Zie de schrijvers werken - A.F.Th. van der Heijden

De werkkamer van A.F.Th. van der Heijden ademt ontegenzeggelijk de sfeer van een kantoor. De inrichting – grijze bureaus, grijze archiefkasten – is functioneel en niets meer dan dat. “Het gaat erom dat ik hier kan werken. Ik zit hier niet om gezellig op kussens van velours te gaan dichten.”

Klik op de foto en houd de linkermuisknop ingedrukt om de camera te bewegen.

You need to upgrade your Flash Player This is replaced by the Flash content. Place your alternate content here and users without the Flash plugin or with Javascript turned off will see this. Content here allows you to leave out tags.
Voor één persoon gebruikt Van der Heijden opvallend veel bureauoppervlakte: er staan een stuk of tien bureaus in de kamer. “Als ik papieren opberg duurt het misschien wel twee jaar voor ze weer tevoorschijn komen. Dus laat ik de belangrijkstee zaken in stapels op het bureau liggen. Uiteindelijk komt het dan in ordners terecht, die ik etiketteer en bij elkaar zet. Deze rij ordners bovenop de kasten is bijvoorbeeld Homo Duplex in aanbouw.”

Op de bureaubladen liggen stapels A4-tjes, een opengeslagen ordner, een stapeltje brieven, maar opvallend afwezig zijn de boeken. “Die houd ik angstvallig beneden, in mijn bibliotheek. Als ik iets wil bestuderen of iets wil lezen, ga ik daarheen. Alleen de naslagwerken die ik regelmatig raadpleeg tijdens het schrijven staan in mijn werkkamer; hier, achter deze kastdeur staat nog twee planken naslag voor Het schervengericht.”

Van der Heijden is gehecht aan de spullen in de kamer, zoals zijn tien jaar oude schrijfmachine, een IBM. “Mijn handen staan naar deze machine. Het is als met ouderwetse schoenmakers, die hebben zo’n gebutste leest, die eigenlijk iets te roestig is, en het hamertje had eens een lange steel, maar die is met de jaren steeds korter geworden, zodat er nauwelijks meer iets van over is. Zo’n schrijver ben ik. Ik wil mijn gefröbel niet zo maar loslaten.”

Kort geleden kocht hij een computer, maar gebruikt deze nog niet. "Mijn zoon gaat me instrueren hoe ik het ding moet bedienen." Hoewel schoorvoetend, is Van der Heijden ervan overtuigd dat hij zich mee moeten laten voeren op de golven van de digitale revolutie. “Als je voor een magazine een verhaal schrijft, wordt van je verwacht dat je je teksten digitaal aanlevert. Doe je dat niet, dan komt er een tikgeit om je manuscript over te tikken. En al jaren is het zo dat ik dan een alinea mis, of een zinsnede. Daar krijg ik echt kiespijn van. Nu denk ik: ik loop toch ook hopeloos achter, ik moet maar eens gedigitaliseerd raken, tot in mijn tenen aan toe.”

Van der Heijden verlaat zijn werkkamer niet gemakkellijk om ergens anders te gaan schrijven. "Als ik schrijf moet dat ergens gebeuren waar alles bij elkaar staat. Ik ben dus geen Adriaan van Dis die het grootste gedeelte van het jaar kan rondreizen. In deze kamer staan echt alle onderdelen die met ‘De tandeloze tijd’ en met ‘Homo duplex’ te maken hebben bijeen, daar kan ik mee werken; zelfs als ik naar Chateau St. Gerlach (zijn Limburgse schrijfverblijf, red.) ga, raak ik gedesoriënteerd omdat ik het niet allemaal kan meenemen.”

“Als het werk vlot kom ik dagenlang nauwelijks op straat. Maar misschien zoek ik daarom wel contemporaine drama’s op als onderwerp van mijn romans: om mezelf niet helemaal tot eenzame opsluiting te veroordelen. Voor mijn nieuwe roman volg ik de rechtszaak tegen Marcel T., de verdachte van de moord op Louis Sévèke. Ik moet af en toe voelen hoe schurend de werkelijkheid is; ik moet ruiken aan groot drama.”

Gedurende het hele interview klinkt er zachtjes klassieke muziek op de achtergrond. Van der Heijden blijkt verslaafd te zijn aan schrijven met muziek op. “Het ligt aan het onderwerp waarover ik schrijf of ik bepaalde popmuziek opzet of de klassieken. Tijdens het schrijven aan Het schervengericht draaide hier een cd-molen waar vierhonderd cd’s in passen. Het merendeel daarvan was popmuziek van eind jaren zestig: The Mamas and the Papas, The Beach Boys, lui die ook persoonlijk te maken hebben gehad met de historische figuren uit het boek. Op de een of andere manier was dat heel stimulerend. Ik heb mezelf gedurende de jaren zo gewend gemaakt aan die gewoonte dat als de muziek op een gegeven moment is afgelopen, zelfs als ik heel diep in mijn werk zit, er van onderaf een soort onbehagelijk gevoel begint op te stijgen. Moest ik nou ergens heen, vraag ik me dan af, moest ik de trein halen, een boodschap doen? Oh ja, de muziek is afgelopen!”