'Taalunie, koningshuis en Plasterk minachten de literatuur'

Elsbeth Etty interviewt auteur Jeroen Brouwers over de „belabberde leefomstandigheden van de Nederlandse schrijver”.
Jeroen Brouwers: Sisyphus; bakens. Vloekschrift. Uitg. Atlas, €15.00

Uw onlangs verschenen ‘vloekschrift’ ‘Sisyphus’ bakens’ is één scheldpartij tegen de koningshuizen van Nederland en België, de Nederlandse Taalunie en cultuurminister Ronald Plasterk. Alleen omdat zij verantwoordelijk zijn voor de door u geweigerde Prijs der Nederlandse Letteren?
„In mijn boek toon ik aan de hand van vele voorbeelden aan dat die prijs exemplarisch is voor de minachting waarmee in Nederland met literatuur en de schrijvers ervan wordt omgesprongen. Zolang een schrijver productief blijft is er weinig aan de hand, maar zodra hij zijn pen moet neerleggen, bijvoorbeeld omdat hij ziek wordt, dan heeft hij helemaal geen inkomsten meer.”

U pleit voor meer ondersteuning van literaire auteurs bijvoorbeeld door het instellen van schrijverspensioenen.
„Dat is toch geen onredelijk verlangen? Ik richt mijn aanval op de Nederlandse Taalunie, een Vlaams-Nederlandse instelling, die 35 mensen in dienst heeft en jaarlijks 14 miljoen euro uitgeeft. Daar doen ze weinig anders mee dan één keer in de drie jaar de Prijs der Nederlandse Letteren, een fooi van 16.000 euro, uitdelen en op desastreuze wijze de spellingsvoorschriften veranderen.”

Ziet u geen functie voor de Taalunie?
„Die kunnen ze inderdaad beter opdoeken. Het punt is dat niemand invloed heeft op wat er met die 14 miljoen gebeurt. Niemand weet wat de Taalunie, een spokengezelschap, een overheidsoperette-instituutje, precies uitvoert. De Belgische cultuurminister Bert Anciaux zegt het zelf: ‘Het beleid van de Taalunie kan niet direct afgestraft worden door een democratisch verkozen instelling. Dat moet veranderen.’”

Denkt u dat de verantwoordelijke minister Plasterk zich uw kritiek op hem en de Taalunie aantrekt?
„Nee natuurlijk niet. Breek me de bek niet open over Plasterk, een debuterend ministerbaasje. Hij trad aan in februari 2007 en in april kwam het gedoe over die prijs. Toen had hij al de tuinschaar in allerlei kunstsubsidies gezet en de vreselijkste flaters begaan. Van die Prijs der Nederlandse Letteren wist hij niets af. Zo iemand gaat echt niet uitzoeken wat die Taalunie eigenlijk uitvoert.”

Dus het zit er niet in dat uw pleidooi voor schrijverspensioenen en andere maatregelen ter ondersteuning van de literatuur wordt overgenomen?
„Weet ik het. Als ik voorstellen doe om schrijvers respectvoller te behandelen dan krijg ik te horen dat ik verwend ben. De meeste commentatoren neigen er naar mijn opvattingen belachelijk te maken. Bij iedere polemiek die ik schrijf is de reactie: waar windt die man zich over op? Vrij Nederland reageerde op mijn pamflet met de opmerking dat de schrijver zijn aanzien allang heeft verloren en dat de literatuur geen prestige meer heeft. Maar dan zeg ik: hoe zou dat nou komen?”

Nou, hoe komt dat?
„Door al die poespas eromheen: de CPNB [Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, red.], met haar boekenweek, boekenbals, prijzencircussen, Maand van het spannende boek, en noem het allemaal maar op. Ze hebben er een kermis van gemaakt.”

Als al die poespas niet bestond, als er geen Boekenweek was, geen literaire prijzen, zou de literatuur helemaal een quantité négligeable worden. De CPNB  bevordert de belangstelling voor literatuur, dat is toch lovenswaardig?
„Wat kan het mij nou schelen dat jij dat lovenswaardig vindt. Je zit wél tegenover Jeroen Brouwers, die daar in zijn boek ernstige kritiek op heeft geuit. We hebben het wél over de verplebsing van de literatuur en daar is de CPNB in belangrijke mate verantwoordelijk voor. Hetzelfde geldt voor commerciële literaire prijzen als de AKO- en Librisprijs. Waarom kunnen die niet, zoals de P.C. Hooftprijs, gewoon toegekend worden aan een auteur, zonder al die onzin met nominaties en uitzendingen op RTL-Boulevard?”

Omdat het voor de sponsors van literaire prijzen, maar ook voor uitgevers, boekhandels en auteurs van belang is een groot publiek te bereiken.
„Het prestige van de literatuur wordt aangetast als serieuze schrijvers zich als clowns moeten gedragen om zich van inkomsten te verzekeren en als er geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen literatuur en tinnef. Ik vind trouwens dat de journalistiek zichzelf op dezelfde manier vernedert. Neem die paginagrote foto van Plasterk waarin hij de Volkskrant aanprijst. De media horen ministers te controleren. Zo’n Plasterk moet als hij die krant opslaat sidderen van angst voor wat er nu weer over hem wordt geschreven, in plaats van als paljas op advertentiepagina’s te paraderen.”

U vindt dit niet passen in een serieus cultuur- en mediabeleid?
„Welnee, het is allemaal propaganda voor zichzelf, zoals ook het koningshuis alleen maar reclame voor zichzelf maakt. Plasterk is een socialist! Socialisten hebben gestreden om de monarchie weg te vagen, Domela Nieuwenhuis heeft wegens majesteitsschennis in de gevangenis gezeten en nu gaat de socialistische minister Plasterk van cultuur mee naar Antarctica om het kroonprinselijk paar te fotograferen. Allemaal ijdeltuiterij, met dat hoedje van hem!”

Ook een republikein moet kunnen waarderen dat het Koninklijk Huis zich iets aan cultuur gelegen laat liggen.
„Hou nou toch op! Dat zijn toch verplichtinkjes van niets voor die mensen. Meestal geven ze er blijk van  literatuur te minachten, ik geef daar tal van voorbeelden van in mijn boek. Beatrix heeft tegen Frédéric Bastet gezegd: ‘Couperus? U mag hem helemaal van mij hebben.’ En van zo’n mens moet ik dan een prijs aanvaarden?”

Kunnen leden van het Koninklijk Huis zich dan maar beter verre houden van culturele activiteiten?
„Als ze het doen, laat ze het dan goed doen. Heb jij Beatrix of Juliana in een kersttoespraak wel eens een versregel van P.C. Hooft of Nijhoff horen citeren? Ze weten echt van niets.”

Koningin Beatrix was pas nog bij de première van P.C. Hoofts ‘Granida’.
„Het voornaamste wat Beatrix voor de literatuur doet, is dat ze eens in de zes jaar de Prijs der Nederlandse Letteren uitreikt. Het Belgische hof is geen haar beter. Toen W.F. Hermans in 1977 de prijs kreeg van koning Boudewijn wist de koning totaal niet wie Hermans was. Men moest hem uitleggen hoe De Donkere Kamer van Damocles in elkaar zat.

„Hofmaarschalk Herman Liebaers heeft mij dat schaterend verteld. En Hermans was er later zo trots op. Als hij door Brussel liep en de vlag wapperde op het paleis dan zei hij: ‘Ha mijn vriend is thuis’. Dat is toch treurig. Nu zitten we Hermans uit te lachen, die naïeve man dacht echt dat Boudewijn zijn boek gelezen had.”

Toch vraag ik me af of al die ad-hominemaanvallen geen afbreuk doen aan de effectiviteit van uw polemiek. Zo schrijft u bijvoorbeeld denigrerend over prinses Laurentien, die ik heb meegemaakt als uitstekende voorzitter van de AKO-jury.
„Terwijl ze voor geen halve stuiver benul van literatuur heeft. Kennelijk is dat voor de voorzitter van AKO- en Libris-jury’s niet vereist.
„Daar is ook de directeur van Schiphol ooit voorzitter van geweest en behalve nog allerlei andere bobo’s ook Plasterk die gegarandeerd niets van literatuur afweten.”

Maar u maakt ook de kachel aan met Ronald Giphart, de Leuvense hoogleraar Hugo Brems, en biograaf Cees Fasseur, terwijl die helemaal buiten het kader van uw polemiek over de Prijs der Nederlandse Letteren vallen.
„Er zijn personen die mij hebben gekrenkt of beledigd en vroeg of laat kunnen die een dreun van mij terugkrijgen. Zo zit polemiek in elkaar. Je mag geen onwaarheid schrijven en als je iemand aanvalt moet dat een gegronde reden hebben. Maar de lezer hoeft die niet altijd te begrijpen.”

Van uw aanval op Hugo Brems begrijp ik inderdaad niets. Hij heeft in 2006 een gedegen Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur gepubliceerd, die u afdoet als „structuurloze broddellap”. Getuigt dat niet ook van minachting voor de literatuur?
„Van die minachting mag ik als man van het vak blijk geven. Dat boek van Brems is het tegendeel van gedegen en in ieder geval ontbeert het een eigen persoonlijke visie. Verder is een polemiek geen recensie. Polemiek is met vuurpijlen schieten en het genre leent zich niet tot nuanceren. Ik word moedeloos van critici die roepen dat de polemiek een achterhaald genre is en dat wat ik te betogen heb onbelangrijk zou zijn. Wat critici mogen, is mijn standpunten aanvallen met gegronde argumentaties.”

Ik vind de polemiek een onmisbaar literair genre, maar ik ben bang dat door gedoe over personen uw boodschap ondergesneeuwd raakt.
„Dan zal ik mijn boodschap hier nog eens luid en duidelijk overbrengen. Mijn polemiek gaat over de belabberde leefomstandigheden van de Nederlandse schrijver. Schandelijke onderbetaling. Wantoestanden in de boekenbranche. De noodzaak bakens te verzetten door te protesteren tegen beschamend cultuurbeleid van de overheid.

„Tegen geldverslindende, overbodige instituten als de Taalunie, die de zogenaamd hoogste en belangrijkste literaire prijs uitlooft, maar die een belediging is voor wie hem toevalt. Men moet met zijn poten van de literatuur afblijven!

„Ik ben een literair kunstenaar en ik kan het niet uitstaan als de literatuur op wat voor manier dan ook wordt gebagatelliseerd. Daar protesteer ik tegen, omdat ik mezelf anders de goot in frummel. Dan zou ik dus mijn hele leven voor niets zomaar wat hebben aangerommeld. Daar verzet ik mij tegen. Je mag van mijn werk  denken wat je wilt, maar je kunt niet ontkennen dat het kunst is, gemaakt door een vakman die zijn metier beheerst.”

Prijzen en misprijzen

Jeroen Brouwers (Batavia, 1940) is romanschrijver, essayist, biograaf en polemist. Hij debuteerde in 1964 met de verhalenbundel Het mes op de keel en publiceerde daarna talrijke romans, verhalen- en essaybundels. Zijn roman Geheime Kamers (2000) werd bekroond met  de AKO-literatuurprijs, de Gouden Uil  en de Multatuliprijs. Met zijn meest recente roman, Datumloze dagen (2007), werd  hij genomineerd voor de Gouden Uil en de Librisprijs. In 1993 verwierf hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre.

In 2007 weigerde Jeroen Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren, die om de drie jaar, afwisselend door het Belgische en Nederlandse Koningshuis, wordt uitgereikt aan een Nederlandse of Vlaamse schrijver. Brouwers publiceerde onlangs Sisyphus’ bakens, een ‘vloekschrift’, waarin hij uiteenzet waarom de Prijs der Nederlandse letteren in zijn ogen geen blijk van waardering maar een aanfluiting is voor de literatuur.