Zie de schrijvers werken - A.L. Snijders

Momenteel is ‘het melkkamertje’ de werkkamer van A.L. Snijders, maar het is goed mogelijk dat hij binnenkort zijn zkv’s weer in een heel ander vertrek van zijn boerderij schrijft. “Mijn vrouw en ik zijn als mollen door dit huis getrokken.”
You need to upgrade your Flash Player This is replaced by the Flash content. Place your alternate content here and users without the Flash plugin or with Javascript turned off will see this. Content here allows you to leave out tags.

A.L. Snijders is schrijver. Een geprezen schrijver, die sinds Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk (2006) snel de cultstatus bereikte. Hij verscheen in radioprogramma’s van de VPRO, publiceerde in literaire tijdschriften als Raster en De Tweede Ronde en mocht afgelopen zomer zes weken een zkv schrijven voor De Volkskrant. Een zkv is een Zeer Kort Verhaal, een prozaminiatuur met zo min mogelijk voegwoorden, een opvallend aantal citaten van (vaak) aanbeden schrijvers en ‘koude’ overgangen naar een ander onderwerp. Snijders verspreidde zijn zkv’s oorspronkelijk via de email, maar sinds uitgever Paul Abels de stukjes bundelde zijn ze ook in boekvorm te lezen.  

A.L. Snijders (1937) is van oorsprong Amsterdammer. Hij werd geboren in de hoofdstad, groeide er op, studeerde er, leerde er zijn vrouw kennen en kreeg er vijf kinderen. Het gezin ging niet wonen in een aanleunwoning in een keurige woonwijk, maar op een van de drukste plekken in de stad: op de Oudezijds Achterburgwal. “Tegenover waar nu Casa Rosso staat”, zegt Snijders, “dat was destijds allemaal nog heel gezellig hoor, we spreken nu over eind jaren zestig. Maar op het moment dat op de Wallen het geluid naar buiten kwam vonden we het tijd om te vertrekken. Mijn vrouw en ik hadden net een tijdje op iemands huis gepast op het platteland en dat was ons zo goed bevallen dat we meteen op zoek zijn gegaan naar een eigen boerderij. Toen zijn we hier terecht gekomen, in het eerste pand dat de makelaar aan ons liet zien.”
‘Hier’ is een grote boerderij net buiten Lochem (Gelderland), door Snijders’ vriend Tommy Wieringa op de achterflap van zkv-bundel Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk zo treffend omschreven als ‘een plek aan de rand van de wereld’.

Om de boerderij heerst grote stilte, met grote lappen rulle bouwgrond en buren die met het blote oog nauwelijks waarneembaar zijn. In de villa, zo’n tweehonderd meter verderop, woont een eenzame weduwe van tegen de negentig. Mocht de familie Snijders 35 jaar terug het geld hebben gehad haar huis te kunnen kopen, ze hadden het niet gedaan. “Wij zijn veel te ongeorganiseerd voor zo’n statig pand. We zijn te rotzooierig.” Voorafgaand aan het interview stuurde de schrijver via email al een foto van een (voormalige) werkruimte in zijn huis. Een eenzame harde houten kruk aan een tafel, omgeven door volle, maar half in elkaar gestorte boekenkasten. “Arjan Peters van De Volkskrant heeft op de radio weleens een grapje over een foto van mij gemaakt, waarop ik door een met spinrag vergeven raampje van het huis naar buiten kijk. Hij suggereerde volgens mij dat ik een pose aannam, ook omdat ik zelf brood bak en een baard heb. Maar ik kan hem verzekeren dat dat spinrag authentiek is. Het zit al sinds 1971 op dat ruitje.”

Met een beetje geluk is op een dag de postbode de enige bezoeker. Op de dag van het interview is die al van heinde en verre waarneembaar, als hij zich op zijn TNT-scooter door de verregende zandweg naar Snijders’ huis ploegt. Snijders, weliswaar al 35 jaar ‘landman’ maar met de mondigheid en de bravoure van een Amsterdammer, spreekt de jongen net iets te gretig aan. Hij overlaadt hem met vragen en probeert verhalen bij hem los te weken over mensen uit Lochem. De jongen, aan zijn accent te horen een authentieke landman, lijkt overweldigd en trapt zijn scooter al snel weer aan. “Hè verdomme”, zegt Snijders later, “dat pakte ik weer helemaal verkeerd aan. Hij klapte meteen dicht, zag je dat? Ik blijf voor altijd de autoritaire leraar die meteen alles van iemand wil weten, vrees ik.”

Snijders en zijn vrouw maken sinds hun kinderen op zichzelf gingen wonen slechts gebruik van een paar vertrekken van het huis. “Als mollen zijn mijn vrouw en ik door dit huis getrokken. Dit is een oud huis met gebreken, dat we stelselmatig verbouwd hebben. Als een vertrek aan de beurt was dat op dat moment onze slaapkamer was, dan moesten we de boel weer oppakken en ergens anders onze spullen neerleggen.”
Snijders heeft op talloze plekken in het huis zijn zkv’s geschreven, maar werkt de laatste tijd veel in een ruimte die hij ‘het melkkamertje’ noemt. “Dat is geen beeldspraak, hier werden vroeger de koeien gemolken. Kijk, dit putje in de vloer, daar liep vroeger de troep in weg.”

Met de laptop op schoot schrijft Snijders zijn stukjes ook vaak in de immense woonkamer van het huis. “Die hebben we voor het grootse gedeelte zelf verbouwd. Daar ben ik ook erg trots op, dat we dat zonder de hulp van professionals hebben gedaan. Ik kan bijvoorbeeld lassen, dat vind ik een hele kunst. Je hebt ook mensen (Snijders kijkt de interviewer en de fotograaf spottend aan) die alleen maar een beetje kunnen schrijven of alleen op de knop van een camera kunnen drukken. Alhoewel, echte lassers hebben een mooi woord voor wat ík eigenlijk lassen noem: braden. En dat is waar, ik braad de dingen aan elkaar. Echt lassen is het niet.”

Alles is dus door Snijders zelf aan elkaar getimmerd en gebraden, hij kwam op een gegeven moment alleen wat spierkracht nodig om een zware ijzeren wenteltrap op de juiste plek te krijgen. “Ik ben leraar Nederlands op een politieschool geweest, en de jongens bij mij in de klas liepen altijd enorm op te scheppen dat ze zo potig waren. Dan waren ze weer op oefening geweest in een of ander poolgebied en hadden daar op een gletsjer met hun Kalashnikovs lopen schieten, van dat soort sterke verhalen. Dus toen heb ik ze maar eens uitgedaagd hun krachten te tonen bij mij in huis, toen ik die trap niet in m’n eentje de hoogte in kreeg. Na het werk zit je dan zo wat met elkaar aan de tafel te praten en bier te drinken. Nou ja, dat deden zij dan.”

Snijders uit in het interview net zo gemakkelijk zijn bewondering voor Tacitus als voor handige klussers. “Ik ken een vrouw, die in haar eentje op een groot Urker vissersschip leeft in het meest desolate gebied van de Rotterdamse haven. Dat schip is al honderd jaar oud, maar die vrouw die heeft dat gevaarte helemaal in haar eentje verbouwd. Ze heeft een grote ijzeren kachel gelast en geklonken en die in dat schip gezet om het op temperatuur te houden. En ze kan nog met dat schip varen ook!” Of over de bevriende kunstenaar Joost Conijn, die zelf auto’s en vliegtuigen bouwt (op internet circuleert een gerucht dat Tommy Wieringa zijn romanpersonage Joe Speedboot op Conijn baseerde. Conijn ontkent trouwens in alle toonaarden dat Joe en hij op elkaar lijken). “Conijn zit dus voortdurend in Tsjechië, omdat hij je daar met zo’n zelfgebouwd vliegtuig de lucht in mag. Iemand heeft eens over vliegen gezegd, dat het voor 90 procent bestaat uit verveling en voor 10 procent uit doodsangst. Een schitterende theorie.”

En zoiets is dan ook meteen weer wervelende stof voor een zkv, zo blijkt na het lezen van Bordeaux met ijs, de nieuwe bundel van Snijders:

Testpiloot

De droom van de mens. Even adem halen, zoveel pathos kan mijn borstkas niet in een keer bevatten. Verder. Droom nummer 1 is God evenaren. Dat laten we even rusten. Nummer 2 is vliegen. Die droom is uitgekomen, dagelijks vliegen miljoenen mensen naar Turkse badplaatsen en tropische seksstranden. Maar individuele dromers zijn er weinig. Mensen die niet alleen willen vliegen, maar hun vliegmachine ook zelf willen maken, de heel kleine groep rond Icarus. Joost Conijn maakt zijn vliegtuigen op een voormalig vliegveld in Tsjechië, verlaten door de communisten, verlaten door bijna iedereen. Een controleur begeleidt de bouw met een opschrijfboekje. Als het hele proces afgevinkt is, verschijnt de testpiloot. Hij spreekt alleen Tsjechisch, een taal die Joost niet machtig is. De testpiloot is heel streng, want zijn leven hangt aan de zijden draad die Joost gemaakt heeft. God heeft de Toren niet voor niets onaf gelaten. De Tsjechische testpiloot en de Nederlandse dromer vliegen in doodsangst boven de Toren van Babel. Zoiets kan niemand bedenken. Woensdag 27 juli 2005 staat het huis open, de regen is weggetrokken, het is acht uur, het eten staat op tafel. Er rijdt een 30-jarige auto het pad op, een glimmende vliegtuigmotor op de achterbank. Joost Conijn op weg van Tsjechië naar Amsterdam. Hij eet mee, wij zijn gastvrij als Turken. Hij heeft 900 kilometer in 8 uur gereden en is 5 x gecontroleerd, want zo’n oude auto is een prooi voor autoriteiten. In Amsterdam gaat hij de motor van het vliegtuig opvoeren, hij heeft iets te weinig vermogen. Een wens van de testpiloot.