Zie de schrijvers werken - Marja Pruis
In Atoomgeheimen, de laatste roman van Marja Pruis, staan twee werelden tegenover elkaar. Er is het aangeharkte burgerbestaan van hoofdpersonage Carice, en er is het vrolijke anarchisme van de vroege jaren tachtig, dat de lezer door flashbacks van diezelfde Carice op zich af krijgt. De Carice van nu is een geslaagde zakenvrouw die exclusief damesondergoed ontwerpt, de Carice van vroeger een idealistische feministe die in zelfgefabriceerde kledij meeloopt met demonstraties tegen de neutronenbom en hongerend Afrika.
Precies dezelfde dubbele atmosfeer heerst in Huize Pruis in Utrecht, al verraadt de woning niet meteen zijn twee gezichten. Beneden is alles keurig georganiseerd, maar boven in het huis, waar zich de werkkamer van Pruis bevindt, eindigt de overzichtelijkheid. Boeken in grote stapels op de grond, oude posters van theatervoorstellingen en exposities aan de wand (Pruis: “Geen officiele kunst aan de muur hier.”), en een onder het stof zittende pick-up met oud vinyl ernaast. De tafel waar Pruis achter werkt is gemaakt van het onderstel van een kantoorbureau waar een oude deur op is bevestigd, die als werkblad dienst doet.
“Het is een oud hol waar ik in werk”, zegt Pruis, “vol met spullen die ik al jaren achter me aan sleep. Dat houten sieradenkistje dat daar staat, dat stamt al uit de jaren zeventig. Ik ben gehecht aan deze spullen om me heen, die vaak al jaren in mijn bezit zijn. Het zijn zo langzamerhand een soort tokens van mijn bestaan geworden.”
Dit is niet Pruis’ enige werkruimte. Haar fictie schrijft ze hier, maar haar journalistieke stukken schrijft ze op de redactie van De Groene Amsterdammer. Ze heeft haar baan als journaliste nodig om óók die romans uit de pen te krijgen. “Ik heb me wel een aantal jaren alleen maar met het schrijven van literatuur bezig gehouden, maar ik werd er gek van. Je komt onder je eigen stolp te zitten en ik werd er erg ongelukkig van. Ik miste het contact met collega’s van De Groene ook. Nu vind ik het vooral heel stoer dat ik veel dingen naast elkaar doe. Bovendien ben ik van mening dat mijn recensies en mijn romans in elkaars verlengde liggen. Tussen die twee dingen zit niet eens zo heel erg veel verschil.”
Atoomgeheimen ontstond voor het grootste gedeelte in deze kamer, maar een deel schreef Pruis ook in Brussel, waar ze op uitnodiging een tijd aan haar roman mocht werken. “Het heeft iets gekunstelds om naar een bepaalde plek toe te gaan en er alleen maar aan je boek te werken. Ik ging er naartoe met het idee: als ik terugga naar Nederland is dat boek af. Daar kan ik echt in geloven, in zo’n loop der dingen. Zeeën van tijd voor je waarin het toch mogelijk zou moeten zijn om het af te ronden.”
Maar zo werkt het schrijven van romans niet voor Pruis. “Het is eerst erg lang zoeken naar een geestesgesteldheid, een houding van waaruit ik überhaupt tot schrijven kan komen. Je bent altijd op zoek naar die roes waarvan je weet dat als je er in terecht komt je eindeloos door kunt gaan. Maar eerst is er lange tijd helemaal niets en zit je maar te broeden op een enkele zin. Dat is, zonder pathetisch te doen, echt een zelfkwelling.”
Dan helpt het om veel structuur in te bouwen. Zo wist Pruis al voor het schrijven van Atoomgeheimen uit hoeveel hoofdstukken het boek zou moeten bestaan. En: “Het oorspronkelijke idee voor Atoomgeheimen stamt af van een editie van de New York Review of Books, waarin ik een artikel aantrof dat Atomic Secrets heette. Dat artikel is mijn richtlijn voor het boek geworden, op elke pagina van het boek moest een verwijzing zitten naar dat stuk.” Maar dat had dus ook net zo goed een gebruiksaanwijzing van een strijkbout kunnen zijn? “Dat had ook net zo goed de gebruiksaanwijzing van een strijkbout kunnen zijn. Het is niet meer dan een richtsnoer voor het schrijven van je eigen tekst.”
Wat moet er uiteindelijk op papier staan? Pruis haalt schrijvers als Ishiguro, Houellebecq en Murakami aan om te laten zien waar het voor een groot deel om draait. “Schrijvers die door de helderheid van hun teksten onmiddellijk bij je naar binnen komen. Van wie de stijl zo casual is dat het lijkt alsof het allemaal heel laconiek is opgeschreven. Alles staat of valt met die toon die je als schrijver bezigt. Dat is het moeilijkste: het er niet geconstrueerd, maar totaal luchtig uit te laten zien.”
Lees verder
- 31-08-2008 nieuws: In Fictie - Slobbertruien en harde axie in de jaren tachtig
- 30-10-2008 nieuws: Lezen &Cetera Live
- 30-05-2008 interview: Zie de schrijvers werken - Harry Mulisch
- 16-10-2008 interview: Zie de schrijvers werken - Arthur Japin
- 09-01-2009 interview: Zie de schrijvers werken - Gustaaf Peek
- Pruis, Marja
Besproken boeken
- De vertrouweling
auteur: Pruis, M.
Besproken boeken
- De vertrouweling
auteur: Pruis, M.

