Getemd, gepest, gehaat
Christina Steads aangrijpende, lang vergeten roman over een verstikkende gezinsoorlog
Bij het verschijnen in 1940 bleef ‘De man die van kinderen hield’ onopgemerkt. Maar de roman is een huiveringwekkend meesterwerk – alleen ongeschikt voor lezers met jonge kinderen.
‘Het beste portret aller tijden van de slechtste familie ooit.’ Zo typeerde Time Magazine in 2005 De man die van kinderen hield van de Australische schrijfster Christina Stead, toen het de roman opnam in de lijst van de honderd beste boeken die tussen 1923 en 2005 waren geschreven. Het boek was al in 1940 verschenen, maar werd toen niet als een meesterwerk gezien: het was zelfs grotendeels onopgemerkt gebleven. Helemaal in de lijn van de verwachting lag dat niet: de voorganger, House of All Nations, was met breed gedeeld enthousiasme onthaald.
Maar 1940 was niet het geschiktste jaar voor een tragische familiegeschiedenis: ‘Een wereld in oorlog had wel wat anders aan zijn hoofd dan de oorlog tussen man en vrouw’, aldus Time. De familie was meer dan ooit een hoeksteen, een heilige eenheid waarin man, vrouw en twee of drie kinderen symbool stonden voor de vrije wereld. Op een boek waarin een machtsstrijd wordt uitgevochten tussen man en vrouw, en tussen een vader en acht kinderen (die niet eens allemaal van hem zijn) zat niemand op dat moment te wachten. De grove manier waarop de kinderen bovendien worden toegesproken, strookt(e) niet met het gebruikelijke kielekiele jegens baby’s. Déze kinderen krijgen bijna dagelijks te horen: ‘Ga dood, ga dood, ga toch allemaal dood en laat mij ook doodgaan of me verhangen.’
Voor De man die van kinderen hield maakte het uiteindelijk niet veel uit, de waardering is er toch gekomen. Het boek bleek tijdloos: een familiegeschiedenis met de allure van een Russische tragedie, en ook een inktzwart portret van de middenklasse in de traditie van Eugene O’Neill. Het lijkt geen toeval dat zijn Long Day’s Journey into Night, geschreven in 1941, pas in 1956 voor het eerst werd opgevoerd.
Christina Stead (1902-1983) moest nog iets langer wachten: in 1965 werd haar boek opgepikt in de Verenigde Staten. Het familie-ideaal was inmiddels flink aan het eroderen. Wat ook hielp was dat de toenmalige dichter des vaderlands Randall Jarrell er een lovend voorwoord bij schreef waarin hij onder meer opmerkte. ‘Wat De man die van kinderen hield betreft: het lijkt me net zo overduidelijk goed als Oorlog en vrede en Misdaad en straf en Op zoek naar de verloren tijd’. Het is dus maar goed dat er nu eindelijk een Nederlandse vertaling van deze roman is.
Het boek mag er uiteindelijk niet onder hebben geleden dat het niet meteen warm onthaald werd, voor de auteur maakte het natuurlijk wel uit. Volgens Jarrell heeft het gebrek aan interesse voor De man die van kinderen hield Christina Stead zelfs beroofd van alle vertrouwen in de romans die ze daarna nog zou schrijven. Stead werd gezien als de ‘verloren’ Australische schrijver. Dat was niet alleen omdat succes uitbleef, maar ook omdat veel van haar romans in Australië in eerste instantie helemaal niet werden uitgegeven. Sterker nog, Letty Fox (1946), een boek dat je kunt lezen als een openhartig en genadeloos kritisch portret van een huwelijk, werd er zelfs verboden wegens het immorele gehalte. Toen Stead, die het dus van Engelse en Amerikaanse uitgevers moest hebben, in 1967 in aanmerking leek te komen voor de Britannica-Australia Award, werd ze gediskwalificeerd omdat ze ‘opgehouden was Australiër te zijn’.
Daarmee werd Stead afgerekend op haar levensverhaal, dat er een is van veel verplaatsingen. In 1928 verhuisde ze naar Londen, achter een man aan op wie ze verliefd was geworden, maar die haar zou afwijzen (een ervaring die ze van zich af zou schrijven in de roman For Love Alone, 1944 – zie kader op de volgende pagina).
Ondanks de afwijzing bleef ze in Londen, waar ze haar latere levenspartner William Blech (later Blake) ontmoette, een communistische bankier. Met hem vertrok ze naar Parijs. Na het faillissement van zijn bank gingen ze naar Spanje, om daar weer weg te vluchten toen de Burgeroorlog uitbrak. Ze verhuisden naar Amerika waar Stead een tijd in Hollywood ging werken – iets wat ook weer ophield toen daar de kruistocht tegen communisten begon.
Stead en haar man zwierven door Europa, totdat hij in 1968 overleed, waarna Christina terugkeerde naar haar geboorteland. Eindelijk kreeg ze daar de waardering die haar toekwam: nog in datzelfde jaar kreeg ze de Patrick White Award voor haar oeuvre.
De herontdekking kon beginnen, niet alleen in Australië, maar wereldwijd. Terecht, want De man die van kinderen hield is anno 2010 nog steeds overweldigend. Dit ‘beste portret van de slechtste familie ooit’, is namelijk een prachtig boek, maar een absolute afrader voor lezers met jonge kinderen, zo zwart is het beeld dat hier van het ouderschap en het huwelijk wordt geschetst.
Het verhaal draait om de familie Pollit, waar vader Sam en moeder Henny met elkaar spreken via de kinderen (‘Zeg je vader dat…’) of in tirades die niet veel verder gaan dan: ‘verrot, verrot stuk vreten, jij smerig zweterig varken, varken, varken.’ De kinderen zelf worden vaak aangesproken met ‘luie duivelin’ of worden ‘dom, log wezen’ genoemd. Ondertussen is er geen geld of aandacht om voor de kinderen te zorgen. Ze verslonzen steeds verder.
Moeder woont voornamelijk boven en leeft op thee en aspirines. Vader leeft beneden vol zelfmedelijden.
Wat deze verwaarlozing en huisoorlog precies met de kinderen zelf doet, blijft vaak gissen. Moeder Henny woont voornamelijk boven en leeft op thee en aspirines, terwijl vader Sam beneden medelijden met zichzelf zit te hebben. De ‘arme kleine Sam’, zoals de vader zichzelf omschrijft, smoort elke gedachte van zijn kinderen zodra die niet past bij zijn idealen van socialistische deugdelijkheid. Zo mag een woord als ‘passie’ niet uitgesproken worden, en ‘bezeten’ is te zeer gelieerd aan seks – iets wat uiteraard ook verboden is. Een kind dat zich in stilte wil terugtrekken, kan er van op aan dat binnen de kortste keren Big Brother (vader Sam) op de achtergrond staat om zijn gedachten te verstoren. Puur uit angst dat ze niet overeenkomen met zijn ideeën.
Deze ideeën zijn volgens Sam zelf op eclectisch socialisme geschoeid, of, in zijn woorden: de mens is van nature goed, we zijn allemaal gelijk, de natuur is onze basis en er zijn charismatische leiders nodig – zoals Sam zelf. Het mooist worden zijn ideeën verwoord wanneer Sam acht maanden in Maleisië verblijft. Hij predikt daar een soort Esperanto van culturen. Alle rassen zijn gelijk en de mensheid moet streven naar de ‘Ene Grote Natie’ waarin we allemaal ‘verenigd zullen zijn, van mens tot mens, ongeacht kleur en geloof’. Sam legt deze visie uit aan zijn Maleisische assistent, maar benadrukt ook dat alle culturen die de moeite waard zijn, voortkwamen uit mensen met een blekere huid (Chinezen zijn lichtgeel en de Egyptenaren waren eigenlijk wit). Hij verklaart: ‘Jij bent een zwart gekleurde ariër en ik ben de gebleekte die momenteel in de mode is.’ Dat de assistent hem een paar keer vergelijkt met God spreekt hij dan ook niet al te hard tegen. Het past binnen het beeld van Sam als redder van de mensheid.
Even zalvend, wurgend, incorrect en zelfingenomen is hij thuis. Roepend dat hij zo weinig vraagt van het leven en dat hij alles ook graag anders had gezien (fijne kinderen en een leuke vrouw in een harmonieuze omgeving) kleineert hij de kinderen voortdurend. Alles om hun eigen ontwikkeling te beperken, wat vooral fnuikend is voor zijn theatraal aangelegde en gevoelige oudste dochter uit een eerder huwelijk dat volgens Sam wel liefdevol was.
Juist zij moet in zijn ogen worden getemd. Sam snuffelt in haar onderbroeken, leest de teksten die ze schrijft, ze mag zich niet terugtrekken in een eigen kamer. Er is voor deze dochter maar één toekomst weggelegd: dienstbaar worden aan zijn missie een mensheid van liefde te creëren. Iets wat er in de praktijk vooral op neerkomt dat ze de huishouding op zich neemt en constant met thee naar boven loopt, in de hoop bij haar stiefmoeder de bevestiging te vinden waarnaar ze zo verlangt. Tevergeefs.
Deze dochter is en blijft het gehate kind. Maar zij is ook het kind dat de situatie blijvend zal veranderen, zij het niet zoals ze bedacht had. De cyaankali in de thee voor haar vader wordt doelbewust door de moeder opgedronken. Hoewel deze moeder haar kinderen dus laat leven, offert ze hen in feite toch als een soort 20ste-eeuwse Medea: de wraak op haar man is belangrijker dan de liefde voor haar kinderen. Ze doet het alleen wat minder lyrisch dan Medea: ‘Barst allemaal maar’, zijn haar laatste woorden, voordat ze de kop in één teug leegdrinkt.
Ook de kinderen in dit boek kun je door de bril van Medea bekijken. Ze vormen als het ware het koor in een klassiek drama, lange tijd zwijgend, dan weer liedjes zingend of in vreemde talen een toneelstukje opvoerend, waarin de vader bijvoorbeeld wordt neergezet als een wurgende slang. Zo leveren ze commentaar op de wereld waarin ze opgroeien, de wereld van een gedegenereerd gezin.
Het is erg knap zoals Stead Sams maatschappelijke idealen koppelt aan de praktijk van het gezin – tirannie, manipulatie, geldingsdrang en emotionele chantage (‘Sammiepammie vraagt niet veel, alleen dit...’).
De man die van kinderen hield is te vol om hier recht te doen, soms misschien zelfs iets te vol. Maar de indruk die na lezing overblijft, is een aangrijpend beeld van destructie. De ideale staat die Sam thuis probeert te creëren, ontaardt in een hel. Een koningsdrama, maar wel een dat zich afspeelt binnen een ‘gewoon’ gezin. Het drama wordt door die gewoonheid alleen maar versterkt, en dat zal de reden zijn geweest dat het in de jaren zestig lezers wél aansprak, en dat het boek invloed zou krijgen op andere schrijvers. Ik kan me voorstellen dat bijvoorbeeld A.M. Homes dit las, voordat ze Music for Torching (1999) over een disfunctioneel gezin in een Amerikaanse buitenwijk schreef.
Het is nu lastig voor te stellen dat een dergelijk boek zo lang onopgemerkt bleef. Nog steeds gelden andere familie-idealen, maar tegelijkertijd lees je nog vaak genoeg over dergelijk huiselijk geweld, verwaarlozing en onderdrukking van kinderen. Voor de lezer van toen zal De man die van kinderen hield niet minder verstikkend zijn geweest dan voor de lezer van nu. Maar het kostte tijd om te ontdekken hoe mooi het boek is.
De literaire invloed van Christina Stead is lastig te traceren, maar haar boeken hebben wel betekenis gehad voor de emancipatie. Steads controversiële For Love Alone (1944) geldt als een van de belangrijkste boeken van de Australische vrouwenbeweging, vooral van betekenis voor de tweede feministische golf in de jaren zestig.
In For Love Alone is het hoofdpersonage Teresa op zoek naar liefde en naar: ‘onbekende mensen, nieuwe vergezichten’. Ze moet ervoor naar de andere kant van de wereld om te ontdekken dat de aanleiding voor haar reis, de vergeefse liefde voor een man, een heel slechte is: ‘een fout die eeuwig herhaald zal worden.’
Ook De man die van kinderen hield is wel in deze context gelezen, als een ‘deconstructie van het patriarchale familiedrama’, aldus de feministische theoretica Susan Sheridan. Ook dit is waarschijnlijk een reden dat het tot in de jaren zestig duurde voordat Stead – en met haar andere Australische vrouwelijke schrijvers – los wisten te komen uit de beklemmende omgeving.
(bron: Oxford History of Australian Literature, 1981)

