Zie de schrijvers werken - L.H. Wiener

De afmetingen van L.H. Wieners piepkleine werkkamer helpen hem zich te concentreren. De schrijver heeft met zijn laatste roman Eindelijk volstrekt alleen een trilogie afgerond. "Wat is er mooier dan te zeggen: zo, hier is het, het is klaar, ik ga zeilen."
You need to upgrade your Flash Player This is replaced by the Flash content. Place your alternate content here and users without the Flash plugin or with Javascript turned off will see this. Content here allows you to leave out tags.

Het is er klein, heel klein. De werkkamer van L.H. Wiener (1945) is ingebouwd in een schuur in de tuin. De ruimte beslaat zo’n twee meter bij één vijftig en is nauwelijks twee meter hoog. “Als je de hoogte vergeet zijn het de afmetingen van een graf,” aldus de schrijver. De wanden zijn geïsoleerd met schuim, zoals in een geluidsstudio. Het is een monnikscel, schaars verlicht, waarin de schrijver een opperste staat van concentratie kan bereiken: afsluiten en blijven zitten, dat zijn de voorwaarden, dan pas komen de juiste zinnen.

Wiener, vorig jaar met pensioen gegaan als leraar Engels aan het Stedelijk Gymnasium in zijn woonplaats Haarlem, is schrijver van korte verhalen en van de autobiografische romans Nestor, bekroond met de F. Bordewijkprijs, De verering van Quirina T., waarmee hij de shortlist van de Librisprijs haalde en het in het in mei van dit jaar verschenen Eindelijk volstrekt alleen, een boek waarin zijn alter ego Victor van Gigch de schrijver de rug toekeert en waarin Wieners liefdesleven dankzij de ontwapenende Quirina, een oud-leerling van de schrijver, tot een cirkelgang komt.

Dit is de kleinste werkkamer die ik ooit heb gezien! Vindt u dat prettig, zo klein?
“Ja, de afmetingen van dit kamertje dwingen mij om me te concentreren. Een werkruimte moet afsluiten. Weinig licht is ook prettig, hoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat mijn tweede werkkamer, in huis, goede verlichting heeft. Maar in deze ruimte heb ik een klein lampje dat op mijn handen schijnt en ik brand wat kaarsjes voor de sfeer. Dat brengt me in de juiste gemoedstoestand.”

“Ik heb aan de wanden geluidsisolerend materiaal bevestigd, want omgevingsgeluid haalt me direct uit mijn concentratie. En zelfs daaraan heb ik niet genoeg: ik heb ook nog altijd een koptelefoon op mijn hoofd als ik aan het schrijven ben.”

U bent snel afgeleid?
“Absoluut, als de telefoon gaat, dan ben ik verloren. Ik heb namelijk altijd wel een uur nodig om in de juiste stemming te komen. En als ik daarin word gestoord, kan ik weer van voren af aan beginnen.”

Waar luistert u naar tijdens het schrijven?
Tijdens Nestor had ik het dubbelvioolconcert van Bach op staan. Ik draai altijd één bepaald muziekstuk per boek. Daarmee sluit je je af: op een gegeven moment luister je er niet meer naar, maar wordt het een deel van het schrijfproces. Met Quirina waren het de twee pianoconcerten van Chopin. Klassieke muziek is nieuw voor mij. Vroeger zette ik me daar tegen af, vond ik het kakkineus, snobistisch en luisterde ik naar jazz, blues en popmuziek.

Veel schrijvers hebben een strikt werkritme. Hoe ziet dat van u eruit?
“Vroeger vond ik dat je je eigenlijk eerst moest scheren en een schoon overhemd aan moest trekken, voordat je begon met schrijven. Maar dat was gechargeerd, en ik heb het eigenlijk ook nooit zo strikt in de praktijk gebracht. Ik kan ook best schrijven met een trainingsbroek aan.

“De eerste uren moet ik inkomen, ik noem dat indalen, dan lees ik keer en keer over wat ik de vorige dag heb gemaakt. Daarna volgt er een periode van enkele uren waarin ik iets nieuws toevoeg. Daarna valt mijn productie weer terug, raakt het op, maar als ik dan wat wijn neem, kom ik op een ander niveau waarop ik wat meer durf, dingen anders zie. Negen van de tien keer is het niks, maar die ene keer had ik anders nooit gezien.

“Maar ik kan ook hele lange dagen en nachten maken, waarin ik makkelijk negen of tien uur doorschrijf. Normaal dwing ik vijfhonderd goeie woorden af in een sessie van vier of vijf uur. Maar als ik het gevoel heb dat ik de goede vorm gevonden heb en het ga winnen van de chaos, dan haal ik per dag gemakkelijk vijftienhonderd of tweeduizend woorden.”

Aan de muur hangen artikelen en interviews over uw werk. Zijn die belangrijk voor u?
”Ja, dat raakt aan iets heel wezenlijks in mij: ik wil de werkelijkheid fixeren, het niet voorbij laten gaan. In mijn oude verhalen staat dat ik lijd aan de vasthoudziekte. Want ik doe het al heel lang: vishaakjes waarmee ik een karper heb gevangen hang ik aan de muur, met de twee loodjes er nog bij, om me die mooie vismiddag te blijven herinneren, of ik neem van vakantie stenen en schelpen mee. Zo bouwt zich dus een verzameling van tastbare herinneringen op. Maar het is een speelse verzamelwoede, niet pathologisch; ik kan alles best weggooien na een tijdje. In mijn oude werkkamer, dat is nu de kamer van mijn zoon, heb ik alle knipsels weggehaald, daar hingen de muren helemaal vol mee.”

Waar bent u nu mee bezig?
“Met een boekje over mijn uitgevers. Ik heb er een hoop versleten, de afgelopen veertig jaar. Ik put onder andere uit mijn briefwisseling met Geert van Oorschot, iemand die altijd in mij heeft geloofd toen ik nog alleen korte verhalen schreef en mijn lezerspubliek niet zo groot was. Dat wordt dus essayistiek. Wat romanschrijven betreft is dit het moment om me te gaan heroriënteren. Ik heb namelijk met Nestor, De verering van Quirina T. en Eindelijk volstrekt alleen een trilogie afgerond.”

Kunt u dat uitleggen?
“Laat ik beginnen te zeggen dat die boeken nooit als trilogie zijn bedoeld, maar dat ze organisch zo gegroeid zijn. Ik heb de thema’s die voor mij belangrijk zijn in deze boeken vormgegeven: mijn verhouding tot vrouwen, de strijd met de drank, mijn maatschappelijke positie, dus het onderwijs, en niet in de laatste plaats mijn jeugd en de verhouding tot mijn vader. Het familiedrama uit mijn jeugd is me altijd blijven achtervolgen. Mijn vaders hele familie, behalve hijzelf, pleegde op de eerste dag van de oorlog gemeenschappelijk zelfmoord. Dat heeft een enorme impact gehad op mijn jeugd, want mijn vader heeft daar nooit over kunnen praten, terwijl ik dat van hem eiste. Maar ik kon van hem eisen wat ik wilde: hij had zijn eigen leven en maakte zijn eigen keuzes. Maar ik wil mijn leven in woorden fixeren, zoals ik ook die vishaakjes ophang. Het is voor mij van belang dat het verleden, mijn leven, mij niet door de vingers glipt. Daar heb ik een term voor: niet anoniem passeren.”

“Kort en goed komt het hierop neer: ik schreef de novelle Nestor, waarin een jongetje indruk wil maken op het mooiste meisje van de school, met een uil die hij probeert af te richten. Daarbij kwam er zoveel van mijzelf naar boven, dat ik dacht: dit moet meer worden. Toen drong zich een nieuwe laag op: Victor van Gigch, mijn literaire alter ego, leraar en schrijver, vertelt nu dat verhaal. In een derde laag beschrijft L. H. Wiener Victor van Gigch. Na Nestor ben ik aan een nieuw boek begonnen, De verering van Quirina T., waarin ik als hoofdthema de verhouding tot mijn vader neem, een man die vermorzeld uit de oorlog is gekomen. Daarin kwam ook mijn jeugd aan bod en het ontluikende gevoel voor vrouwen – een obsessionele fantasiewereld rondom een beauty van toen, de moeder van een schoolvriendje. Victor is in Quirina 57 en gaat op audiëntie bij die dame die inmiddels 83 is, dat is de rode draad in Quirina. In Eindelijk volstrekt alleen keert Victor van Gigch zich van Wiener af, waarmee er weer een laag minder is en de schrijver Wiener op zichzelf is aangewezen. Dankzij Quirina, het jonge meisje waarmee Wiener een verhouding heeft, is in Eindelijk volstrekt alleen zijn omgang met alle vrouwen uit zijn leven tot een cirkelgang gekomen.”

“Mijn hele oeuvre heb ik altijd op een organische manier laten ontstaan; al die lijnen in de trilogie zijn op een natuurlijke manier samengekomen. Ik zit in mijn eigen leven als een spin in een web. Ik verzin weinig, maar ik kan wel vormgeven.”

Maar nu zegt u dat de belangrijkste thema’s uit uw werk met Eindelijk volstrekt alleen zijn afgerond, dat uw verleden is geboekstaafd. Is het ook niet beangstigend dat daardoor de voedingsbodem voor uw boeken misschien is opgedroogd?
“Dit is een mooi moment om te kijken of ik mijn fantasie kan aanspreken om boeken te schrijven. Ik heb het nooit met het mes op de keel geprobeerd, want mijn eigen leven gaf genoeg stof. Maar als dat niet lukt, dan maal ik er geen moment om. Wat geeft het als het op is? Hoezo nieuwe boeken? Nescio heeft vier boeken geschreven, en toch een prachtig oeuvre neergezet. In Eindelijk volstrekt alleen wijd ik er een passage aan: wat is er mooier dan te zeggen: zo, hier is het, het is klaar, ik ga zeilen.”

Hoezeer Wieners leven en werk met elkaar verstrengeld zijn blijkt wel wanneer tijdens de fotoshoot plotseling een blond meisje, van ergens begin twintig, binnen komt. Ze stelt zich niet voor, maar even later zegt Wiener: “Dat was Caroline, Quirina in mijn boeken. In Eindelijk volstrekt alleen zijn we uit elkaar gegaan, maar daarmee heb ik een voorsprong op de werkelijkheid genomen. We hebben wel afgesproken ieder onze eigen weg te gaan, maar we stellen het nog even uit.”