrië.
Daarna laat de dominee zijn kerk zien. „Onze dienst is volledig in het Armeens, de mensen moeten kunnen volgen wat er wordt gezegd, en van mystiek houden wij Armeense protestanten niet. Alles moet begrijpelijk zijn.”
’s Avonds bezoek ik een aftandse bioscoop waar een illegale kopie van een Jackie Chan-film draait. In de bioscoop zijn alleen mannen, die allemaal in hun zetels zitten alsof de bioscoop een gebedshuis is waar gemasturbeerd dient te worden.

(10) Een portret van Atatürk in pistachenoten

Ayhan Daðcýlar heeft in Marburg medicijnen gestudeerd. Zijn studie heeft hij nooit afgerond, maar zijn Duits is uitstekend. In Gaziantep heeft hij een lijstenmakerij annex winkel met schildersbenodigdheden.
Daðcýlar zegt: „Gaziantep is de grens, wij zijn de laatste westerse stad, hierna wordt het anders.”
„U bedoelt,” zegt ik, „hierna komen de barbaren?”
Daðcýlar lacht. „Hierna wordt het anders,” herhaalt hij.
Vanuit Gaziantep zal ik verder reizen met de trein. Sinds kort gaat er weer een trein van Gaziantep naar Mosul. Gaziantep staat bekend om zijn uitstekende eten en zijn pistachenoten. Op zondagochtend bezoek ik een pistachenotenfabriek iets buiten de stad. De directeur van de fabriek haalt mij af bij het hotel, samen met zijn vrouw die niet zijn vrouw blijkt te zijn maar volgens haar visitekaartje ‘quality assurance manager’.
De directeur, tevens aandeelhouder van de pistachenotenfabriek, die overigens Vitamin heet, luistert naar de naam Ilhan Eralp. Eralp draagt een coltrui, met daarover een jasje. De quality assurance manager loopt op All Stars. In zijn kantoor hangt een portret van Atatürk. Dat is niet bijzonder in Turkije, maar het portret is gemaakt van de schillen van pistachenoten en de noten zelf.
Eralp zegt: „We zijn de eersten die op het idee zijn gekomen om kunst te maken van pistachenoten, maar dat is natuurlijk niet wat we hier doen. Er zijn twee soorten pistachenoten, de Turkse en de Iraanse. De Turkse zijn beter dan de Iraanse. Er zijn pistachenoten die gemaakt worden om als snack te eten, of pistachenoten die bestemd zijn voor de voedselindustrie. Wij leveren uitsluitend aan de voedselindustrie, met name chocoladefabrikanten.”
Mijn vertaalster zegt: „Er zijn veel Turkse bakkers in Nederland, die zijn misschien ook geïnteresseerd in uw pistachenoten.”
De directeur antwoordt: „Ik heb geen behoefte aan Turkse bakkertjes in Nederland.”
Soms vrees ik dat deze reis voor mij en mijn vertaalster slecht zal aflopen. Ik vermoord mijn vertaalster en zal de rest van mijn leven gemarteld worden in een Turkse gevangenis.
Voor we de fabriek ingaan moeten we zakken om onze schoenen doen en een hoofdkap op. Alleen de directeur zet niets op zijn hoofd. De fabriek lijkt op een ziekenhuis.
Na een half uur gaan we naar huis maar de directeur en zijn quality assurance manager blijven achter in de verlaten fabriek.
Ik durf er mijn vermogen om te verwedden dat ze onder het kunstwerk van pistachenoten een nummertje zullen maken.

(11) De conducteurs koken yoghurtsoep op de grond

Enkele weken geleden werd de treindienst van de Turkse stad Gaziantep naar Mosul, in Irak, hervat. Helaas gaat de trein maar een keer per week, op donderdag.
Om niet vijf dagen te wachten nam ik de trein naar Nusaybin, een Turks stadje tegen de Syrische grens, halverwege Gaziantep en Mosul.
De treinreis naar Nusaybin duurt twaalf uur en kost zes euro. De trein bestaat uit circa vijfentwintig goederenwagons waaraan twee personenwagons zijn gekoppeld.
Bij vertrek zitten er vijftien man in de trein, onder wie vier conducteurs. In de coupé naast mij zit Suleiman, hij draagt de Turkse variant van de kaffiya op zijn hoofd.
Hij is onderweg naar een begrafenis in Ceylanpinar, acht uur reizen van Gaziantep.
Suleiman zegt: „Ik heb mijn auto verkocht om met mijn vrouw naar Mekka te gaan, daarom reis ik met de trein. Het zijn meestal oude Turken die naar Mekka gaan, maar vooral jonge Indonesiërs. Ik heb zeven dochters en een zoon. Mijn zoon woont Kirgizië, ik heb hem twaalf jaar niet meer gezien. Mijn dochters zijn allemaal getrouwd. Eerst de lagere school, dan de koranschool en dan trouwen, zo gaat dat.”
In een andere coupé zit Yasar. Zijn gebit zou zelfs een hardvochtige man in huilen doen laten uitbarsten, zijn haren zijn wit, alleen een stukje snor heeft de kleur van nicotine. Hij draagt een zwarte muts, die over zijn oren zit. Onder die muts zit een kleine radio tegen het rechter oor gedrukt, Yasar is slechthorend.
Eerst dacht ik dat hij op de grond van zijn coupé aan het bidden was, maar hij is aan het eten. Zijn voedsel heeft hij uitgestald op een krant. Yasar zegt: „Ik heb mijn kinderen opgezocht in Gaziantep. Nu ben ik op weg naar Karkamis, daar woon ik. Ik heb een winkel met metalen dingen. Vroeger handelde ik in noten, maar mijn voorraad is verbrand.”
Uit een zak haalt hij tevoorschijn wat hij in zijn winkel verkoopt: gerecyclede stukken blik.
De avond valt. In de voorste coupé zijn de vier conducteurs op de grond aan het koken op een samowar. Vette, rode soep en yoghurtsoep. Het brood komt uit kranten. Ik krijg een lepel.
Nusaybin nadert. De trein is bijna leeg. Wat soldaten.
Mustafa, een van de conducteurs, zegt: „Vroeger werkte ik op de Taurus Express maar die bestaat niet meer.” Taurus Express, wij zullen je volgen. Waar jij gaat, zullen wij gaan.

(12) Laten we op straat niet over politiek spreken

Het enige hotel in het centrum van het stadje Nusaybin, eindpunt van het treintraject Gaziantep-Nusaybin, heeft kamers die naar pis ruiken.
Iets buiten de stad is een islamitisch truckershotel. Nusaybin ligt op de doorgangsroute naar Irak, en Turkije is vooral in het noordelijke gedeelte van Irak flink aan het investeren.
Het truckershotel heeft schone kamers, maar om het hotel in te mogen moet je slippers aan en om vijf uur word je gewekt om naar de moskee te gaan, vertelt de taxichauffeur.
Sinds ik heb gehoord dat alleen moslims de bedevaart naar Mekka mogen maken overweeg ik om moslim te worden. Een beetje literator stapt over zijn identiteit heen zoals een getraind paard over een hindernis springt. Maar na een treinreis van bijna dertien uur zie ik ertegenop om om vijf uur op te staan.
Voordat ik de grens naar Irak zal passeren maak ik nog een omweg langs de hoofdstad van wat ooit Koerdistan moet worden, Diyarbakir.
Langs de grens met Syrië zijn een hoop Turkse militairen, maar de Turkse militaire politie laat zijn aanwezigheid ook merken rondom Diyarbakir.
In het oude centrum van de stad is een politiepost vrijwel geheel bedekt met een Turkse vlag.
Alsof de Turken zichzelf eraan moeten herinneren dat ze nog in Turkije zijn.
Ik heb afgesproken met Askin, een 25-jarige kunstenares die ook lerares is. Ze is van Koerdische afkomst. Als ik haar op straat vraag naar de politieke situatie zegt ze: „Daar wil ik op straat liever niet over spreken.”
In een klein café op de eerste verdieping in een winkelstraat in het nieuwe gedeelte van Diyarbakir legt ze uit dat het niet gevaarlijk is om in het openbaar over zulke dingen te spreken, maar dat het onprettig is als mensen het horen.
Twee vrienden van haar voegen zich bij ons: Sabor, een Koerdische docent filosofie op een middelbare school en Ikut, een half Arabische, half Turkse docent informatica.
„Komt er een Koerdische staat”, vraag ik.
De Koerden die ik verleden jaar in Irak sprak, waren daar optimistisch over.
„Nee”, zegt Sabor. „Dat zit er niet in. Onze grootste hoop is de Europese Unie. Als Turkije lid wordt van de EU, dan wordt het voor de Koerden hier ook beter.”
Ikut vertelt dat hij een boek over God als gewoon mens heeft geschreven.
„In het leger,” zegt hij, „vond ik God. Oog in oog met de dood word je veel duidelijk.”

(13) Alles is veldonderzoek: vriendschap, seks en werk
In het centrum van de oude stad van Diyarbakir bevindt zich een moskee die ooit kerk is geweest, daarvoor was het een tempel voor heidense goden.
Op het plein voor de moskee spreekt Ali Baykal me aan. Hij is 22 en studeert Turkse letterkunde. Samen met zijn vriend, Mehmet, staat hij hier om, zo beweert hij, vreemdelingen te helpen.
„Wat zoek je”, vraagt Ali
„Een waarzegger”, antwoord ik. Voordat ik de grens met Irak overga, wil ik een waarzegger spreken.
„Kom”, zegt Ali. „Ik ken een waarzegger in een kerk.”
Murat voegt zich bij ons, een zelfs voor Oost-Turkse begrippen haveloze man, die eerst beweert zakenman te zijn, dan student en vervolgens musicus. Volgens mijn vertaalster is Murat vermoedelijk een zakkenroller.
Met zijn allen gaan we naar de kerk.
Daar is geen waarzegger maar een Amerikaanse evangelist die perfect Turks spreekt en Jerry heet.
Jerry zegt: „Laat je niet wijsmaken dat Jezus de zoon van God is. God heeft geen kinderen. Dat moet je symbolisch zien.”
Daarna geeft Jerry boeken weg over Jezus in het Turks.
Ali Baykal beweert dat de waarzegger in de kerk tegenover de evangelische kerk woont. Daar bevindt zich een Assyrische kerk, maar hoe hard we ook op de deur bonzen, er wordt niet opengedaan.
Als dank neem ik Murat, Ali en Mehmet mee uit lunchen. Ook zakkenrollers hebben honger.
In de namiddag spreek ik met Özlem Örçen, projectleider van het Diyarbakir Kunstencentrum.
Het centrum bevindt zich in een ondergronds winkelcentrum naast een speelplaats voor peuters.
„De kunstenaars die hier exposeren, belichten soms de problematiek van de Koerden”, zegt Örçen. „Daarom komt vaak iemand van de overheid kijken. Ze laten ons volledig vrij, omdat we niet in een openbare ruimte exposeren, maar in een ondergronds winkelcentrum.”
„Hoe staat het ervoor met de vrijheid van meningsuiting in Turkije?” vraag ik.
„Prima”, zegt Örçen. „We doen hier geen illegale dingen.”
De dag eindigt met een gesprek met een Noorse studente antropologie, Mona-Maria. Ze is 24 en is naar Turkije gekomen om veldonderzoek te doen naar de Koerdische dans.
Mona-Maria is mooi door haar lelijkheid.
„Ik logeer bij een Koerdische familie”, zegt ze. „De grootmoeder zei: ‘Als je wilt trouwen kan ik dat arrangeren.’”
Alles is veldonderzoek: vriendschap, seks, liefde en werk.
Alleen als je schrijft, ontsnap je aan het veldonderzoek.
Ik kan niet wachten mijn veldonderzoek in Irak voort te zetten.

(14) Iedereen moet langs Barzani

In het laatste Turkse benzinestation voor de Iraakse grens is het vrouwentoilet een moskee geworden.
Vanwege Noroez, het Koerdische nieuwjaar, is er veel Turkse politie en militaire politie op de been. Mijn Turkse chauffeur spreekt zijn afkeuring uit als we een auto uit Irak zien naderen vol met jongeren die met de Koerdische vlag zwaaien.
Bij de grens verlaat de Turkse chauffeur mij. Hij gaat terug naar zijn vrouw in Istanbul.
De grens mag niet lopend worden gepasseerd. Vanwege Noroez zijn er geen taxi’s te vinden. Een Koerdische zwerfjongere is voor vijf lira behulpzaam. Binnen een kwartier vindt hij een Koerd die niet alleen een mondje Nederlands spreekt maar ook over een Nederlands paspoort beschikt. Hij rijdt in een Volkswagenbusje met Duits nummerbord. Hij zegt dat hij drie dagen geleden uit Frankfurt is vertrokken. Voor zover ik het kan verstaan heet hij Sandy. Hij wil me wel een lift geven.
Sandy beweert dat hij een winkel heeft in Zakho, in Irak, en dat hij regelmatig tussen Frankfurt en Zakho pendelt. Zijn busje zit vol met spullen.
Een douanier stempelt mijn paspoort en zegt: „Welkom in Koerdistan.”
Vijftig meter verderop begint een Iraakse beambte het verduisteringspapier van de ramen van Sandy’s busje te trekken.
„Ik begrijp niet waarom ze mijn auto kapot maken”, roept Sandy.
Vanaf hier mag ik lopend verder. Met pijn in het hart neem ik afscheid van Sandy.
Mijn Iraakse chauffeur rijdt mij naar Arbil, hoofdstad van de Koerdische regio. Militairen zijn er nauwelijks. Als er oorlog is, lijkt die aan de Turkse kant van de grens uitgevochten te worden.
Arbil is een bloeiende stad: dure auto’s, nieuwe winkelcentra, een lunapark. En veilig voor toerisme.
Erbil International Hotel, dat door iedereen Sheraton wordt genoemd, laat weliswaar koffers van reizigers doorzoeken, maar dat lijkt meer folklore.
In de lobby ontmoet ik Dara, een Iraakse Koerd, werkzaam voor de BBC.
„Er is veel rijkdom”, zegt hij. „Maar iedereen die wil investeren moet eerst langs de Barzani-familie. Zoals iedereen die in de stad Sulaimaniya wil investeren eerst langs de Talabani-familie moet.”
Talabani is de huidige president van Irak en Massoud Barzani is de voorzitter van de Koerdische Democratische Partij en president van de Koerdische regio van Irak.
’s Avonds laat loopt een jongeman in een roze overhemd door het lunapark met een Koerdische vlag.
Officieel ben ik in Irak, maar in werkelijkheid bestaat Irak hier niet.

(15) Met de familie dans ik op een kleedje

Om de viering van het Koerdische nieuwjaar, Noroez, bij te wonen, reis ik vanuit Arbil naar het noorden, richting Shaqlawa. Iets voor Shaqlawa zitten de Koerden op kleedjes in een veldje langs de snelweg. De vrouwen hebben traditionele Koerdische kleding aan.
Ik stap op een familie af. „We zitten hier de hele dag”, zegt de moeder.
„Sommige mensen beweren dat Koerdistan een politiestaat is”, zeg ik.
„Onzin”, zegt de moeder. „We kunnen alles zeggen.”
„Komt er een Koerdische staat?”
„Insjallah.”
Een van de dochters, ze heet Iman en ze is 16, fluistert: „Ik wil naar Korea.”
„Waarom?”
„Omdat ik van Koreaanse televisieseries houd.”
De familie eet de traditionele gerechten voor Koerdisch nieuwjaar: biryani, een rijstschotel, met vlees en rozijnen en dolma’s.
Twee struiken verderop zit Ibrahim Muhammed Ali met zijn familie op een kleedje.
Ibrahim zegt: „Alle politici zijn slecht. Ik ben 21 jaar ambtenaar geweest, en toen ben ik eruit gegooid omdat ik geen lid ben van de KDP.”
De KDP is de partij van Barzani, de Barzani’s schijnen oppermachtig te zijn in Arbil.
„Ik ben in 1957 geboren”, zegt Ibrahim. „Ik moet leven van 130 dollar per maand, waarmee ik mijn familie en halve schoonfamilie moet onderhouden.”
Een struik verderop word ik genood een traditionele dans mee te doen. Ik durf geen nee te zeggen. Zo dans ik rondjes op een kleedje. In Koerdistan mondt de wereld uit in een picknick langs de snelweg.
Later op de dag ontmoet ik Nian Bakal, een Koerdische journaliste in opleiding die op haar negende met haar familie naar Nederland vluchtte en die nu voor Elsevier en de NOS werkt.
Ze zegt: „De Koerdische geheime dienst is oppermachtig. Als ik echt iets negatiefs over Barzani zou schrijven zou mijn leven onmogelijk worden. Een middenklasse bestaat hier niet. De rijkdom neemt toe, onder andere doordat Turkije hier investeert.”
„Ik hoor dat Israël in Koerdistan investeert”, antwoord ik.
„Ja,” antwoordt ze, „het schijnt dat de Peshmerga, de Koerdische strijders, getraind worden door de Mossad.” Geruchten die ik al vanaf mijn eerste bezoek aan Irak, in 2008, hoor.
Dara, een Koerdische journalist, zal later zeggen: „Elke groepering in Irak wordt door een buurland gesteund. De soennieten door Syrië en Saoedi-Arabië, de shiieten door Iran, de Turkmenen door Turkije, alleen de Koerden hebben niemand. De enige vrienden van de Koerden zijn hun bergen.”
Misschien hebben de Koerden een vriend: de Mossad.

(16) De generaal heeft vijf zonen in Nederland

In de vroege ochtend bezoek ik generaal Jamal Taher Bakr, hoofd van de Iraakse politie in Kirkuk.
Het bureau van de generaal is net zo indrukwekkend als de generaal zelf, die een prachtige snor en een dito buik heeft.
Voor het bureau staan zetels. De rechter wand hangt vol met foto’s waarop de generaal te zien is met hoogwaardigheidsbekleders, bijvoorbeeld admiraal Mullen.
Er staan overal kunstbloemen.
De generaal begint te spreken: „Toen ik op 13 juli 2007 aan deze post begon, was het mij duidelijk dat wij niet moeten wachten tot de vijand ons aanvalt, wij moeten de vijand aanvallen.”
„Hoe valt de politie aan”, informeer ik.
„Om te beginnen door vertrouwen te winnen”, zegt de generaal. „Vertrouwt de bevolking de politie, dan geeft ze de politie informatie. Tot voor kort ontploften er soms zeven voertuigen op één dag en dit jaar hebben we nog geen één bomaanslag meegemaakt.”
De generaal klopt het af.
In Kirkuk wonen Koerden, Arabieren en Turkmenen.
„Bestaat er verdeeldheid in uw politiemacht”, vraag ik. „Hoe groot is uw politiemacht?”
„Ik ben Koerd,” zegt de generaal, „maar ik zie geen Koerden of Arabieren, ik zie alleen goede en slechte politieagenten. Hoe groot de politiemacht is, mag ik niet zeggen. Duizenden.”
De generaal heeft vijf zonen, die allen in Nederland wonen. Zelf heeft hij in Arnhem gewoond. Hij voegt eraan toe: „Hang dat maar niet aan de grote klok.”
De generaal staat erop dat zijn politieagenten mij escorteren naar mijn volgende afspraak.
In een straat van Kirkuk die aan ‘suburbia’ herinnert, ontmoet ik Monir Goran en Baban, respectievelijk componist en dichter. Monir en Baban zijn in 1998 uit Koerdistan gevlucht. Zij wonen tegenwoordig in Utrecht en zijn op familiebezoek in Kirkuk.
Monir betaalde een Albanese mensensmokkelaar 3.500 dollar om hem naar Italië te brengen. Daar nam hij de trein.
„Bij Roosendaal werd ik opgepakt”, zegt hij.
Een kunstschilder voegt zich bij ons.
„Toen de Amerikanen Irak binnenvielen,” zegt de kunstschilder, die drie van zijn schilderijen heeft meegenomen, „werd Irak geboren.”
Later zegt hij: „Zet dat van de geboorte van Irak niet in de krant, ik heb familie.”
(Zijn naam laat ik weg, dat moet bescherming genoeg zijn.)
Ook Muhamed Ibrahim komt bij ons zitten.
Muhamed zegt: „Ik ben beveiliger. Vroeger was ik boer, maar God heeft al zeven jaar geen regen naar Koerdistan gestuurd.”

(17) Geweld uit angst of misschien wel uit tegenzin

De laatste etappe van deze ‘road trip’ voert van Kirkuk naar Bagdad. Onder normale omstandigheden zou je er niet langer dan drie uur over de reis mogen doen.
Ik doe er ruim vijf uur over.
Ten zuiden van Kirkuk heet het onveilig te worden. De door mij ingehuurde beveiligers dwingen mij een scherfvest aan te trekken.
Verleden jaar logeerde ik in het Al-Hamra Hotel, in de wijk Karada in Bagdad. Samen met twee andere hotels werd het Al-Hamra in januari van dit jaar gebombardeerd. Noodgedwongen neem ik mijn intrek in een guesthouse naast de villa waar CNN verblijft.
Het guesthouse doet mij aan een gevangenis denken.
Het probleem met beveiligers is dat je moeilijk van hen afkomt als je hen eenmaal hebt ingehuurd. Ik ben in het verleden aan hen ontsnapt, ik zal ook dit keer aan hen ontsnappen.
Na het avondeten ontmoet ik in mijn gevangenis Jassim, die een hoge positie bekleedt op het Iraakse ministerie van Buitenlandse Zaken.
Tijdens mijn eerste bezoek aan Irak, in 2008, heb ik met hem in het Al-Rasheed Hotel geluncht.
Jassim is een lieve man. Dat hij qua uiterlijk een beetje aan Mr. Bean doet denken, maakt hem alleen liever.
„Over een paar dagen zijn de resultaten van de verkiezingen bekend”, zegt Jassim. „Waarschijnlijk heeft Allawi de meeste stemmen, maar Maliki krijgt de meeste zetels in het parlement vanwege ons stelsel. Het zou het beste zijn als Allawi in de oppositie gaat, want de sjiieten kunnen niet in de oppositie, dan worden ze gewelddadig. Allawi is ook een sjiiet, maar zijn project is een nationaal project, hij is ook populair bij soennieten. Ik denk niet dat Maliki weer premier wordt, iemand anders uit zijn partij wordt naar voren geschoven.”
Er is oploskoffie in de gevangenis.
„En het geweld”, informeer ik.
„Als groeperingen ontevreden zijn met de uitslag zal het toenemen. Hakim al-Zamili, de voormalige assistent-minister van Gezondheidszorg, een man die duizenden doden op zijn geweten heeft, was verkiesbaar en kreeg twintigduizend stemmen. Geweld brengt mensen in Irak niet noodzakelijkerwijs in diskrediet. De grote aanslag in augustus op het ministerie van Buitenlandse Zaken was een inside-job, het geweld komt van bepaalde mensen in de regering. Misschien doen zij het op verzoek van buitenlandse regeringen, misschien uit angst, misschien met tegenzin.”
De moeder van Jassim, die ik nog nooit ontmoet heb, heeft een cadeautje voor me meegeven, een boek over Kirkuk.

(18) Kinderen geven concert, maar zeggen niet waar

Karim Wasfi is dirigent van het Irakese Nationaal Symfonie Orkest. Als ik in Bagdad arriveer, is hij net met zijn gehele orkest per trein naar Basra vertrokken om daar op te treden. Ik was graag met hem meegereisd.
Behalve dirigent is Wasfi ook oprichter en manager van de Stichting Vrede door Kunst. In een betrekkelijk goed beveiligde villa in de wijk Al Mansour geeft de stichting muzieklessen aan jongeren van 6 tot 25. Ook kunnen de kinderen daar lessen in etiquette krijgen.
In de villa spreek ik de assistente van Wasfi, Ghadi Al Tiea’a, een goed verzorgde, westers aandoende vrouw van in de veertig. Ghadi is ballerina, maar aangezien Irak wel een opleiding had om ballerina te worden maar geen eigen ballet heeft ze tot haar spijt nooit gedanst, alleen lesgegeven.
Nu is haar droom dat zij voor de Stichting Vrede door Kunst ook balletles zal gaan geven.
„Waar komt het geld eigenlijk vandaan voor de stichting?” vraag ik haar in haar kantoor.
„Van meneer Wasfi zelf”, zegt ze.
„Doet de staat iets?”
„Nee”, zegt ze, „soms krijgen we geld van rijke mensen.”
„Geloof u echt dat er vrede kan komen door kunst?” vraag ik.
„Ja”, zegt ze, „dat geloven we echt. De kinderen komen hier uit alle lagen van de bevolking. Arme kinderen betalen niets, rijke kinderen betalen een bijdrage. Ze komen drie, vier keer per week na school.”
Ze laat me de lokalen zien. Sommige van de lokalen zijn van elkaar gescheiden door middel van het soort hout dat gebruikt wordt voor figuurzagen.
In de middag woon ik een repetitie bij van een orkest met een twintigtal kinderen. De dag erop hebben ze een concert.
Ali Khasaf, tweede dirigent van het Irakese Nationaal Symfonie Orkest, is niet meegegaan naar Basra, om bij de kinderen te blijven. Hij heeft een snor en grijze krulletjes.
Ze spelen Händel, wat stukken van Khasaf zelf die aan marsmuziek doen denken en tot slot Beethovens Alle Menschen werden Brüder.
De klarinettist is een klein dik jongetje van 13. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden.
In de pauze zegt Khasaf: „We zijn vier maanden bezig. Ze komen uit alle buurten van Bagdad. Hier bestaat geen etniciteit, alleen muziek.”
„Waar vindt de uitvoering morgen plaats?” vraag ik.
Khasaf aarzelt. „Dat zeg ik liever niet”, zegt hij. „Vanwege veiligheidsredenen. Schrijf maar op: ‘In een club.’”

(19 en slot) De checkpoints blijven het gevaarlijkst, ’s nachts

Luay is een Irakees met lachende ogen die als correspondent voor USA Today heeft gewerkt. USA Today heeft geen correspondent meer in Bagdad.
In Luay’s gedeukte auto rijd ik door de stad. Zijn vorige auto heeft hij verloren bij een bomaanslag. Het is een koude dag voor Bagdadse begrippen. Ik ken Luay sinds 2008. Hij is een vriend.
Bij een kruispunt stopt een taxi. Een soldaat stapt uit. Ik denk: grappig dat soldaten met taxi’s naar hun werk gaan. Maar de soldaat komt op Luay af en stapt bij ons achterin.
Mijn assistente, die ook achterin zit, heeft een foto gemaakt en dat mag niet. Vroeger wel, maar vanwege de aanstaande verkiezingsuitslag heeft Maliki een decreet afgegeven dat er geen foto’s op straat mogen worden gemaakt.
Althans, dat beweert de soldaat.
„Hij zei tegen me, blijf staan of ik schiet”, zegt Luay. „Waarschijnlijk heeft hij gisteravond een actiefilm gezien.”
De Irakese politie is nog altijd niet of nauwelijks opgeleid en bovendien verdeeld vanwege verschillende religieuze overtuigingen.
Een bomaanslag is pech. Wapens met geluidsdemper zijn officieel verboden maar zijn populair en worden gebruikt om bepaalde personen uit te schakelen.
Het gevaarlijkst in Bagdad blijven de checkpoints, vooral ’s nachts. Nog afgezien van het feit dat algemeen bekend is dat de metaaldetectoren waarmee de politie en soldaten bij de checkpoints zijn uitgerust niet werken.
In de vroege avond heb ik een afspraak met Zaid, een werktuigbouwkundige van 30 in een blauw-wit geruit fluoriserend hemd. Hij zou homo zijn en mij meer willen vertellen over de homo’s van Bagdad.
Als ik hem ontmoet, zegt Zaid dat hij alleen maar geïnteresseerd is in homo’s.
„Twee jaar heb ik in Caïro geleefd”, zegt hij. „Wat een stad. Mensen hebben daar seks in ruil voor een beetje geld, de buitenlanders doen het gratis. Ik houd van wandelen, dan kijk ik naar mooie gezichten.”
„Wil je met me wandelen?” vraag ik.
„O god”, zegt Zaid. „Misschien word ik vermoord omdat ik met een buitenlander loop.”
Men zegt dat er vooruitgang is in Bagdad. Ten dele meen ik. Echte vooruitgang is er pas als er winkelcentra worden geopend en een hotel dat voldoet aan westerse maatstaven; de eerste McDonald’s in Bagdad.
Tot die tijd is er een vacuüm.
Op weg naar het vliegveld voel ik me verloren omdat ik terug moet.
We hebben de oorlog nodig om ons eraan te herinneren dat zelfbehoud niet onbeschaafd is.