De geëngageerde roman bestaat
Bestaat er nog zoiets als engagement in de hedendaagse literatuur? Wat vermag de roman eigenlijk in onze tijd? Centrale vragen in de het ronde tafelgesprek getiteld Invention/Intervention dat gisteravond plaatsvond tijdens de Assises du Roman in Lyon. Vier korte introducties, vragen van studenten, discussie met het wederom massaal toegestroomde publiek (Hoe komt het toch dat hier in Lyon honderden mensen afkomen op een literaire activiteit die in Amsterdam hooguit een dertigtal belangstellenden zou trekken? Gaan Franse studenten echt liever naar een literaire avond dan dat ze vakken vullen bij de plaatselijke kruidenier? Laten ze dat hun Nederlandse collega’s eens komen uitleggen.)
Met rauwe stem vertelt de Franse schrijver Jean-Yves Cendrey, kaal, getekend, nog steeds aangeslagen, hoe hij jaren geleden door een schoolmeisje in vertrouwen werd genomen: ze werd misbruikt door haar onderwijzer. Zij niet alleen, haar vriendinnetje ook, en met haar ging het heel slecht. Cendrey woonde, met zijn vrouw de schrijfster Marie NDiaye en zijn drie kinderen in een klein dorpje in Normandië, Cormeilles, duizend zielen. Binnen een paar dagen ontdekte hij dat het misbruik niet van gisteren dateerde, 25 jaar lang, generaties lang, waren kinderen slachtoffer geweest van de praktijken van deze onderwijzer. Iedereen wist het, iedereen sloot zijn ogen. Behalve Cendrey. Hij haalde de man op met zijn auto, leverde hem af bij het politiebureau en diende een klacht in. Onlangs werd de onderwijzer veroordeeld tot 15 jaar cel.
Cendrey schreef het verhaal op in Les jouets vivants, in de heftige, directe, schurende taal die de auteur eigen is. De hypocrisie van de gemeenschap, de tegenwerking die hij kreeg van politie en justitie, de wijze waarop hij, idiote schrijver, zwart werd gemaakt en van de verdediging opdracht kreeg zich psychiatrisch te laten onderzoeken. De vuile was buitenhangen was eenvoudig not done, het schandaal was nationaal, een schande voor het dorp. Daarna volgde Corps ensaignant waarin Cendrey twee Zuid-Franse pedofielen aan de schandpaal nagelt: verschillende jonge meisjes pleegden zelfmoord na te zijn misbruikt. Céline was 22 toen ze een kogel door haar hoofd joeg. Cendrey bezorgde haar een literaire grafsteen, om haar voor ‘eeuwige onverschilligheid’ te behoeden.
Hij vecht, Cendrey, in zijn romans, fel, vol haat tegen de samenleving, cynisch en gekwetst. Hij leent zijn stem aan degenen die slachtoffer zijn van geweld en onrecht, zonder een spoor van medelijden of compassie. Hard is hij, gepokt en gemazeld, hij staat voor wat hij doet. Hij stelt hypocrisie aan de kaak, de lafheid van een dorp, het feit dat iedereen eenvoudig de andere kant opkijkt. Zijn boeken hebben de werkelijkheid onthuld, alle media geven aandacht aan zijn werk: ‘mijn gewelddadigheid heeft niet alleen mijzelf gered’.
De wereld van de Portugese oorlogscorrespondent Pedro Rosa-Mendes is van een andere gewelddadigheid. In zijn ook in het Nederlands vertaalde boek Tijgerbaai verhaalt hij over een tocht die hij liftend en te voet maakte van Angola naar Mozambique, dwars door midden Afrika, een groot mijnenveld, letterlijk en figuurlijk. De landen waar hij doorheen trekt bestaan uit verminkten, gehandicapten, gecorrumpeerden, slachtoffers, kinderen zonder toekomst. Hij beschrijft een wereld waar de angst heerst op ieder moment van de dag, waar de dood aanweziger is is dan het leven. Rosa-Mendes is net terug uit Oost-Timor, waar hij voor het nationale Portugese persbureau de enige correspondent is. Na zijn optreden in Lyon reist hij door naar Lissabon om even zijn twee dochters op te zoeken, daarna gaat hij voor maanden terug naar Oost-Timor. In de tekst die hij bij wijze van introductie voorleest, geeft hij het woord aan de mensen die hij er heeft ontmoet: mensen die naar verdwenen verwanten zoeken, vrouwen en kinderen op zoek naar vaders of broers. Het is in die samenleving de ‘lulik’ die alles bepaalt, datgene wat heilig is, traditioneel, overgedragen van generatie op generatie. De Timorezen leven, zegt Rosa-Mendez, in een ‘magisch realisme dat voor hen tastbaar is, terwijl wij het onzichtbaar vinden, of gewoon fantasie’. De enige manier om die realiteit van trauma’s, van angst, van dood en geruchten te benaderen is door middel van fictie, alleen daar kun je een transcendentie bereiken die recht doet aan deze samenleving. Dat doet de journalist en schrijver dan ook, met felle donkere ogen schitterend vanachter zijn brilleglazen, spreekt hij over zijn roeping: een stem geven aan degenen die hij ontmoet in de meest hopeloze plekken van de wereld – als journalist, maar vooral als romanschrijver.
Dimitri Verhulst, uitgenodigd naar aanleiding van zijn satire Problemski Hotel, is misschien wat minder uitgesproken in zijn overtuiging dat de roman werkelijk iets kan veranderen. Het boek dat hij schreef na een verblijf in het asielzoekerscentrum van Arendonk, ironisch en satirisch, kwam tot stand na een uitnodiging van het centrum, benadrukt hij, hier was het de overheid die een beroep deed op de schrijver! Op zich een opvallende geste. Hij voert oppositie langs de weg van de creativiteit. En toch. Hij kan zich maar moeilijk losmaken van het idee dat een schrijver tegenwoordig meer wordt gewaardeerd als hij meningen geeft in kranten en tijdschriften, dan wanneer hij een roman schrijft. Woorden die in de krant staan, denkt hij, hebben meer impact dan wanneer ze in een roman zijn afgedrukt. Wordt een schrijver over zijn roman geïnterviewd, dan is steevast een van de vragen: welk percentage van uw boek is echt gebeurd? Een interview lijkt soms belangrijker dan een kritiek en waar blijft tegenwoordig de aandacht voor stijl of taalgebruik?
Literatuur, kortom, mag dan wel geen echte macht hebben, ze heeft een missie, een roeping: ze kan, zoals Amin Maalouf het ooit formuleerde, de wereld opnieuw doordenken, haar nieuwe beelden schenken, haar opnieuw vormgeven. Dat is wat ze doen, Jean-Yves Cendrey, Pedro Rosa-Mendes en Dimitri Verhulst.
Wat hieraan vooraf ging
