De waarheid omtrent J.J. Voskuil
De recent overleden schrijver J.J. Voskuil wordt door zijn weduwe Lousje moedig genoemd vanwege zijn besluit de roman "Binnen de huid" postuum aan het publiek voor te leggen. Laat mij dan meteen ook haar moed roemen toen ze het manuscript, al lezend in het Vondelpark, expres niet ző ver doorscheurde dat plakken onmogelijk zou worden (Trouw, L. Voskuil-Haspers, 1-05-2009). Haar romanpersonage “Nicolien” is niet half zo intrigerend als de vrouw die in deze roman de trigger is van de existentiële crisis die de schrijver (of althans: diens alter ego) doormaakt. Rosalie wordt consequent geportretteerd als dom – maar is afgestudeerd, als getrouwd – maar hongerig naar meer, als moeder – maar geen kloek. Ze is geen voorspelbaar type.
Paul de Hoes en zijn Rosalie zijn ons lezers niet direct sympathiek. Paul pleegt verbaal geweld en ‘sauveert’ zichzelf en zijn handelen continu met hoogdravende redeneringen. Rosalie lijkt op een groupie die zich wil warmen aan de intelligentie en aan de overtuigingen van haar omgeving. Vooral mannelijke omgeving.
In de tijd geplaatst zien we in Paul: een jonge man, vol verlangen om in oorlogstijd en studie opgepotte idealen te verwezenlijken, om groots en meeslepend te leven als honnête homme, samen met zijn ‘grote ene’. In Rosalie: een jonge vrouw die een paar jaar gekooid is geweest en wier denken en voelen noodzakelijkerwijs op rantsoen zijn geweest. Zij beiden zien zich geconfronteerd met de weerbarstigheid van de dagelijkse werkelijkheid, de ontnuchterende paden die bewandeld moeten worden om ooit in de buurt van een ‘volledig leven’ te komen waarin talenten ontplooid kunnen worden.
Maarten Koning, alter ego van de schrijver, zoekt wijsheid bij zijn vrienden. Zelf ondergaat ook hij de richtingloosheid van het afgestudeerden-bestaan en wat we in deze roman lezen is dat de voorlopige antwoorden van Paul de zijne niet zijn. Sterker: Koning heeft ook geen alternatief voor Pauls antwoorden; zijn antwoorden zijn samen te vatten als een puberaal: "Nee!". Of, zoals Frida Vogels het in een ingezonden brief (NRC, 1-5-2009) stelt: "Ik kan niet, dus ik hoef ook niet". Vogels weet over wie ze het heeft en we mogen haar wel geloven in haar interpretatie van de les die Koning/Voskuil uit het debacle-Rosalie trekt. Alleen moet het ontbrekend object nog ingevuld worden: wàt kan en hoeft Voskuil niet?
Er zijn, voor zover ik zie, drie kandidaat-objecten. De eerste ligt gegeven de directe aanleiding het meest voor de hand: de liefde. Dat betekent dat zijn relatie met Lousje niet eens pretendeert liefde te zijn. Dat kan – maar waarom dan blijven hangen in een "vijandig non-erotisch" huwelijk, in de woorden van Elsbeth Etty (NRC, 10-4-2009)? Scheiden was dan consequent en oprecht geweest – twee waarden die Koning/Voskuil hoog in het vaandel draagt.
Kandidaat twee is het burgermansbestaan. Maar uit de vele honderden pagina’s gewijd aan "het Bureau" blijkt toch dat hij juist dat wel geleid heeft. Geen groots en meeslepend leven aan zíjn Meertens Instituut. Als geen ander zorgt hij ervoor dat wij, de lezers, die werkomgeving gniffelend als een laboratorium van klein-menselijk handelen zien, mieren, druk in de weer met onnutte speelgoedwetenschap. Ook geen in praktijk gebracht ‘nee’ tegen het burgermansbestaan dus.
De derde kandidaat is een zware: het leven. Voskuil heeft natuurlijk genoeg sporen van leven nagelaten om te bewijzen dat hij ook na 1954 (want over dàt jaar hebben we het) is blijven leven. Maar groots en meeslepend was het niet! Het bewijs daarvoor levert hij zelf in de minutieuse weergave in zijn boeken. Vermoedelijk is dat dan de beste interpretatie van het effect van de crisis beschreven in "Binnen de huid": pogingen wagen om – ondanks het menselijk tekort – creatief en warmbloedig te leven, doodlopende straatjes in te gaan, een "kind" te verwekken, handen vuil te maken en dan heel oprecht proberen ze weer schoon te krijgen, dat is wat Koning/Voskuil niet meer hoeft. Het is te gecompliceerd.
Dat lijkt oprecht en consequent en het goed recht van ieder mens. Waarom wordt Koning, de alter ego, dan gezien als "de verraderlijkste verrader in Voskuils portrettengalerij" (Trouw, april 2009)? In feite is hij dat in al het ander werk – niet in "Binnen de huid". Zolang Voskuil buiten de huid van Koning blijft, is deze de spion die alle leven als een kleine vampier uit zijn medespelers zuigt. Om dat leven ‘s avonds aan het papier toe te vertrouwen. En in een moeite door aan heel Nederland. Daarmee zijn eigen leven reducerend tot dat van een observator; een soort tweede hands leven.
Maar zodra we binnen Konings huid kruipen is het afgelopen met het zich verkneukelen om andermans leven. Het lijkt bijna schizoïde: de auteur die zijn alter ego met het fileermes bewerkt. Waar alle werk van Voskuil pre-postmodern genoemd kan worden vanwege zijn super-relativerende stijl, is hier Koning mee-gerelativeerd! "En verdomd, dat is niet mieters meer; dat is krankzinnig!" (Arjan Peters in de Volkskrant, april, 2009)
Terugkomend op het predikaat "moedig" dat de schrijver’s eega het boek meegeeft kunnen we concluderen dat er inderdaad een onthullend beeld van Voskuil schuift over het oude beeld door toedoen van dit boek. Koning/Voskuil neemt de proporties van zijn onderdanen aan.
Eleonore Oversteegen (Zaltbommel, 12-05-2009 )
