Zie de schrijvers werken - Gustaaf Peek

Gustaaf Peek is óók fotograaf, maar hangt in die hoedanigheid “een beetje de kunstenaar uit”. Nee, hij heeft een “writer’s life”, waarin hij het bijna als zijn plicht ziet bepaalde verhalen te vertellen. Verhalen die zich buiten de autobiografie afspelen, dat wel.
You need to upgrade your Flash Player This is replaced by the Flash content. Place your alternate content here and users without the Flash plugin or with Javascript turned off will see this. Content here allows you to leave out tags.

Allereerst een geruststelling betreffende de foto: de kerstboom is inmiddels de deur uit.

Nog een geruststelling: Peek zit niet altijd zo achter gesloten gordijnen te werken. Dat was een vereiste voor de foto, aangezien er geen photoshopkruid gewassen is tegen het drukke Amsterdamse stadsgezicht dat normaal vanachter de rug van de schrijver de kamer binnenkomt. De gordijnen en ramen moeten juist open. Peek, schrijver van geprezen romans als Armin (2006) en het vorig jaar verschenen Dover, is niet iemand die zich in zijn werkplek afsluit van de wereld om hem heen.

“Ik verbaas me er vaak over dat er over bepaalde historische gebeurtenissen, hoe klein ook op het eerste oog, nog geen boeken zijn geschreven. Ik loop tegen zoveel voorvallen aan, waar ik van denk: daar moet toch al veel over zijn geschreven? Het leent zich er zo goed voor! Als dat dan niet zo blijkt te zijn, nou, dan moet ik dat maar doen.”

De vonk voor het schrijven van Dover huist in een drama uit 2000, toen in een zeecontainer op een vrachtschip in de Engelse kustplaats Dover tientallen illegale dode Chinezen werden gevonden. Gestikt. Peek noemt het voorval “één van de grote verhalen van onze tijd” en voelde onmiddellijk de aandrang er over te schrijven.

“Ik ben er eerst poëzie over gaan schrijven. Verontwaardigde, grimmige poëzie. Toen het in m’n hoofd bleef rondspoken heb ik het aangegrepen om er een roman over te schrijven.” Hij stuitte in zijn research voor het boek op onthutsende verhalen, toen hij meer zicht wilde krijgen op het fenomeen ‘illegaliteit’.

“Ik dook verhalen op van een voormalige Somalische warlord die in Nederland een krantenwijk had en over de slangenkoppen, Chinese maffialeiders die vaak achter de mensensmokkel zitten. En ik stuitte op Go No Go, het fotoboek over immigratie van Ad van Denderen. De verhalen die zich door de research in mijn hoofd vormden, zijn uiteindelijk aan elkaar gaan kleven, zodat het langzamerhand één verhaal begon te worden. Dat verhaal moet je zien als een soort film, een beeldversie van wat uiteindelijk in boekvorm zou verschijnen als Dover. Ik schreef naar aanleiding van die ‘film’ een schema, een ruw storyboard dat niet meer dan een pagina besloeg en ben daar tijdens het echte schrijven wat betreft de structuur ook niet meer van afgeweken.”

Peek werd in de landelijke kritieken bij zowel Armin als Dover geprezen om zijn keuze niet autobiografisch te schrijven. Er is volgens Peek ook nooit sprake van geweest het wel te doen. “Ik loop over van verhalen. Ik loop in de wereld om mij heen tegen zoveel verhalen aan die het verdienen verteld te worden, dat ik nog jaren vooruit kan vóórdat ik met mezelf aan de slag moet. Het voelt, bijvoorbeeld in de aanleiding van het schrijven van Dover, alsof ik de verhalen moet redden die anders waarschijnlijk snel in de vergetelheid zouden raken. En in het geval van Dover, dat ook de mensen achter die verhalen vergeten zouden worden. Alhoewel ik niet vind dat je mijn laatste boek alleen maar zou mogen lezen als een ter nagedachtenis of iets dergelijks. Ik kwam iemand tegen die me vertelde het een fantastisch boek te vinden, maar dan toch vooral om de stijl. (Lachend) Tja, met zo’n compliment kun je dan toch ook geen moeite hebben.”

Verhalen waren er altijd al in Peeks hoofd, maar toen hij na zijn studie Engels besloot: “Schrijven, nu.”, liep hij tegen een probleem aan. “Ik kon de juiste woorden niet vinden bij de verhalen in mijn hoofd. Ik heb toen twee jaar lang alleen maar poëzie geschreven, wat een zoektocht naar de taal was, een zoektocht naar de juiste woorden. Pas na die periode, die heel goed voor me is geweest en waarin ik langzamerhand ook echt goede gedichten ben gaan schrijven, ben ik me weer met proza schrijven bezig gaan houden.

En nu leidt hij dus wat hij zelf noemt “a writer’s life”. Tijdens de ochtenden komen de meeste woorden op papier, waarna hij ‘s middags wat in tempo terugzakt en er ‘s avonds vaak weer meer ontstaat. “M’n quotum is 1000 woorden per dag. Maar daar gaat weer erg veel vanaf, zodat er uiteindelijk zo’n 300 woorden van over blijven die ook echt in m’n boeken verschijnen.”

Boeken die qua thematiek volgens Peek verwant zijn aan de films van cineast David Lean. “Die maakte grote, romantische films met veel historische informatie en maatschappijkritiek. En dat allemaal in schitterende beelden. Ik tracht, net als Lean, dat soort kunst te maken, maar dan in mijn medium: de taal. Ik vind in Lean, en overigens ook in andere filmmakers, de drang om dat verhaal voort te stuwen. Je kunt niet te lang blijven hangen in allerlei introvert geneuzel. Dóór moet het.”

Het echte Dover-drama kende twee overlevenden. Heeft het ooit bij Peek gespeeld ze te willen spreken? “Nee. Toen ik met de voorbereiding van het boek startte en ik me verdiepte in de thema’s van de roman, wist ik al snel dat dat geen goed plan zou zijn. Dit boek moest groot, groter, grootst worden, en ik was bang dat het met gesprekken met de overlevenden of bijvoorbeeld asieladvocaten te klein zou worden. Te journalistiek. Het enige wat telt als zo’n boek af is, is dat de emotionele realiteit klopt, dat het geloofwaardig is. Na de grondige research die bij zo’n maatschappelijk geëngageerd boek hoort, moet je op een bepaald moment de verbeelding toch ook durven toelaten. Dat moet zelfs.”

DOVER, ENGELAND, 2000

We hebben het niet gehaald.
De wereld bewoog door de zee onder ons, maar waar we ons precies bevonden, wisten we niet. Misschien waren we net de haven uit, misschien was de Engelse kust zo dichtbij als de handen voor onze ogen. Het was juni, dat hadden we nog meegekregen. Voor de rest was buiten onze cabine een grote leegte van onbekende regentijden. Licht kon ontdekking betekenen. We waren veilig in de duisternis van laadruimten en containers – ongewenste kinderen in metalen buiken.
Sommigen van ons waren vrouw. Enkele maar. Dochters worden naar andere dorpen gestuurd om niet in de weg te lopen. De meesten van ons, de zoons, worden op de golven gezet om fortuin en familie te vergaren en onze ouders te eren met gouden flessenpost. Hun liefde heeft ons in deze vrachtwagen gehesen. Onze ouders waren niet arm. Ze hebben de slangenkop betaald met zorgvuldig gespaarde gevoelens. Wanneer onze mislukking hen bereikt is een gedeelte van hun inleg de enige betuiging van spijt.
We hebben nauwelijks namen uitgewisseld. We zijn van verschillende families, we mochten elkaar niet aan werk helpen. Af en toe hoorden we iemand praten in z’n slaap.
We vervingen een lading tomaten. De man telde ons en gaf aan dat het zou passen. We twijfelden, morden. We kregen vuilniszakken bij het instappen.
Tomaten kunnen rotten, we zaten verstopt in een oplegger die koel moest kunnen blijven. Voorin was een luik van ongeveer een arm breed en een arm lang. De sluiting klapperde, niemand kon zich meer herinneren of de man hier iets over had gezegd. We hebben het armbrede luik en de sluiting langdurig geïnspecteerd, tot warm, donker bloed langs onze vuisten en nagels liep.
We klommen op elkaar, ademden ons ziek. De duisternis verzwaarde onze longen tot zelfs onze handen niet meer konden roepen op de wanden van de cabine. We droomden en merkten niet dat de deuren opengingen en Engels licht binnenlieten.
Twee van ons hebben het overleefd. De anderen, vierenvijftig mannen en vier vrouwen, droegen de grimas van een overdosis CO2.
Thuis. We denken aan onze ouders en schamen ons voor ons falen. We zijn in onze poging gestrand en kunnen het niet nogmaals proberen. Hun jaloezie jegens hun buren met hun huizen en opritten, aangelegd met geld uit Engeland, Amerika, het Westen, bereikt ons zelfs hier. We voelen dezelfde vernedering als zij bij het ontvangen van de restitutie van de slangenkop. Voor onze ouders is het te laat. Ze kunnen niet nogmaals ouder worden. Hun kinderen zijn op.
We droomden dat we trouwden en kinderen kregen, zoveel als ze wilden. Om het nog een keer te proberen. Aankomen. Nooit meer weggaan. Een laatste droom. De witte wereld. Liefde.
Er zijn velen zoals wij hier.

Hoofdstuk 1 uit Gustaaf Peeks Dover, uitgeverij Contact, 2008.