Rudy Kousbroek overleden

De essayist Rudy Kousbroek, die op de ochtend van Eerste Paasdag op 80-jarige leeftijd overleed, was een rationalist die hield van de polemiek.

In het slothoofdstuk van Medereizigers, de voorlaatste essaybundel van Rudy Kousbroek, schreef hij over een foto waarop de grafsteen van vier Britse circuspony’s te zien was. De dieren waren bij een brand om het leven gekomen. ‘We think they must have souls’, stond op de steen.

‘Het is beschamend maar niet te ontkennen;’ schreef Kousbroek op zijn beurt, ‘om die overtuiging dat dieren een ziel hebben, en om het feit dat er mensen waren die er behoefte aan hadden dat op een grafsteen te laten beitelen, ben ik weerloos aan dat gedenkteken overgeleverd.’ Waarna hij erkent dat zijn ziel kennelijk geraakt is ‘en dat is merkwaardig, want ik geloof niet in zielen, sterfelijke of onsterfelijke’.

In het elegante essay dat volgt horen we niet alleen de heldere rationalist Kousbroek uitleggen hoe hij zijn geloof verloor, maar zien we ook Kousbroeks vermogen om zich te verwonderen over de wereld en wat mensen en dieren daar zoal bedenken en uitvoeren.

Vooral het rationalisme van Kousbroek heeft altijd veel aandacht getrokken, ook al door vasthoudendheid waarmee hij een hele reeks polemieken voerde: over het geloof, over Nederlands-Indië, over kunst en schrijvers die hem niet zinden. Bijna achteloos kon hij het ‘suikerwerk’ van Vasalis wegzetten of de latere Nobelprijswinnaar Le Clézio geestig diskwalificeren (‘De kaak is een mensenkaak (en kan mooi Frans praten), maar het is de schedel die afkomstig is van een orang-oetan.’) En decennia lang hamerde hij op hetzelfde aambeeld: dat de Japanse interneringskampen in de Tweede Wereldoorlog niet te vergelijken waren met de Duitse. En dat de wijze waarop geïnterneerde Nederlanders later over het ‘Jappenkamp’ spraken racistische trekjes had.

Dat ‘Oost-Indisch kampsyndroom’ leidde tot het gelijknamige, meesterlijke boek uit 1992, Kousbroeks beroemdste. Maar wie Het Oostindisch kampsyndroom nu leest, wordt niet alleen getroffen door de gestaalde stukken tegen Jeroen Brouwers en Wim Kan, maar vooral door de andere essays, die het overgrote deel van het boek vullen: lange, op het sensuele af zintuiglijke stukken waarin Kousbroek zijn herinneringen aan het land waar hij de eerste zestien jaar van zijn leven doorbracht laat samengaan met wat hij er later over leest, hoort en bedenkt.

Veel meer dan zijn kracht als polemist, zijn het Kousbroeks helderheid, zijn humor en nooit aflatende nieuwsgierigheid die hem tot een van de prominentste essayisten van zijn generatie maakten. Carel Peeters schreef over Kousbroeks ‘rationele passie’ die hij op haast alle denkbare onderwerpen losliet: gebouwen, de tegencultuur, literatuur, Bruintje Beer, sciencefiction, structuralisme, dieren, oude foto’s, wiskunde, beeldende kunst, wapens, cultuurfilosofie, de Chinese politiek, media, taal en dieren. In zijn vorig jaar gepubliceerde briefwisseling met Willem Frederik Hermans (Machines en emoties) ging het even eenvoudig over auto's en hun topsnelheden als over de betekenis van het werk van Wittgenstein.

Kousbroek was vanaf de oprichting van deze krant een van de gezichtsbepalende auteurs van het Cultureel Supplement. Een groot deel van zijn werk verscheen eerst in de krant en werd later gebundeld in titels als De aaibaarheidsfactor, Het avondrood der magiërs, Een kuil om snikkend in te vallen, De logologische ruimte en De vrolijke wanhoop. De afgelopen jaren publiceerde Kousbroek – die altijd al vaak beeld bij zijn essayistiek betrok – drie boeken met opstellen naar aanleiding van fotografie onder de titel Fotosynthese. In 1975 werd Kousbroek onderscheiden met de P.C. Hooftprijs.

Zelf noemde Kousbroek desgevraagd echter niet zijn essays, maar zijn (als feuilleton geschreven en tegen het essay aanschurkende) roman Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam uit 1981 als zijn dierbaarste boek, wat wellicht samenhing met het feit dat het zijn enige voltooide roman was. „Ik heb een stuk of twaalf romans geschreven, maar geen enkele voltooid”, zei hij in 1986 in een interview met Lien Heyting. „Het is alsof ze allemaal in hetzelfde stadium zijn blijven steken, alsof ik merk dat ik op bekend terrein kom en dan weet ik het al, dan gaat het mis.” Vorig jaar zei hij in deze krant tegen Pieter Kottman over een roman waaraan hij in de jaren zestig werkte: „Het bedrukt me nog steeds, dat het niet is gelukt.”

Rudy (Herman Rudolf) Kousbroek werd op 1 november 1929 in Pematang Siantar op Sumatra geboren. De eerste vijf jaar van zijn leven bracht hij in Nederland door, daarna vertrokken zijn ouders weer naar Nederlands-Indië, waar Kousbroek op een internaat zat. Tijdens de Japanse bezetting was hij in verschillende kampen geïnterneerd, in 1946 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij enige tijd wiskunde zou studeren voor hij naar Parijs vertrok. „Ik was niet opgewassen tegen de vrijheid van het universitaire bestaan”

Daar studeerde hij verder (Chinees, Japans), maar daar raakte hij ook in contact met de schilders van Cobra en jonge schrijvers als Simon Vinkenoog, Hugo Claus  en Remco Campert. Met die laatste richtte hij in 1950 het legendarische tijdschrift Braak op en zo kwam hij aan de wieg te staan van de Beweging van Vijftig. Hij maakte zich sterk voor het ‘zeer aardse vers in een zeer aardse wereld’, waarin ook het empirisme van de latere essayist Kousbroek te zien is.  In 1951, het jaar dat hij trouwde met schrijfster Ethel Portnoy, debuteerde Kousbroek als dichter met Tien variaties op het bestiale, twee jaar later volgde De begrafenis van een keerkring. De ontvangst was matig. Hij stopte met dichten. „In de Nederlandse poëzie zou ik hooguit tot een goede middelmaat behoren en dat is niet goed genoeg.” In de jaren negentig zou Kousbroek een lange reeks gedichten publiceren op de Kinderpagina van het Cultureel Supplement, die in 2003 in Dierentalen werden gebundeld.

Vanaf eind jaren zestig schreef Kousbroek voor het Algemeen Handelsblad en voor Vrij Nederland. Na de oprichting van NRC Handelsblad werd hij een van de boegbeelden van het Cultureel Supplement, waarvoor hij honderden stukken schreef en de toon en de richting in belangrijke mate mede bepaalde. „Ik heb kilo’s krantenpapier zwart gemaakt, maar het merendeel is rommel,” zei hij eerder dit jaar. En: „Mijn werk? Ik heb 99 procent van mijn tijd aan seks gedacht en, helaas, niet eraan gedaan.” Over zijn P.C. Hooftprijs zei hij met evenveel zelfspot dat hij die dankte aan het het feit dat de jury niet kon kiezen tussen Karel van het Reve en Renate Rubinstein.

Kousbroeks consequente aanvallen op alle vormen van irrationaliteit en met name op religie leverden hem behalve veel bewonderaars ook tal van tegenstanders op. Hij verdedigde de wetenschap tegen sceptici en hekelde het ‘moderne bijgeloof’ van psychedelica en new age. Even kritisch was hij over de afkeer van een groot deel van de literaire wereld van alles wat met techniek van doen had: ‘klassieke intellectuelen die door de moderne wereld wandelen als Neanderthalers door een sterrenwacht: ongerust, omgeven door apparaten waarvan de werking hen volkomen onbegrijpelijk is.”

In 1994 ontving Kousbroek, die hertrouwde met de sinologe en schrijfster Sarah Hart, een eredoctoraat in de wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen als ‘meest prominente vertegenwoordiger van de essayistische traditie in Nederland vanaf de jaren zeventig’. Bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen was hij lijstduwer van de Partij voor de Dieren, al werd hij later onaangenaam verrast door de mededeling van lijsttrekker Marianne Thieme dat zij zich had laten dopen tot lidmaat van de zevendedagsadventisten. Zijn laatste boek verscheen enkele weken geleden, het afsluiting van de meer dan veertig jaar geleden begonnen reeks Anathema's: Restjes.

De laatste jaren had Rudy Kousbroek grote problemen met zijn gezondheid. „Anderhalf jaar geleden was ik opgegeven”, zei hij vorig voorjaar tegen Pieter Kottman. „Het was op het randje. Ik heb  toen niet de minste neiging gehad me over te geven aan het hogere. Ik dacht: zie je wel, ik laat me ook niet door omstandigheden verleiden tot onwaarheden.”

In hetzelfde interview zei Kousbroek: „Als je van de natuur houdt, zoals ik, dan houd je ook van de dood. Maar dat doe ik niet. Ik ben ook altijd schichtig omgegaan met de dood van huisdieren.” Vandaar misschien ook de weerloosheid die hij voelde bij de aanblik van de dode circuspaarden op de foto uit Medereizigers. In het genoemde essay vertaalt hij de grafspreuk als een uiting van de liefde van de mens voor het dier, als een noodkreet: ‘We hadden jullie lief, we konden het je niet zeggen, maar het is zo.’

Pieter Kottman interviewde Rudy Kousbroek precies een jaar geleden nog. Lees het stuk hier terug. Afgelopen vrijdag werd het laatste boek van Kousbroek, Restjes, in Boeken besproken. Lees de recensie hier.