Zo schrijf je de Altijd Moeilijke Tweede roman
Schrijver Christiaan Weijts laat zich interviewen door een personage uit ‘Via Cappello 23’, zijn tweede boek dat morgen verschijnt
Zo, daar is hij dan, je tweede roman. Opgelucht? Of begint de spanning nu pas?
„Het inleveren van een manuscript bij een uitgever heeft veel weg van het dichttrekken van de voordeur als je op vakantie gaat. De aanvankelijke euforie ‘daar gáán we dan!’ slaat al na enkele stappen voorbij je eigen straat in twijfel om: ben ik echt niets vergeten? Het is bekend uit de psychologie: hoe meer je erover nadenkt of je het gas wel uitdraaide, hoe minder zeker je er van wordt. Angstvisioenen van een afbrandend huis flitsen je in het vliegtuig voor ogen.
„Zoiets overkwam mij afgelopen zomer, en ik herkende het van dertig maanden eerder, toen ik mijn debuut Art. 285b met één muisklik naar de uitgeverij teleporteerde. Niets aan de hand dus, zou je zeggen. Ook toen brandde het huis niet af. Sterker nog: het vulde zich met bloemen en prijzenbokalen. Maar ook in de literatuur gelden die kleine fluisterlettertjes die ongetwijfeld levensbreed gelden: behaalde resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.”
Drukte het succes van je eerste boek niet op dit tweede?
„Het eerste boek kwam ook niet zonder geploeter tot stand, vergis je niet. Tijdens het beklimmen van de berg genaamd Altijd Moeilijke Tweede had ik helemaal geen energie om achterom te kijken naar de Eerste. Jij en Arthur Citroen slokten al mijn aandacht op. Je wilt niet weten wat een moeite het me gekost heeft om jullie bijvoorbeeld met elkaar in contact te laten komen.”
Geef toe: de lat ligt nu wel hoger.
„Schrijven is iets wezenlijk anders dan hoogspringen. Want hoe dacht je die kwaliteit te gaan meten? Probeer jij maar eens een wiskundige formule te vinden waarin het aantal gewonnen prijzen, het gemiddeld recensentenoordeel, de verkoopcijfers en de lezerswaardering samen één cijfer vormen. Het slechte nieuws voor alfa’s zoals jij die afgunstig koekeloeren naar de grafieken en tabellen van hun bètabroertjes, is dat zo’n formule niet bestaat. De literatuur is geen exacte wetenschap. En ook geen competitie trouwens.
„Maar je zult vast gelijk hebben. De recensenten zullen strenger zijn dan ze voor mij als nieuwkomer waren. Dat zij zo. Het lijkt me geen reden om bij elk nieuw boek een nieuw pseudoniem te nemen.”
En de remmende werking van de roem? De literaire avondjes, de groupies, de meisjes die je op straat staande houden voor handtekeningen, de karrenvrachten aan royalty’s? Die houden je toch enorm van je werk?
„Ach, dat valt best mee.” (Glimlacht betekenisvol) „Ik heb gemiddeld één optreden per maand gehad, ben na het debuteren braaf gaan samenwonen, met één vriendin, en wie rijk wil worden, moet niet gaan schrijven. Ik heb voldoende verdiend om aan te schaffen wat ik het meest begeerde: tijd om te schrijven. Voorheen kon ik alleen schrijven in gestolen uurtjes naast een negen-tot-vijfbaan. Nu is het schrijven zelf mijn baan geworden. Me dunkt dat dat de kwaliteit van het geschrevene ten goede is gekomen.”
Bij Art. 285b had je nog de mazzel dat er een strafzaak tegen je liep. Nu moest je ineens alles verzinnen.
„Die stalkersroman is ook grotendeels uit m’n duim gezogen. Bovendien weet jij helemaal niet wat er voor Via Cappello 23 allemaal uit mijn eigen leven is geput. Misschien juist wel méér. Ik sluit niet uit dat jij naar mijn evenbeeld bent geschapen.”
Ik gelóóf je gewoon niet, Christiaan. Ergens moet je het spook van de Altijd Moeilijke Tweede zijn tegengekomen.
„Als het al gebeurde, dan was het ná het schrijven, in het stadium van de drukproeven, in mijn vak het equivalent van een echo. In die fase laat ineens de buitenliteraire wereld zijn gezicht weer zien, hoor ik ver weg het slijpen van recensentenmessen, en krijg ik allerlei interviewers zoals jij over de vloer.”
En dan begint het te knagen.
„Dan begrijp ik dat de buitenwereld er anders tegenaan kijkt dan ik zelf. Kijk, vóór ik debuteerde, schreef ik al duizenden pagina’s: journalistiek, columns, gestrande manuscripten... Dat zijn mijn vlieguren. Al die tijd was ik niet gericht op ‘een boek’ (zoals de buitenwereld over beginnende schrijvers altijd verwachtingsvol dan wel minzaampjes beweert: ‘hij is aan een boek bezig’) maar op een oeuvre. De afgelopen jaren was ik dan ook niet bezig aan ‘mijn tweede boek’ (pas vanaf boek drie heeft de buitenwacht het over ‘de nieuwe [auteursnaam invullen]’). Ik bouwde verder aan mijn oeuvre. Dat is de beste remedie, zowel tegen het debutanten- als het tweedeboeksyndroom.
„Als er in de kunsten al zoiets als een lat is, dan is het alleen de kunstenaar zelf die dat ding voelt drukken en slaan, en dat houdt niet op na het eerste, het tweede boek of het vijftiende boek, nee, dat is de rottige sater die je dwingt alsmaar verder te gaan, nooit tevreden te zijn….”
(Zucht diep, steekt een sigaret op en kijkt op zijn horloge.) „Denk je niet dat je het nu wel zo’n beetje hebt? Ik moet weer aan de slag.”
Christiaan Weijts is bejubelde debutant
Journalist en schrijver Christiaan Weijts (32) kreeg voor zijn eerste roman Art.285b uit 2006 behalve lovende recensies de Anton Wachterprijs voor het beste debuut. Ook ontving hij het Gouden Ezelsoor, een prijs voor het best verkochte literaire debuut. Van Art.285b , dat zeer kort gezegd gaat over een man die zijn ex-geliefde stalkt, gingen in de eerste zes maanden na verschijnen bijna 10.000 exemplaren weg.
Weijts is sinds 2006 columnist voor nrc.next. Daarvoor schreef hij columns voor Mare.
Vanaf morgen is Via Cappello 23 van Christiaan Weijts te koop, Arbeiderspers, € 18,95
Lees verder
Besproken boek
- Art. 285b
auteur: Weijts, C.
Besproken boek
- Art. 285b
auteur: Weijts, C.
