'Als grijsaard draag je de jongeling in je'

Gerrit Komrij wordt 65

Ilja Leonard Pfeijffer bezoekt Gerrit Komrij, die 30 maart zijn 65ste verjaardag viert. In portugal spreken ze over ouder worden, schrijven en de Dichter des Vaderlands.

De landingsbaan van de internationale luchthaven van Porto glom in het schaarse licht van de namiddag. Water spatte op toen het vliegtuig zich aan de grond zette. Ik was in Portugal. Het regende.

Ik werd opgehaald door Charles. Hij had twee uur met de dorpstaxi afgelegd om mij gezelschap te houden tijdens de twee uur durende rit van het vliegveld naar Vila Pouca da Beira waar hij al twintig jaar woont met Gerrit Komrij. Ze hadden er altijd eer in gesteld om hun gasten van het vliegveld af te halen, maar dat was iets complexer geworden sinds Charles anderhalf jaar geleden een zwaar auto-ongeluk had gehad. In de taxi vertelde hij erover. Ze hadden samen een vernissage bezocht in Coimbra. Gerrit bleef daar overnachten. Charles reed in zijn eentje terug naar huis. Later zou hij mij de plek aanwijzen waar hij uit de bocht was gevlogen. Ze hadden hem tot twee keer toe moeten reanimeren. Diezelfde ambulancebroeders die alles in het werk hadden gesteld om zijn leven te redden, bleken hem te hebben bestolen van zijn gouden sieraden. Zijn linkerarm was verbrijzeld. Binnenkort zou hij voor er het laatst aan worden geopereerd. Hij zei dat hij er nog steeds veel last van had, maar daar merkte ik niets van. Sowieso zag hij er geenszins uit als iemand die niet zo lang geleden een zwaar ongeluk had overleefd. Naast mij in de taxi zat een stralende man, gebruind door het buitenleven, in opperbest humeur. ‘Ik ben sinds dat ongeluk wel gestopt met roken en drinken,’ zei hij. ‘Zo heb ik er tenminste nog iets aan.’

We pauzeerden in een wegrestaurant dat eruit zag als de kantine van een gesloten fabriek. Hij ging langdurig in vloeiend Portugees in discussie met de kassier, omdat hij niet begreep hoe het kraslot werkte dat we hadden aangetroffen in ons zakje chips. Met behulp van diens assistentie vonden we uiteindelijk uit dat we niets hadden gewonnen. We bestelden nog wat slappe, bleke patatjes en hervatten onze tocht. Het regende nog steeds. Even voorbij Coimbra gingen we van de snelweg af en reden we over steeds smallere en bochtigere wegen de bergen in, richting Spanje. Dit was de Beira, een uitgestrekte, dunbevolkte streek, ver van het mondaine leven in de steden aan de kust. We reden door bossen en sluimerende gehuchten. Het was al donker toen we eindelijk de oprijlaan opreden.

Toen hij ons de trap op hoorde komen vanuit de garage, kwam Gerrit naar beneden vanuit zijn werkkamer. Ik werd besprongen door Sjako, een van de honden, met kennelijk een grote belangstelling voor mannenkruisen. Na alle hartverwarmende begroetingen over en weer zetten we ons aan de keukentafel. Charles maakte twee blikken Duits witbier open voor Gerrit en mij. Luisa stond te koken. Iets later kwam de fotografe die was gaan rondkijken in het dorp. Ze vertelde dat ze een begrafenisstoet had gezien. ‘Iedereen die hier overlijdt, moet in een wijde boog om ons huis gedragen worden,’ zei Gerrit. ‘We wonen precies tussen het dorp en de begraafplaats. Maar mij kunnen ze via de achteruitgang zo het kerkhof op rollen.’ Vervolgens bespaken hij en Charles uitgebreid in het Portugees met Luisa wie er die dag begraven was en wat er verder nog te melden viel over hem, zijn familie en vrienden en over het dorp in het algemeen. Vervolgens ging het gesprek naadloos over op de laatste nieuwtjes uit het dorp van de Nederlandse literatuur. We namen alle schrijvers door, in alfabetische volgorde, van Robert Anker tot Joost Zwagerman.

Na het diner verplaatsten we ons naar de salon opdat Luisa ongehinderd kon afruimen. Het eerste wat opviel, was een schandalig grote, kamerbrede flatscreen televisie. ‘Die staat de hele dag aan. Zo hoort dat in Portugal.’ Hij stond op een Nederlandse zender. Er werd een stoel voor mij gehaald uit de andere kamer, want de bank was van de hond. Toen kon het grote verkneukelen beginnen. We zagen het staartje van de uitzending van het programma Vermist, zonder geluid. Gerrit en Charles verzorgden live de nasynchronisatie van de roerende beelden van verloren gewaande familieleden die na decennia onder een stortvloed van tranen met elkaar werden verenigd. ‘Ja, er is een hoop ellende in de wereld,’ zei Gerrit. ‘Maar je moet er wel oog voor hebben.’ Vervolgens keken we, met geluid, het Journaal, Nova en Pauw & Witteman, terwijl de fotografe ons portretteerde. Alle programma’s wonnen aanzienlijk aan amusementswaarde door het live commentaar van Gerrit en Charles. Ik bedacht dat ik dit als tip moest doorgeven aan de programmamakers in Hilversum.

Toen na een vruchtbare televisieavond het geluid weer werd uitgezet, vertelde Gerrit mij over Portugal en zijn relatie met het land. Hij legde mij uit dat je Portugal alleen kon begrijpen als je besefte dat het een diepgewortelde standenmaatschappij was. Het andere wezenlijke kenmerk van het volk was volgens hem het Sebastianisme, het geloof dat de legendarische koning Sebastiaan ooit als een messias zou terugkeren om Portugal te redden. Het is een volk dat wacht op redding van buitenaf en dat er ook van is overtuigd dat het als uitverkoren volk die redding verdient.

Charles en hij zijn in het begin van de jaren tachtig naar Portugal verhuisd. Tot die tijd hadden ze in Amsterdam gewoond. Ze wilden naar het zuiden. Er waren concrete plannen om een huis te kopen in Leiden. Maar het werd Portugal. De eerste jaren woonden ze in de geïsoleerde provincie Tras os Montes, op zeven uur rijden van het vliegveld. Daar huurden ze voor een habbekrats een gigantisch landhuis met vijftig kamers en een stoet aan personeel dat op de grond sliep. Ze hadden een privékapel in de dorpskerk. De pastoor droeg missen aan hen op. Na een aantal jaar wilden ze het landhuis dat ze huurden kopen. Maar toen ging er iets mis. Gerrit vertelde mij dat hij nog steeds niet precies wist wat er fout was gegaan. Waarschijnlijk hadden ze zonder het te weten gezondigd tegen een ongeschreven regel van de eeuwenoude etiquette. Het dorp keerde zich tegen hen, of in elk geval de pastoor die de stichting beheerde die het huis in eigendom had. De sfeer werd grimmig. Charles had op een bepaald moment zelfs een pistool aangeschaft. Voor de zekerheid. Maar ze moesten daar weg. Zo snel mogelijk. In 1988 zijn ze, min of meer onder dwang, verhuisd naar het huis waar ze nu nog wonen.

‘Ja, inderdaad. Mijn roman Over de bergen is voor tachtig procent — als ik een heel vies woord mag gebruiken — autobiografisch. Maar het heeft wel een paar jaar geduurd voordat ik erover kon schrijven. Of voordat ik er zelfs over kon praten. Het voelde toch als een nederlaag. Maar die nachtmerrie is wel heel erg goed geweest voor mijn Portugees. In die tijd droomde ik zelfs in het Portugees. Maar daarmee moest ik ook oppassen. Ik kon het mij niet permitteren dat mijn Nederlands zou verwateren. Op een gegeven moment moet je een keuze maken. Of je houdt je taal bij, of je probeert een carrière op te bouwen in de nieuwe taal. Toen we hier kwamen wonen heb ik de knoop doorgehakt. Nu kijk ik Nederlandse televisie en lees ik Nederlandse kranten.’

De volgende ochtend scheen de zon door de ramen van de logeerkamer. Toen zag ik pas waar ik was terechtgekomen. Het uitzicht was adembenemend. Ik keek uit over landerijen, heuvels en besneeuwde bergen in de verte. Bij het ontbijt vertelde Gerrit mij alle nieuwtjes van de Nederlandse internetsites over literatuur zoals De Contrabas en De Papieren Man, die hij vele malen per dag minitueus volgt.  

Na het ontbijt kreeg ik een rondleiding door het huis, die enkele uren duurde. De gangen en het trappenhuis waren volgehangen met olieverfschilderijen en prenten van verschillende kunstenaars van naam. De grote collectie Japanse prenten was opgeslagen omdat er geen muren meer over waren. Overal stonden sculpturen, waaronder een buste van Adriaan Roland Holst. Een kamer in de noordvleugel was bestemd voor een antiek Japans huisaltaar dat was volgestouwd met een indrukwekkende verzameling ivoren en barnstenen miniaturen en een keur aan antiek Japans drukwerk. De overloop op de eerste etage bood plaats aan een grote ladenkast waarin de verzameling van duizenden stereoscopische foto’s was opgeslagen en een aantal antieke kijkers. De bibliotheek was een labyrinth dat zich uitstrekte over meerdere kamers. Maatgemaakte kasten van de vloer tot het plafond met looppaden van luttele decimeters breed waarin ook weer enorme stapels boeken lagen opgetast. De negentiende-eeuwse pronkbibliotheek was gehuisvest in een aparte kamer met antieke meubelen en verschillende laptops. In de werkkamer van Gerrit stonden de naslagwerken en de grote moedercomputer. Overal in het enorme huis was iets te zien, iets op te pakken, iets door te bladeren, iets te bewonderen. Het was een huis vol geheimen, kunstschatten en curiositeiten. Alles had een verhaal. Het was een huis om in te verdwalen.

Vervolgens werd ik rondgeleid over het landgoed. Aan de voorkant van het huis was de oprijlaan, overgroeid met druivenstronken. Links ervan was het hok van het nieuwe hondje dat Camilla heette en dat nog niet het huis in mocht omdat Sjako nog aan haar moest wennen. In de schaduw van de noordvleugel lag het kerkhof van alle eerdere katten en honden. Naast het huis was een wijngaard, waarvan Charles elk jaar enkele hectoliters oogst. Van de pitten laat hij Aquadente stoken. Achter het huis, aan de zuidzijde, strekte zich de rest van het landgoed uit, helemaal tot in de verte bij de grote bomen. Er was een grote stervormige vijver aangelegd met goudkarpers en fontijnen. ‘Toen we een keer twee weken in Nederland waren, hadden de brandweermannen van het dorp zonder dat we dat wisten een middagje zitten vissen aan de rand van onze vijver.’ In het midden van de vijver was een kunstmatig eiland aangelegd met een idyllisch prieel op marmeren zuilen. Daarin hing een monumentale art deco lamp die afkomstig was uit het paviljoen in het Haagse Bos. Op het eiland kon je met een wenteltrap naar beneden, onder de vijver door en dan kwam je uit in het amfitheater. Van daar liep een door druiven overwoekerde passage naar de put. Verderop, bij de rivier, had Charles samen met de mannen van het dorp met zwerfkeien een twintig meter diep bassin gebouwd dat zicht bood op de onderaardse gangen die ze bij toeval hadden ontdekt. Aan de andere kant van het landgoed, in het zuidwesten, was de boomhut van Charles en het zwembad met een groot Boeddhabeeld. Daarnaast lag het glas-in-loodatelier van Charles. Een stuk verderop, tussen de bomen, waren de paardenstallen. Maar de paarden hadden ze moeten wegdoen omdat de verzorging te veel tijd vergde en omdat ze geen geschikte stalknecht konden vinden.

Die middag trok ik mij met Gerrit terug op zijn werkkamer voor het officiële interview, waarvoor ik was gekomen. Ik zette mijn opnameapparaatje aan om het geheel een serieus cachet te geven. Charles sloop op kousenvoeten door het huis om ons op zilveren dienbladen verfrissingen en versnaperingen aan te dragen. De aanleiding voor het interview was ook ernistig genoeg. Over een maand zou Gerrit de pensioengerechtigde leeftijd bereiken van vijfenzestig jaar. Ik vroeg hem als eerste naar zijn gedachten daarover.

‘Die grens van vijfenzestig is voor arbeiders, die zich een leven lang hebben kapotgewerkt en eindelijk een tijdje niks meer hoeven te doen, waarna ze snel doodgaan. Als schrijver heb je toch een vrij onnatuurlijk leven en moet je door anderen erop attent worden gemaakt dat je die grens hebt bereikt. Ik heb niet zoveel gedachten over de ouderdom. Als grijsaard draag je de jongeling in je, zoals je als jongeling de grijsaard in je droeg.’

Ik vertelde hem dat ik schrijvers ken die naarmate zo ouder worden steeds meer haast beginnen te krijgen. ‘Ja, heel af en toe ontstaat er paniek. Toen ik twintig was, dacht ik dat ik nog vijftig jaar voor me had en dat er nog alle tijd was. Dat probeer ik mezelf nu nog steeds wijs te maken. Maar als je gaat tellen, besef je dat je die tijd niet meer hebt. Ik geloof dat ik tussen mijn twintigste en mijn dertigste maar twee dagen bewust heb geleefd, want meer herinner ik mij er niet van. En dan kijk je naar de boekenplank en dan denk je: ja, ik heb toch ook wel wat geschreven in die tijd. Maar wat is dat? Om de drie jaar een dichtbundeltje van tweeënveertig bladzijden. Dat is nog geen woord per dag. Maar ik heb ook andere dingen gedaan. Zo heb ik, omdat ik per se onafhankelijk wilde zijn, de eerste tien jaar van mijn leven als een gek vertaald. Ik heb gedacht dat ik uit die vijftig vertalingen de rest van mijn leven nog wel een beetje geld zou krijgen. Maar forget it. Dat is allemaal vergeefs werk geweest.

'Het besef dat je geen tijd meer hebt is als een kleine Bengaalse bom die in de lucht ontploft en de blinde paniek slaat uit als je denkt wat er nog allemaal afmoet, waaraan je nog moet beginnen en wat er al dertig jaar op de plank ligt. Met alles wat ik voor mezelf had uitgestippeld, merk ik nu dat ik wel twee- of driehonderd jaar nodig had. En daarbij zijn er natuurlijk allerlei zaken die het realiseren van al die plannen in de weg hebben gestaan. Er wordt weinig over gepraat, maar het is een feit dat een schrijver naast een creatief leven ook een economisch leven heeft. Als je niet gelijk op je twintigste begint met een bestseller van jewelste die je onafhankelijk maakt, is het toch zo dat je het de rest van je leven niet helemaal voor het zeggen hebt wat je gaat doen en wat eerst komt en wat daarna. Leuke dingen — als ik het woord “leuk” een keer mag gebruiken — worden opzij geschoven en blijven in de portefeuille zitten, maar die wil je natuurlijk wel dolgraag doen. Ik heb eigenlijk nog wel voor een jaar of zestig werk. Dat zijn voornamelijk grote boeken die meer adem en tijd vergen. Het is voor een onafhankelijk schrijver die zijn eigen geld moet verdienen bijna onmogelijk om twee jaar uit te trekken voor een boek dat af moet. Dat moet hij zelf financieren en daar is geen mogelijkheid toe. Ik klaag daar niet over. Het is een normale gang van zake.’ Charles kwam binnen om een fles wijn te brengen. Toen de glazen waren volgeschonken, zei Gerrit: ‘Ik had bijvoorbeeld heel graag een alternatieve literatuurgeschiedenis willen schrijven van de Nederlandse letteren. Maar zoiets kost ontzettend veel tijd. En dan erger je je wel eens als je ziet voor wat voor onzinnige projecten er wel genoeg geld is. Maar ik wil ook geen geld, ik wil het zelf verdienen. Men ziet wat voor bedragen er in het cabaret en bij de televisie en in de voetbalwereld omgaan. Dat zijn allemaal vergelijkbare werelden van zelfstandige ondernemers die ook niet veel bijdragen aan het welzijn van de wereld. Daar kijk je af en toe verlekkerd naar. Maar je weet: als je in Nederland Dichter des Vaderlands wordt, krijg je een bos bloemen.’

Ik vertelde hem dat ik had gelezen dat iemand had berekend dat je als Dichter des Vaderlands zestigduizend euro per jaar kunt verdienen. ‘Ik denk wel meer. De heer Van Wissen, die toch tamelijk onzichtbaar is geweest als openbare Dichter des Vaderlands, heeft zelf wel eens uitgerekend dat hij vierhonderd optredens gedurende zijn ambstperiode had. Dan kom ik toch op een een veelvoud van dat bedrag. Maar dat moet je ook doen als dichter. Er wordt iets te water gelaten of een bedrijf viert een jubileum en dan draag je een gedicht voor. Een dichter heeft toch iets meer te zeggen dan als ze een blinde harpiste hadden uitgenodigd. Maar je moet er ook geen potje van maken. Dat moet je alleen doen met bedrijven die enig verband hebben met kunstzinnige activiteiten. Het moet niet zo worden dat je je honorarium opstrijkt en wegloopt. Zo’n gedicht moet functioneren op zo’n middag en je moet ernaar streven dat je iets zegt bij gelegenheden waarbij de kans groot is dat het bij sommigen in goede aarde valt, of dat het althans diegenen in dat bedrijf steunt die iets meer willen doen aan de culturele vorming van de oenen door wie ze omringd zijn. Dan heeft het zin. Ik heb dat ook wel gedaan. Maar eens in de twee maanden een keer, voor grote, belangrijke bijeenkomsten. Vorstelijke dingen. Maar ik geloof dat de tweede Dichter des Vaderlands alles is afgelopen. Ik herinner me nog dat hij mij tijdens de eerste week in paniek belde en vroeg: “Klopt het dat het NRC niets betaalt voor die gedichten?” Ik zei dat dat zo was. Het hoort er gewoon bij. Dat doe je voor de aardigheid. Daar was hij heel boos over. En als Dichter des Vaderlands kun je voor een optreden vragen wat je wilt. Als je drieduizend euro vraagt, zeggen ze dat het oké is. Dan denk je: wat moet ik de volgende keer vragen? Dus dat moet je vooral met mate doen. Maar als je dat twee maal daags doet op zevendaagse basis, zoals Driek van Wissen, dan vind ik dat hele Dichter des Vaderlandsgedoe ontaard in persoonlijke zakkenvullerij. Ik heb dat met verdrietige ogen aangezien. De functie is niet bedoeld om voor een astronomisch honorarium op te treden als een vorm van franje op wat voor avond ook. Daarom bleef het zo stil om Driek van Wissen: hij had het ontzettend druk.

Toen ik begon als Dichter des Vaderlands, merkte ik dat er vanuit het bedrijfsleven en vanuit de politiek buitengewoon gretig op werd gereageerd. Ze vonden zo’n functie fantastisch. De eerste keer dat ik in mijn functie moest optreden — het was in het Gooi —, was de burgemeester er met zijn ambtsketen om. Kijk. Zo hoort het. Maar ik verkeer in de gezegende omstandigheid dat ik eerder minder aandacht nodig heb dan meer. Daar ging het niet om. Het ging erom dat je met de aandacht voor die functie daadwerkelijk iets kunt bereiken. Kun je het zo vertalen dat het aantal lezers van poëzie verdubbelt? De mensen zijn de musea uitgejaagd, ze zijn de concertzalen uitgejaagd. Kunst is een heel elitair gedoe geworden. Het populisme dat dat wilde tegengaan door de mensen dan maar te geven wat ze wilden, nam zulke extreme vormen aan dat ik dacht: er moet een tussenweg zijn. Het moet mogelijk zijn om, met inachtneming van alle ontwikkelingen in de kunst in de twintigste eeuw die het publiek op een hollen hebben gezet door de verkeerde begeleiding, een deel van dat publiek weer terug te winnen, niet door op de knieën te gaan zitten, maar door gewoon even welwillend uit te leggen wat er aan de hand is. Je moet ze erbij betrekken. Je moet ze in een samenzwering betrekken. En je merkt dat er een grote groep is van zeer in poëzie geïnteresseerde mensen die gewoon niet weten waar ze het zoeken moeten omdat ze te hooghartig behandeld worden. Dat was de ratio achter de oprichting van de Poëzieclub en Awater.’

Maar begin 2004 legde Komrij de functie van Dichter des Vaderlands onverwacht neer. Zijn abdicatiespeech was in bitter gedrenkt. Niemand heeft ooit begrepen waarom hij zo plotseling aftrad. Ik vroeg hem daarnaar.

‘Ik had er de pest over in dat, terwijl er vanuit maatschappelijk en politiek oogpunt alles aan werd gedaan om de functie een zinvolle invulling te geven, er tegelijkertijd in de literaire wereld alles aan werd gedaan om de functie zo minachtend mogelijk voor te stellen. Literaire collega’s en de kritiek reageerden alsof je je ziel aan de duivel verkocht had. Ze zeiden dat ik sinds het aanvaarden van die functie nooit meer een goed gedicht had geschreven of, sterker nog, dat ik eigenlijk mijn hele leven nog nooit één goed gedicht had geschreven. Er werd alles aan gedaan om mijn geloofwaardigheid zoveel mogelijk te ondermijnen. Daar kon ik niet tegen. Een zeker iemand in het noorden was op internet bezig alles zoveel mogelijk in een verdacht daglicht te stellen. Die hele interpretatie dat ik een notabel was die eindelijk was bezweken onder de eerbewijzen, vond ik verkeerd en ik kon er niet mee leven. Ik vond dat ik het los moest laten.’

Ik had altijd de indruk gehad dat er sprake was van een conflict met Poetry International, de organisatie die de functie van Dichter des Vaderlands had bedacht en tot op de dag van vandaag faciliteert. Maar dat was dus niet waar? ‘In die tijd zat daar iemand als Tatjana Daan, die dat voortreffelijk deed, en nog zo’n paar mensen die erachter stonden en er gevoel voor hadden. Van hen had ik alle steun. Maar Tatjana Daan ging weg en wat haar opvolger deed, weet ik niet. Er was geen contact meer. Ze hebben niets verkeerds gedaan, ze hebben helemaal niets gedaan.’

Ik vroeg hem wat hij vond van de recente procedure van de verkiezing van de derde Dichter des Vaderlands. ‘Ik heb destijds, tijdens mijn ambtsperiode, een grote vergissing begaan. Ik had het instituut Dichter des Vaderlands in een stichting moeten onderbrengen, waarbij een raad van wijze mannen, desnoods met adviezen van de eerste Dichter des Vaderlands, de nieuwe Dichter des Vaderlands zou aanwijzen. Het had onafhankelijk moeten worden van allerlei van subsidie en publieksgunst afhankelijke instituten die geen verantwoording hoeven af te leggen en die daardoor allerhande machinaties kunnen uitvoeren of althans verdenkingen van machinaties op zich kunnen laden. Het is onduidelijk wie er nu uiteindelijk aan de touwtjes van dat instituut trekt. Op deze manier geef je vrij baan aan allerlei rancunelijders en ratjes die overal samenzweringen in zien en die allerlei beschuldigingen kunnen gaan uiten over het hoofd van dichters en de poëzie heen. En dat is een heel onaangename situatie. En wat we helemaal niet moeten hebben is die halfslachtige knipoog naar het populisme. Dat je er mensen over laat oordelen die van toeten noch blazen weten. We moeten geen internetverkiezingen hebben. Ik ben voor een conclaaf en een schoorsteen waar witte rook uit komt. En voilà: dat is de nieuwe Dichter des Vaderlands. Take it or leave it.

Het is ongelooflijk pijnlijk om dichters over elkaar heen te laten buitelen, allerlei would-be-dichters het hoogste woord te laten voeren, mensen te vernederen en het nooit één keer over iemands gedichten te hebben. Het is gewoon een grote triomftocht van allerlei kleine keeltjes. Dichters zijn geen profeten, maar hier zijn het ook niet eens bandieten en schurken. Het zijn gewoon een handvol kleine boekhouders, krententellers en jaloerse schepsels die bijna nóg erger zijn dan de niet dichtende mens. Als dat de poëziewereld is, moet de poëzie maar afgeschaft worden. Ik denk dat er van die honderd dichters die zich geroerd hebben hooguit twee of drie tussen zitten wier poëzie ook maar van enig belang is. Eigenlijk moet je zeggen: rot op, ga eens een gedicht schrijven, doe eens je best. Poëzie is toch iets anders dan doorschrijven tot je een bundel bij elkaar hebt en daar een stomme uitgever bij vinden.’

Ik wilde terugkeren naar het thema van het economisch leven van de schrijver. Ik wist dat hij opvattingen koestert over het stelsel van subsidies en werkbeurzen dat via het Fonds voor de Letteren wordt verdeeld. Ik bood hem de gelegenheid om die uiteen te zetten.

‘De ideale situatie zou zijn dat schrijvers niet gesubsidieerd worden. Althans, het zou de literatuur ten goede komen als schrijvers wat minder gesubsidieerd werden. Als je na tien boeken nog geen vijftien lezers hebt gevonden, moet je ermee ophouden. Maar ik weet dat de ideale situatie een beetje té ideaal is. We leven in een maatschappij waarin zelfs de kleuteroppas, de speeltuinmeneren en de politici gesubsidieerd worden. En ik weet dat heel veel kunst niet meer kan bestaan zonder subsidie. En aangezien de grootste onzin wordt gesubsidieerd, zie ik niet in waarom bepaalde zinnige dingen zouden moeten worden buitengesloten. In praktische zin ben ik niet zo heel erg tegen subsidies. Maar het moet dan ook weer niet zo zijn dat het grootste deel van het geld op gaat aan de instanties die de subsidies uitreiken en dat men een systeem heeft waarbij niet de kwaliteit telt, maar de goede bedoelingen. Men subsidieert schrijvers die van plan zijn mooie dingen te schrijven. De literatuur heeft niets aan goede bedoelingen, de literatuur heeft iets aan goede boeken. Er is nog nooit een goed boek niet geschreven, omdat het niet gesubsidieerd werd. Er worden heel veel schrijvers in leven gehouden die de markt bederven. Als je elk jaar kon kiezen tussen tien bundels die verschijnen en tien romans, zou dat iets anders zijn dan wanneer er elke maand tweehonderd verschijnen. De boekhandels liggen er vol mee. De ijlwagens naar De Slegte kunnen het bijna niet bolwerken. Door de subsidies zit je een hoop literatuur te plempen in een markt die dat niet aankan. Er moet altijd een beetje overdaad zijn en een beetje humus, maar om al die mensen die er maar niet in slagen een publiek te vinden, te blijven bezighouden omdat ze het zo goed voor hebben met de mensheid en de literatuur, dat is toch een beetje ontaard. Ik vind het ook kwalijk dat schrijvers elkaar beoordelen. Iedereen bevoordeelt zijn vriendjes. Dat is heel normaal. Het ontkennen daarvan is huichelachtig. Maar zo krijg je een systeem dat zichzelf bedruipt. Er ontstaat op deze manier een gesubsidieerde literatuur die zonder subsidie geen bestaansrecht heeft. En dat is iets anders dan goede schrijvers tijdelijk te helpen of bij bijzondere projecten terzijde te staan. Maar ik geloof best dat er nuttige dingen mee gebeuren voor bepaalde schrijvers. Maar wat wil je? Dat is conform het oude principe dat zelfs een stilstaande wekker twee keer per dag de juiste tijd aangeeft. Als het Fonds voor de Letteren alles subsidieert, zullen ze af en toe ook wel een paar goede boeken en een paar goede schrijvers te pakken hebben. En die gebruiken ze dan als excuus. Maar tegelijkertijd verschijnen er een hele hoop boeken die in het niets verdwijnen en die voor schrijvers die ervan moeten leven de spoeling wel heel erg dun maken. Het is toch onmogelijk dat een land zestienhonderd dichters en schrijvers heeft? Dat is werkverschaffing voor kunstambtenaren. Ik vind het niet erg om te werken, maar ik vind het wel erg om collega’s te zien die lekker met een strootje in de mond in de zon liggen, omdat ze niet veel meer hoeven te doen dan elke twee jaar een bundeltje te publiceren. Dat vind ik onrechtvaardig. Maar ik ben ook bereid om in ruil voor een flinke uitkering van het Fonds voor de Letteren mijn mond te houden.

Het hele syteem heeft voor schrijvers van mijn type tot gevolg dat de hele backlist waardeloos is geworden. De literatuur gaat van boek tot boek. Het is een bestsellers- en Libris- en AKO-literatuur. Ofwel je laat je in leven houden als een soort beroepsschrijver waarvan het niet uitmaakt wat hij schrijft, ofwel je moet meedoen in het circus van boeken die even een succes zijn en binnen een jaar niet meer bestaan. Dan komt er nog een midprice-editie en een pocketeditie en dan is het afgelopen met je boek. Het gaat niet meer om oeuvres, het gaat om titels. Schrijvers die bezig zijn met een universum waarbij verschillende boeken met elkaar samenhangen en naar elkaar verwijzen, zijn marginaal geworden. Ik heb mijn hele leven schrijvers gevolgd. Een lijstje namen van wie en over wie je alles wilt lezen. Dat vertegenwoordigt een kosmos voor je. Maar dat mensen op die manier met schrijvers meeleven, bestaat nauwelijks nog. Men koopt gewoon het boek van het kwartaal. Dus ik val een beetje tussen wal en schip. Met hard werken valt het wel vol te houden, maar een kleine cruise naar de Caraïben zit er niet in, zal ik maar zeggen.’

Het kwam mij zo voor dat er in de overspannen markt van gehypte wegwerpliteratuur een mooie taak was weggelegd voor de literaire kritiek. Ik vond dat je zou mogen hopen dat professionele lezers die werkzaam zijn bij kwaliteitskranten een tegenwicht zouden kunnen bieden, maar ik vond tevens dat ze daarin tekortschieten. Ik vroeg Gerrit wat hij daarvan dacht.

‘Ik weet niet of dat de schuld is van critici of van het ontbreken van critici of dat de kranten in hun wanhopige pogingen om overeind te blijven die critici dwarszitten. Ik geloof niet dat de kritiek in een crisis verkeert, maar wel de plaats die het gegeven wordt. Ik vind het schandalig. We hebben nog enkele literaire bijlagen, maar de manier waarop die vormgeven aan hun taakopvatting is hoogst bedenkelijk. Ze schieten alleen al vaak in hun signalerende taak tekort. Ze heulen veel te veel mee met de rotzooi die rechtstreeks hun aartsvijand hoort te zijn en die hen ondermijnt. Ik zou het toejuichen als er veel meer persoonlijke kritiek zou worden geschreven. Telkens zijn er een paar wildebrassen en dan denk je: nou dat wordt wat. Maar dan worden ze professor en dan is het afgelopen. Dan zijn ze deftig en dan zeggen ze niks meer. Ook uit de academische wereld komt weinig gedegen, journalistieke, smakelijke, nieuwsgierig makende kritiek. En als je publiek wilt winnen: negatieve kritieken zijn altijd veel leuker dan positieve. Ik vind kritieken die alleen maar prijzen of een boek uitroepen tot het zoveelste meesterwerk van de week slaapverwekkend. Ik vind dat kritiek veel kritischer moet zijn. Maar daar heb je heel intelligente mensen voor nodig, die intelligentie paren aan smaak en kloten. Als je je journalistieke taak hoog opvat, kan ik mij niet anders voorstellen dan dat vijfennegentig procent van je kritieken negatief is. Zoals een politiek journalist de politici vierentwintig uur per dag moet opjagen en het zweet op hun voorhoofd moet bezorgen, zo hoort de kritiek dat ook te doen met de literatuur. Dan kom je niet meer zo makkelijk weg met al die flutboekjes die op de markt verschijnen. Er moet toch een keer een einde komen aan die enorme stroom meesterwerken die in Nederland alsmaar uitkomt.’

Toen ik mijn opnameapparaatje had uitgezet, wilde Gerrit nog wel even iets kwijt over zijn eigen werk. Hij vertelde dat hij in de tijd van de depressie na zijn abdicatie als Dichter des Vaderlands drie boeken heeft gepubliceerd die alledrie nauw met elkaar samenhangen en als drieluik totaal verschillend zijn van al zijn andere werk: de essaybundel Demonen, de dichtbundel Spaans benauwd en de roman Hercules. Maar noch de samenhang tussen die drie boeken noch het nieuwe ervan was ook maar één criticus opgevallen. Hij was er nog steeds verbaasd over, om niet te zeggen verbolgen. Hij begon zich bijna op te winden, maar zei toen dat hij het niet over zichzelf wilde hebben.

We gingen drinken. Charles en Gerrit namen mij mee naar het dorpscafé. Het was ongeveer tien minuten lopen. Officeel heet het ‘O alentejano’, maar het staat beter bekend als het café van mevrouw Ção, die eigenlijk Concepção heet. We dronken er kleine flesjes Portugees bier voor negentig cent en we kregen er een bakje lupinepitten bij. Langs de muur tegenover ons zat een handjevol stamgasten. Ik was het door alle pracht en praal van het landgoed vergeten, maar opeens zat ik oog in oog met de armoede van de streek. Landwerkers met zwarte knuisten en bemodderde kleren. Charles praatte honderduit met hen. Gerrit vertelde mij intussen wie wie was in zijn recente roman Vila Pouca. De roman wordt op het moment vertaald in het Portugees. Gerrit maakte zich er een beetje zorgen over. Misschien moest hij voor de goede vrede in het dorp voor alle zekerheid toch een paar kleine details veranderen in de Portugese editie.

De laatste ochtend bij het ontbijt, nam Gerrit de post door. ‘Alleen maar rekeningen. Er is nooit eens leuke post. Nooit eens een uitgever met een uiterst aanlokkelijk aanbod. Of een prijs! Ik heb al vijftien jaar geen prijs gehad. Ja, de Zilveren Griffel. Maar dat was een prijs van nul komma nul nul euro. En niet eens een zilveren griffel. Heb jij een zilveren griffel gezien, Charles? Er was niet eens een avondje. Maar verder al vijftien jaar niets. En dat terwijl ik er toch echt op zit te wachten. Er zijn prijzen zat.’

We gingen lunchen in een idyllisch restaurant in de vallei van de rivier de Alva. Luisa bracht ons er naartoe met de auto. Het was ongeveer twintig minuten rijden door een spectaculair landschap. Charles at een stoofpotje, Gerrit tong en ik gebakken inktvisjes. We namen nogmaals de hele Nederlandse literatuur door, ditmaal in omgekeerd alfabetische volgorde. Toen we aan het digestief zaten, werd Gerrit herkend door een andere gast die hem vroeg om de Portugese editie van een van zijn romans te signeren.

Het was al laat toen we thuiskwamen. We gingen in de salon zitten voor de reusachtige televisie. Gerrit pakte voor mij uit zijn bibliotheek een voorbeeldig verantwoorde wetenschappelijke editie van duizenden vieze Engelse limericks. ‘Zo gaat het nou altijd,’ zei Charles. ‘Hij kan er uren mee bezig zijn. Dan loopt hij door zijn bibliotheek, pakt een boekje, bladert er wat in, gaat heel hard lachen en zet het boekje daarna terug. Soms ben ik hem echt uren kwijt.’

De avond vergleed zonder dat we er iets voor hoefden te doen. Gerrit zat in pak, met een sjaal, maar met blote voeten in zijn stoel voor de haard. Hij keek een beetje televisie, las wat in de kranten en praatte wat. Toen het later werd, pakte hij de afstandbediening en ging zappend op zoek naar een goede film. Hij bleef haken bij de Duitse commerciële zender Prosieben. Er was reclame. ‘Die moeten we even uitzitten. Maar je moet zo denken: hoe meer reclame, hoe beter de film. Dit is Posieben. Volgens mij is er op deze zender op zaterdag altijd Schwarzenegger, Charles.’