Zie de schrijvers werken - Atte Jongstra

Jongstra: "Mijn persoonlijkheid bestaat uit meer dan één"

Een detail: In zijn kamer vol geleerde boeken ligt naast een traktaat van Augustinus een exemplaar van roddelblad Privé. Voor de “Homo Ludens” Atte Jongstra is het geen vreemde combinatie. "Al het uitzonderlijke is interessant."
You need to upgrade your Flash Player This is replaced by the Flash content. Place your alternate content here and users without the Flash plugin or with Javascript turned off will see this. Content here allows you to leave out tags.

Atte Jongstra (1956) is een verzamelaar van eigenaardigheden, iemand met een onlesbare dorst naar kennis in de marge. Fragmenten uit obscure historische boeken, citaten van Multatuli, verwijzingen naar de Divina Commedia, of weer die kerkvader Augustinus, het maakt allemaal deel uit van het spel van verwijzingen dat Jongstra speelt in romans als De avonturen van Henry II Fix (2007), De tegenhanger (2003) en Het huis M. (1993). Ook in zijn werkkamer zie je dat kantlijnfetisjisme weerspiegeld: insectenkunde, chasmologie (gaapkunde), negentiende-eeuwse psychologie, volksverhalen, boeken over stenen, over lang vergeten religieuze stromingen, boeken over boeken, je kunt het zo gek niet verzinnen of het staat bij Jongstra in de kast.

“Ik zit de hele dag te fiedelen als een kind in een zandbak,” zegt Jongstra. “Maar ik neem dat spel uiterst serieus.” Nog serieuzer werd het spel toen hij vijf jaar geleden de eerste tekenen van een midlifecrisis bij zichzelf waarnam. Existentiële levensvragen begonnen in zijn hoofd rond te zoemen, hij kreeg last van depressies en begon te spitten in zijn ziel. Gedurende dat zelfonderzoek is een boek, een essayistische autobiografie, ontstaan. In dat boek Klinkende ikken. Bekentenissen van een zelfontwijker, waarvan de laatste letter al is geschreven, maar dat pas in november bij de Arbeiderspers verschijnt, hanteert Jongstra de methode van de omcirkeling. Uiteenlopende onderwerpen, van de Italiaanse struikrover Quiseppe Musolino tot zijn jeugd in het Friese Terwispel, vormen tezamen een portret van de schrijver zelf.

Die Italiaanse struikrover, er is nauwelijks nog een mens die van zijn bestaan afweet. Bent u op een missie om mensen aan die vergeten verhalen te herinneren?
“Missie is een groot woord, maar ik zorg er graag voor dat wat in oude boeken staat de nieuwe mens onder ogen komt. Want er staan dingen in oude boeken die tot mijn spijt tegenwoordig niet meer de moeite waard zijn om te weten, dus daar pest ik mensen graag mee. Wie weet nou nog dat Hitler achter was met de betaling van zijn contributie voor de herdershondenvereniging? Ik vind dat belangrijk.”

Hoezo? Zijn zijn daden als dictator niet belangrijker?

“Die daden zijn bekend, maar dit detail geeft toch een menselijk aspect aan het beest?”

U bent gehecht aan details?
“In het kleine zie je het grote weerspiegeld. Ik kan geen filosofieboeken lezen, en door die handicap ben ik dus wel gedwongen het in het kleine en eenvoudige te zoeken. Als troost heb ik maar de gedachte aangenomen dat de microkosmos gelijk staat aan de macrokosmos. Daar kan ik dan altijd mee aankomen als mensen zeggen dat ze in mijn boeken door de bomen het bos niet meer zien. Dan zeg ik: in de boom zit het hele bos.”

Het heeft iets heel arbitrairs om je in een boom te verdiepen als er een heel bos om je heen staat, waarom net díe boom?
“Het komt erop neer dat je omgeving meer gaat leven als je meer details over die omgeving te weten komt. Een bioloog bijvoorbeeld maakt veel meer mee op een wandeling dan jij en ik. Hij ziet een bijzondere plant, of een dood konijn in het gras liggen, dingen waar wij overheen zouden kijken.”

Hoe bent u een verzamelaar van details geworden?
“Het zat er al vroeg in: ik las vanaf mijn tiende elke zondagmiddag in de encyclopedie. Als ik bij deel Z was aanbeland, was ik deel A alweer vergeten en kon ik weer opnieuw beginnen. Ik wilde in principe overal iets over weten. Het was ook een sociaal principe, want ik wilde met iedereen een gesprek kunnen voeren, van putjesschepper tot sterrenkundige. En dat helpt inderdaad enorm: als je met iemand in een café zit te praten en vraagt ‘en wat doe jij?’ en vervolgens een vakterm laat vallen, dan vallen alle barrières weg.”

Twee wanden in uw werkkamer staan vol boeken; nog niet eens zoveel voor een encyclopedist

“Vroeger was mijn verzameling een veelvoud van wat hier staat. Ik had honderdvijftig meter boeken staan. De woonkamer, keuken en nog een complete boekenkamer stonden vol boekenkasten. Maar toen ik ben verhuisd heb ik veel weggedaan, waaronder veertien encyclopedieën. Nu er internet is heb je ook veel minder boeken nodig.”

Internet moet een geweldige speeltuin voor u zijn
“Absoluut, het is heerlijk om op internet rond te struinen en ik kan er ook goed mijn weg vinden. Maar ik gebruik mijn computer ook vaak om te photoshoppen. Ik ben lid van een club genaamd Batafysica, vernoemd naar de patafysica, de wetenschap die zich bezighoudt met de oplossing van denkbeeldige problemen, bijvoorbeeld de zijwindgevoeligheid van de optelsom, of de oppervlakte van God. Naast mijn voorzitterschap van de afdelingen groentolochie en connectologie, ben ik ook beeldbankbeheerder. In die hoedanigheid heb ik afbeeldingen gemaakt van de bij ons aangesloten Drentse raketclub, van een experimenten in de verticaliseringsstudies, en ga zo maar door. Dat fotoshoppen werd wel een verslaving: ik heb in drie maanden bijna 260 afbeeldingen bij elkaar gephotoshopt. Die zijn nu allemaal op onze website te bewonderen en er is zelfs een tentoonstelling aan gewijd in Arte et amicitiae.”

In uw aankomende boek schrijft u eigenlijk voor het eerst niet over dingen, mensen en personages, maar over uzelf. Wat gaf de doorslag om de blik naar binnen te keren?
“Volgens mij komt het doordat ik de vijftig ben gepasseerd. Ik kreeg een midlifecrisis, dus ik ging me afvragen of ik het wel goed had gedaan in mijn leven, of het wel goed zou komen, wat ik nog ‘s zou doen, of ik niet te veel had gerookt om nog gezond te worden. En ik moet mijn Grote Werk nog schrijven, dus ik dacht na over wat dat dan zou worden en of ik het eigenlijk wel in me had. Ik kreeg zware depressiegevoelens; op een gegeven moment was het alsof ik een iets te ruime wollen muts tot over mijn wenkbrauwen voelde zakken, zo’n depressiemuts. Voor het eerst had ik de behoefte om dingen te bekennen, daarom heeft het boek ook de ondertitel ‘Bekentenissen van een zelfontwijker’.

“De titel van het boek komt uit een gedicht van mijn pseudoniem Arno Breedveld: ‘oh wonder en verrukking / oh prachtig evenwicht / de klinkende ikken / spatten van ons allen af’. Mijn persoonlijkheid, zo denk ik weleens, bestaat uit meer dan één. En in dit boek probeer ik al die ikken bij elkaar te drijven. Ik maak gebruik van de methode van de omcirkeling; door uiteenlopende onderwerpen te behandelen, de Lanbouw RAI, mijn grlorietijd als jongen in Terwispel, enzovoorts, hoop ik uiteindelijk een compleet beeld van mijzelf neer te zetten, puur holisme eigenlijk. Je kan het ook zo zien: al mijn ikken zijn op een gegeven moment van huis gegaan, maar nemen dan het besluit om terug te keren, want ze willen weten waar ze vandaan komen. Op de stoep voor het huis komen ze elkaar tegen, maar niemand heeft de sleutel meer bij zich, dus kijken ze zo’n beetje om zich heen en praten wat: dat is mijn boek.”

Hoe werkt dat, bent u de ene dag een ander persoon dan de andere?
“Soms komt het daar wel op neer: er zijn dagen waarop ik me katholiek voel, en dan schrijf ik hele katholieke stukken, lees ik Augustinus en dan geloof ik dat Willen Jan Otten toch echt mijn dierbaarste collega is. Maar er zijn ook dagen dat ik een papenvreter ben en dan moeten de katholieken juist aan de hoogste boom. Zo gaat het ook met mijn pseudoniem Arno Breekveld; ik ben geen echte dichter, maar hij wel. Dus sommige dagen ben ik een tijdje Breekveld en dan schrijf ik een paar gedichten. Die persoonlijkheidwisselingen zijn nu wel wat minder geworden, maar er zijn foto’s waar ik echt als Breekveld op sta, met een soort waanzin in mijn oogopslag.”

Als het interview ten einde loopt valt mijn oog op het exemplaar van de Privé, dat op een stapel op de grond ligt. Een valse noot tussen al die geleerde boeken?
Jongstra: “Dat vind ik helemaal niet. Hoge en lage cultuur kunnen heel goed samengaan. In dit nummer staan prachtige foto’s van het huwelijk van Frans Bauer. Toegegeven, ik kijk er wel met enige afstand naar, want die Bauer is natuurlijk een onnozelaar. Maar hij is ook een held van onze tijd, en dat huwelijk van hem is zo overdreven, die kerk is met zoveel tierelantijnen opgesierd, dat het me wel aanspreekt. Uiteindelijk komt het bij mij hierop neer: al het uitzonderlijke is interessant.”

Op attejongstra.nl wordt een selectie uit de beeldbank Batafysica getoond.