Gezonde hoogmoed
Charles Ducal over poëzie, taligheid, porno en het Gedichtendagessay
Vandaag, 28 januari, is Gedichtendag. Overal in Nederland worden gedichten voorgedragen. Dichter Charles Ducal schreef het Gedichtendagessay. 'Alle poëzie dateert van vandaag.'
'Ik heb van je handen geen enkel bewijs.’
Deze dichtregel van Charles Ducal komt uit het gedicht ‘Erfenis’. „Dat gedicht gaat over het feit dat ik me niet herinner mijn moeder ooit omhelsd te hebben. Zulke gevoelstaal bestond bij ons niet. Dat is natuurlijk erg, dat je dat als kind moet zeggen. Maar dat die ervaring dat gedicht heeft opgeleverd, maakt het weer goed.”
De gedichten van Charles Ducal komen voort uit ervaringen in zijn leven, zegt hij. Uit zijn mislukte eerste huwelijk, zijn moeizame relatie met zijn moeder en vader, zijn fantasieën over andere vrouwen. „Als ik mijn bundels zie, dan ben ik blij dat mijn leven daarin staat, op een manier dat het mijn leven niet meer is, maar iets veel mooiers.”
Een voorbeeld van die omzetting is het gedicht ‘Judith’, dat eindigt met de strofe: ‘Ik zal vannacht al mijn mannen verraden./ Ik zal naakt zijn en zonder recht./ Mijn naam is koning, maar heb geen genade./ Ik heb je mijn hals toegezegd.’
Het gedicht, dat verwijst naar de Bijbelse Judith die Holofornes verleidde en doodde, is zowel een ode als een blijk van onderwerping aan een aanbeden vrouw. Ducal: „Ik schreef een hele cyclus gedichten over haar. Het schaamrood stijgt me nog naar de wangen als ik denk aan mijn houding tegenover die vrouw. Dat was zo puberaal, zo belachelijk. Maar ik heb het gevoel dat ik het ridicule een tegenhanger heb gegeven. Alsof ik tegen die vrouw kan zeggen: oké, ik was een belachelijk ventje toen, maar dit, deze gedichten, dat is wel mooi hè?”
Dit jaar is de Vlaamse dichter Charles Ducal, pseudoniem van Frans Dumortier en geboren in 1952, de auteur van het Gedichtendagessay. Het essay is een Vlaams initiatief en de pendant van de Nederlandse Gedichtendagbundel, dit jaar geschreven door de Fries Tsjêbbe Hettinga. Beide boeken zijn vanaf Gedichtendag, donderdag 28 januari, voor een habbekrats te koop.
In België wordt Ducal gerekend tot de sterkste dichters, al sinds zijn verpletterende debuut Het Huwelijk (1987). Zijn recente bundel, Toegedekt met een liedje, is genomineerd voor de Herman de Coninck-prijs, voor de beste Vlaamse bundel van 2009. Twee jaar geleden won hij de prijs al voor zijn vorige bundel, In inkt gewassen. In Nederland is zijn poëzie, met zijn dwingende, welluidende toon en alles aanvretende zelfspot, wat onderbelicht gebleven.
In zijn essay afficheert hij zich met graagte als dichter én leraar. Leraar is hij vier dagen in de week, de vijfde werkt hij op de boerderij van zijn jongste broer, die hem overnam van hun vader. „Ik heb wel eens een periode de maandag gereserveerd voor het schrijven, maar dat werkte niet. Dichterlijke bevlogenheid gehoorzaamt niet aan regelmaat.”
Als Dumortier geeft hij al 35 jaar les op een middelbare school en die ervaring leidde tot een pleidooi dat zich richt op jongeren. „In de eerste plaats wil ik zeggen: lees maar wat er staat. De bekende versregel van Nijhoff luidt: lees maar, er staat niet wat er staat. Die regel is prachtig in zijn context, maar hij wordt vaak verkeerd begrepen. Het leidt ertoe dat men denkt dat je in gedichten kan lezen wat je wil. Alsof je niet geconcentreerd en aandachtig moet lezen wat er echt staat.”
In het essay geeft hij het voorbeeld van een gedicht van Slauerhoff, dat gaat over het ontdekken van land. Maar in de omhoog komende boeg van het schip zag een leerling een erectie en in het schuim dat het schip in het water veroorzaakt een vrijpartij. Ducal: „Wat leerlingen doen is een gedicht vluchtig lezen, naar de wolken kijken en beginnen met fantaseren.” Dat is ook de schuld van de moderne handboeken in het onderwijs, stelt hij, die zich meer en meer richten op wat de leerling wil en aankan, in plaats van de leerling te leiden en te vormen.
Ducal betoogt ook dat het verlangen naar begrijpelijkheid tot een te beperkte benadering van gedichten leidt. „Ik heb dat in het essay uitgedrukt in twee stellingen: goede poëzie is begrijpelijk, ook als ze onbegrijpelijk is. En: goede poëzie is onbegrijpelijk, ook als ze begrijpelijk is.” Met die paradoxen geeft Ducal aan dat schijnbaar eenvoudige gedichten goed werken als ze iets raadselachtig bevatten, en omgekeerd, dat je gedichten waar je kop noch staart aan ziet, kunt begrijpen op een ander niveau.
Het laatste illustreert hij met gedicht ‘IX’ uit De dieren der democratie van Lucebert, dat begint met: ‘de spiegel draait haar raad/ en het waterzaad paant paant paant’. Ducal gaf het zijn leerlingen „met een kwade bedoeling”, om te demonstreren „dat als poëzie over een grens gaat, in de communicatie met de lezer, het geen poëzie meer is maar flauwekul.” Het liep anders. „Het volgend jaar gaf ik het gedicht opnieuw en ik moest toegeven: ik vond het een plezier dat gedicht in de mond te hebben. Ik begon er allerlei dingen in te zien. Het gedicht heeft mij eigenlijk opgevoed en mij doen inzien dat mijn houding kortzichtig was.”
Die eis van duidelijkheid was verkeerd. „Ik stel me zo voor dat Lucebert dit gedicht schreef op een associatieve manier en zich liet leiden door klankkleur en ritme. Op dat niveau begrijp ik het ook.”
Wat Ducal niet wil, is „jeremiëren” over de afnemende aandacht voor poëzie. Dat is roepen in de wind, zegt hij. „Om een lezer te worden van poëzie moet je bereid zijn ervaring op te doen. Je moet tijd en moeite investeren in iets nieuws. Dus ik begrijp dat mensen er niet toe komen. Ik ga die mensen niet veroordelen. Misschien hebben ze wel leukere dingen te doen. Het enige wat ik kan doen, is mijn pijlen richten op het onderwijs, omdat men daar het lezen kan trainen.”
Ter onderrichting drukt Ducal ook gedichten af in het essay, waaronder zijn eigen ironische ‘FAQ I’. Dat zegt dat de dichter niet werkt vanuit emotie, maar vanuit ‘berekening’. „Als ik zeg: ik ga aan poëzie werken, dan is het nooit zoeken naar inspiratie. In de varkensstal, op de fiets of bij het lezen van een boek komt er een woord of zin bij me op, over iets dat me bezighoudt. Die zet ik op de computer en uit die schatkamer van aanzetten kies ik. De uitwerking is technische arbeid, waarbij het gedicht zich als het ware vanzelf ontwikkelt.”
Aan de recente dood van zijn moeder en zijn beste vriend wijdde Ducal een cyclus in Toegedekt met een liedje. „Een aantal van die gedichten zaten in beginsel al lang in mijn computer. Ik heb dus nooit gedacht: ik ga gedichten schrijven over de doden die mij dierbaar zijn. Maar wanneer je schrijft in een sfeer van rouw en gemis, gaat het gedicht vanzelf die richting uit. Zelfs regels die over iets heel anders lijken te gaan, buigen om, omdat dat gevoel de onderstroom is die mijn arbeid voedt.”
Met regels van die strekking opent de bundel Toegedekt met een liedje: ‘Ik weet dat ik mijzelf moet schrappen/ om plaats te maken voor de poëzie.’ De formulering is ook een voorbeeld van de voortdurende wisselwerking tussen taal en werkelijkheid in de poëzie van Ducal. Veel van zijn gedichten gaan, geheel of zijdelings, in op het scheppen en vaak wordt terloops de taligheid van de wereld benoemd – in Toegedekt met een liedje staan regels als ‘er is onder dit dak een woord ontstaan’ en ‘iemand heeft in je hals een woord gelegd’.
Waarom beklemtoont zijn poëzie de eigen en al evidente taligheid? „Misschien heeft het ermee te maken dat ik van mijn eigen leven los wil komen. Het vlees is toevallig. Het vlees is banaal. Het omzetten in poëzie is een poging om het van zijn banale en toevallige karakter te bevrijden.” Hij heft zijn handen. „Dat is een vorm van hoogmoed, maar een gezonde vorm van hoogmoed.”
Ducal: „Wat ik steeds probeer duidelijk te maken is dat poëzie iets anders is dan het openzetten van een raam naar mijn leven. Door het talig karakter te accentueren, wordt het gedicht onpersoonlijk. Het raam is dicht. Het zou een spiegel moeten worden.”
Ontegenzeggelijk heeft Ducal de behoefte om het belang van poëzie te relativeren, zoals doorklinkt in het gedicht dat als titel het verkleinwoord ‘Dichtertje’ draagt. „Poëzie is ongelofelijk belangrijk, maar ik heb ook voortdurend de twijfel dat het in wezen hopeloos romantisch is.”
De figuren in zijn poëzie worstelen vaak met onmacht en twijfel. Ze leven in onzekerheid en angst. Wat valt er te vrezen? „Ik heb meegekregen in mijn opvoeding dat je mag leven dankzij je prestaties. Je levensrecht is niet vanzelfsprekend. Mijn moeder zei: ‘Doe maar flink uw best jongen.’ Schrijven is niet therapeutisch, maar het is wel een uiting van de drang om je bestaansrecht op te eisen via arbeid. Je zegt: dit heb ik gemaakt, mag ik nu leven?”
Wat hij ergens ook vreest is God, al is hij nu atheïst. „Dat zit zo diep. En ik had een God als vader. Als kind heb ik mijn vader ervaren als de bestuurder van mijn leven. Wij, de kinderen hadden een enorm ontzag voor hem. In de besloten wereld van onze boerderij – een ommuurd erf met een toegangspoort – betekende hij veiligheid en zekerheid, maar ook macht. Hij hoefde maar een geïrriteerd geluid te maken of we begonnen al te sidderen. Hij keek ons klein.”
Ducal voelt mee met Kafka. „Zijn Brief aan mijn vader heeft mij ongelofelijk aangegrepen. Kafka schrijft hem zoiets als: ‘Ik heb mij van u bevrijd via mijn schrijverschap, maar als een worm waar men zijn voet op zet, en waarvan het voorste deel, de helft, kan wegkronkelen.’ Dat is godverdorie één van de vijf grootste schrijvers van de vorige eeuw die spreekt over zijn immense genie en talent. Dat is geen pose, dat is echt. Dat is een gevoel dat ik herken, ondanks alle applaus.”
Elke dichter is vormgever van zijn werk, maar Ducal acht zich geen godgelijke. „Ik voel mij meer verwant met de ondermens en de hond die geslagen wordt. Als je jezelf klein voelt, wil je je verheffen, en als je je verheft, heb je meteen schuldgevoel dat je je verheft en wil je je weer kleiner maken. Die dubbelzinnigheid blijft altijd bestaan.”
De sfeer van mislukking en van vrees verzacht Ducal met zijn ironie. Een recensent oordeelde zelfs dat er uit zijn laatste bundel meer licht, ruimte en bevrijding sprak. „Daar was ik ontzettend blij mee.” Zelf ziet hij geleidelijk „de maatschappelijke realiteit” in zijn gedichten doordringen.
Aan een boek naar aanleiding van de Israëlische aanval op Gaza, een jaar geleden, droeg hij negen gedichten bij, die openlijk en direct verwijzen naar het conflict. In Toegedekt met een liedje staan gedichten die zijn geschreven onder invloed van de oorlog in Irak. „Ik vroeg me af hoe ik als dichter sta tegenover een maatschappij waarin dingen gebeuren die ik verschrikkelijk vind. Ik heb ramen gemaakt in mijn ivoren toren en kijk naar buiten.”
Zijn veranderd uitzicht spreekt ook uit zijn gedichten over internetporno, met regels als ‘De ogen die haar opensperren zijn de mijne’. In een variatie op Lucebert schrijft Ducal onder meer: ‘Pornografie is de moeder der politiek’. Waarom? „Die gedachte ontstond door het misbruik van gedetineerden in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib. De oorlog in Irak is een politieke situatie. De vormen van wreedheid en seksuele vernedering die je daar zag, vind je ook in de pornowereld.”
Gedichten dragen titels als ‘www.doglove.com’ en ‘www.brutalviolence.com’. Ducal verzon de titels na het schrijven van de gedichten, maar de sites bestaan echt, met de seksuele varianten die ze beloven. Ducal: „Er zijn vormen van porno waar ik geen moeite mee heb. Het gaat mij om de extremen, die een grens over gaan en waar menselijkheid onmenselijkheid wordt. In een bordeel verkoopt een vrouw haar lichaam aan een onbekende. Dat is altijd nog de ontmoeting van een levend wezen met een levend wezen – hoewel men vragen kan stellen bij de positie van die vrouw.”
Pornografie op internet gaat een stap verder. „Iemand zoekt naar de afbeelding van zijn allergoorste fantasie, hoe goorder hoe beter. Die fantasie speelt zich af op het gebied van vernedering, wreedheid en machtswellust. Het feminisme heeft daar nog veel werk aan.”
Iedereen dan toch? „Ja, maar soms zeggen mensen dat vrouwen niks meer hebben om voor te vechten…”
Die moeten maar eens naar www.doglove.com gaan? „Dat vind ik wel.”
Zijn afkeuring spreekt ook uit de gedichten. „Die meisjes worden gerekruteerd uit de armoede. De uitbaters kunnen hen alles laten doen, omdat ze wanhopig zijn. Op zulke sites je fantasie laten strelen, is wel om je te schamen.”
Als die morele opvatting zijn poëzie in is geslopen, vindt hij dat niet erg. „Als het gaat om poëzie denken wij: verbeelding is iets moois. Maar verbeelding kan de andere kant opgaan en dan stinkt het.”
Gedichtendag, donderdag 28 januari. Info: gedichtendag.org
