‘Mag het niet een gedicht van mezelf zijn?’

KINDERBOEKENWEEK: Bezoekers van het ‘Lyrisch Kinderboekenbal’ reciteren dichtregels

Gisteravond begon de Kinderboekenweek met het  Kinderboekenbal. Hoeveel dichtregels kennen de kinderen? „Dikkertje Dap zat op de trap. Meer niet.”

Jari (8) denkt één seconde na over de vraag of hij een dichtregel kent en zegt: Ik hou van jou/jij ook van mij? en dan: „Ik ken er nog een. Geen druppel van de zee is alleen.” In zijn klas hebben ze het pas over poëzie gehad.

Poëzie is het thema van de 54e Kinderboekenweek die vandaag is begonnen. Bij het ‘Lyrisch Kinderboekenbal’ dat gisteravond in het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam plaatsvond, waren er voordrachten, gedichten en gezongen versjes op het podium. Zoals Als je er nog bent, de lotgevallen van  Edward van de Vendels Super guppie op muziek van Edwin Schimscheimer, mooi gebracht door Huub van de Lubbe.

Maar hoe zit het met de parate kennis van versjes en kinderpoëzie bij de bezoekers van het bal? Henk Kraima, directeur van de CPNB,  komt eerst niet verder dan Jantje zag eens pruimen hangen en het noemen van de naam Annie M.G. Schmidt. „Ik ben van 1950, in mijn tijd werd nog niet zo goed les gegeven in poëzie.” Even later herstelt hij zich: „Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles gekleurd is, dat is van K. Schippers.” Ach wat, kinderpoëzie, zegt Kraima. „Wat doen die leeftijdsgrenzen ertoe, kijk naar Paul van Ostaijen.”

„Ik ben de blauwbilgorgel”, roept Lydia Rood, die vorig jaar het Kinderboekenweekgeschenk Kaloeha Dzong schreef. „ Mijn vader kende veel gedichten uit zijn hoofd, ik ken alleen telefoonnummers.” Hans Hagen, schrijver van het geschenk Vlammen, weet alleen: Dit is de spin Sebastiaan/ het is niet goed met hem gegaan. „Mag het een gedicht van mezelf zijn? Mijn vrouw kent er wel veel.” Inderdaad zegt Monique Hagen zonder haperen: „Een koe uit Apeldoorn, die had haar staart verloren, zomaar midden in de week.”

Illustrator Jeska Verstegen kent „verschillende gedichten uit haar hoofd”, hoewel geen kinderpoëzie, en vraagt of het ook Shakespeare mag zijn. To be or not to be, zegt ze, en ook alle minder bekende zinnen die erop volgen.

Schrijfster Marjolijn Hof, die vorig jaar met Een kleine kans de Gouden Griffel won, is opgevoed met een vermaarde bloemlezing van Annie M.G. Schmidt. „Daardoor kende ik Landschap van Marsman  als  eerste gedicht uit mijn hoofd”, vertelt Hof. Moeiteloos zegt zij het vers  op: „Geen kindergedicht hè.”
De ondervraagde kinderen kennen zelf nauwelijks een dichtregel. „Dikkertje Dap zat op de trap, meer niet”, zegt Germaine (7 jaar).

En Maaike kent een spinnetje met een vriendinnetje.  Moeder Eveline Muller weet een stichtelijk vers: „Maar wij hadden poesiealbums, waar we gedichten in lieten schrijven.”

Kinderen schrijven wel graag gedichten, merkt schrijfster Anna Woltz op. „Bij lezingen nodig ik vaak kinderen uit een gedicht te maken over iets dat belangrijk voor ze is”, zegt Woltz. „Een jongen wilde een gedicht schrijven over zijn ouders: ‘omdat die zo goed voor me zorgen’. Ontroerend vind ik dat.”