De rede als enige religie
Claude Lévi-Strauss (1908-2009), grondlegger van het structuralisme, overleden
Claude Lévi-Strauss is de meest originele en waarschijnlijk de invloedrijkste Franse denker van de vorige eeuw. Hij is de grondlegger van het Franse structuralisme. Claude Lévi-Strauss is zondag op 100-jarige leeftijd overleden, zo is gisteren bekendgemaakt.
Lévi-Strauss verwierf bij het grotere publiek nooit zo’n brede faam als Foucault, Derrida of zijn generatiegenoot Sartre. Hij zag zichzelf meer als een wetenschapsman dan als een intellectueel in de typisch Franse traditie. Slechts één keer in zijn leven ondertekende hij een politiek manifest (voor de onafhankelijkheid van Algerije). De mei-revolutie van 1968 boezemde hem een diepe afkeer in.
Toch dankt Lévi-Strauss zijn populariteit in de eerste plaats aan een niet-wetenschappelijk boek. Wanneer in 1955 zijn reisverslag Het trieste der tropen verschijnt, is hij dankzij zijn baanbrekende proefschrift over De elementaire structuren van de verwantschap (1949) in antropologische kringen al een autoriteit. In Het trieste der tropen ontdekt ook het brede publiek een meeslepend verteller, scherpzinnig waarnemer en borend graver naar de grondtrekken van de menselijke beschaving. Het trieste der tropen is gebaseerd op reizen van Lévi-Strauss midden jaren dertig naar de Braziliaanse binnenlanden. Het wordt in 1955 onmiddellijk als een meesterwerk herkend.
Het had weinig gescheeld of niet alleen het boek maar ook de antropoloog Lévi-Strauss was er nooit geweest. Na met lange tanden filosofie en rechten te hebben gestudeerd werd hij in 1935 bij toeval uitgezonden naar de universiteit van Sao Paulo, om de Brazilianen wegwijs te maken in de Franse sociologie. Nog in datzelfde jaar maakte hij zijn eerste expeditie naar de gebieden waar nog oorspronkelijke indianenstammen wonen. Pas daar begon zijn antropologische belangstelling te ontluiken.
Wanneer Lévi-Strauss dieper en dieper de Mato Grosso intrekt, blijkt de gecompliceerde tatouage-kunst van de indianen nog grotendeels intact. De patronen ervan lijken op speelkaarten en hebben – zo ontdekt Lévi-Strauss – een vergelijkbare functie. Ze geven de dragers ervan hun plaats in een reeks: hun kaste. En tegelijk geven ze aan hoe de afzonderlijke ‘speelkaarten’ (de individuen) in het maatschappelijk verkeer tegen elkaar kunnen worden ‘uitgeruild’, opdat er een sociaal leven ontstaat.
Ordening krijgt een samenleving dus pas doordat er scheidslijnen getrokken worden, aldus Lévi-Strauss. Maar tegelijk wordt de samenhang ervan slechts gegarandeerd doordat die lijnen worden overschreden: vooral in de fundamenteelste ‘ruil’ die een gemeenschap kent: het huwelijk. Daarom valt het incestverbod volgens hem samen met het ontstaan van de beschaving. Exogamie, de verplichting te trouwen met iemand van een andere groep, is daarvan het verlengstuk – maar daartoe moeten er tussen of binnen de clans eerst grenzen worden geschapen.
In een notendop is daarmee het wetenschappelijk programma gegeven dat Lévi-Strauss zijn leven lang is blijven volgen. Betekenis krijgt de wereld pas dankzij een structuur, die haar uiteenlegt in onderling tegengestelde elementen. Binnen dat rasterwerk is het individu niet meer dan een ‘teken’, dat de hem toegeschreven plaats inneemt in de tekst die de cultuur is. Het is dus niet het individu dat de wereld zijn betekenis geeft, zoals het op dat ogenblik in Frankrijk nog altijd populaire existentialisme wil. Het individu krijgt zelf pas betekenis doordat het is opgenomen in een netwerk dat hem overstijgt.
Wanneer Lévi-Strauss, die bij de Duitse inval in Frankrijk als jood op het nippertje aan de bezetting ontsnapte en de oorlogsjaren in New York doorbracht, in 1947 in Frankrijk terugkomt, liggen zijn wetenschappelijke inzichten dus al op ramkoers met het existentialistische denken. Toch zal het nog tot 1962 duren voordat hij in zijn boek Het wilde denken een frontale aanval opent op Sartre en diens geschiedfilosofie. Tien jaar later is het intellectuele klimaat in Frankrijk al geheel van het structuralisme doortrokken geraakt, zij het niet in alle opzichten tot genoegen van Lévi-Strauss zelf. Zijn wetenschappelijke eisen zijn zo streng dat hij vrijwel geen van de ‘structuralistische’ denkers zijn programma waardig vindt.
In de jaren zestig werkt Lévi-Strauss aan zijn grote vierdelige studie Mythologieën (1964-1971), waarin hij aan de hand van vele honderden mythologische vertellingen en hun varianten probeert te doen wat hij eerder met de sociale orde en verwantschapsstructuren heeft gedaan. Ook de mythen delen volgens hem op symbolische wijze de wereld in volgens tegengestelde categorieën: hemel-aarde, man-vrouw, rein-onrein, etc.). Al die verhalen moeten dan ook gelezen worden als één grote partituur, opdat daaruit het onderliggende patroon naar voren komt.
Sinds 1959 is Lévi-Strauss dan al hoogleraar aan de prestigieuze Collège de France (waar hij weigert de kandidatuur van Foucault voor eenzelfde post te steunen). In 1973 wordt hij ook opgenomen te midden van de ‘onsterfelijken’ van de Académie française. Als wetenschapsman wiens enige religie de rede is, blijft hij tot aan het eind van zijn leven de drager van een negentiende-eeuws kennisideaal. Maar tegelijk is hij te diep onder de indruk van de culturen die hij bestudeert om hen weggevaagd te willen zien door de westerse beschaving. Hij is een overtuigd cultuurrelativist die iedere beschaving principieel gelijkwaardig acht aan alle andere. In een ophefmakende rede voor de Unesco pleit hij er in 1971 dan ook voor dat de verschillende culturen elkaar niet té na komen, opdat de één de ander niet vernietigt.
Zelf had Lévi-Strauss de dubbelzinnigheid van zijn eigen wetenschap al aan den lijve ondervonden. Met de onverholen melancholie die al spreekt uit de titel mijmert hij in Het trieste der tropen over de wrange ironie waarmee hij als antropoloog-ontdekkingsreiziger de ondergang van de door hem bestudeerde beschavingen waarschijnlijk alleen maar bespoedigt. Toch hoopt hij dat de antropologie het westerse denken iets zal kunnen leren. Omdat zij zich als geen ander bewust is van de paradoxen die iedere ontmoeting tussen culturen met zich meebrengt, weet zij ook dat drastische antwoorden daarop in hun eenvoud het allergrootste kwaad zijn.
Juist de wetenschap die geleerd heeft afstand te nemen van een hoogmoedig humanisme, zal – zo hoopt hij – de mensheid ontvankelijk maken voor het feit dat alle culturen teruggaan op één onderliggend patroon, dat op zulk een fascinerende wijze gestalte heeft gekregen in de veelkleurige rijkdom van de menselijke beschavingen.
Bij de honderdste verjaardag van Lévi-Strauss schreef Ger Groot ook over de Franse antropoloog. Lees dat artikel hier.
Lees verder
- 26-11-2008 recensie: Lang leve het wilde denken
- 03-09-2004 recensie: De partituur van de menselijke beschaving
- Lévi-Strauss, Claude
Claude Lévi-Strauss (1908) is een van de oudste nog levende `volkenkundigen'. Zijn werk is een ...

