Hoe Descartes in 1641 op andere gedachten kwam

Utrechtse onderzoekers vinden een onbekende brief van de Franse filosoof Descartes aan de monnik Marin Mersenne

De filosoof Erik-Jan Bos vond met Google een vergeten brief van de Franse denker René Descartes. In de brief laat Descartes zich mild uit over enkele van zijn felste bestrijders.

„Prachtig, hè? En zo herkenbaar”, zegt Theo Verbeek. „En gelukkig ook goed leesbaar”, vult Erik-Jan Bos aan. De twee Utrechtse filosofen staan glunderend gebogen over een gescand document. Het is een handgeschreven brief, vier vellen groot, van de Franse rationalistische filosoof en wiskundige René Descartes. Hij is gericht aan de monnik Marin Mersenne en gedateerd 27 mei 1641.

Het origineel ligt al een eeuw opgeborgen in een Amerikaanse brievencollectie en is daar in vergetelheid geraakt. De inhoud is verrassend. Verbeek, hoogleraar geschiedenis van de wijsbegeerte en leider van het Utrechtse Descartes-project: „Descartes is in mei 1641 van gedachten veranderd over enkele van zijn opponenten. En daar wisten we  niets van.”

Bos vond de onbekende brief met behulp van Google. „Ik grasduin regelmatig op internet. Een maand geleden ondernam ik weer zo’n zoekactie en toen kwam er een hit boven die ik nog niet kende.” Het was een beknopte beschrijving van een verzameling autografen (handgeschreven en gesigneerde teksten), waarin de brief wordt vermeld. De collectie is eigendom van een college in Haverford, Pennsylvania, dat wordt geleid door Quakers. Bos: „Zij wisten niet dat deze brief nooit is gepubliceerd.” Het is de derde brief van Descartes die de afgelopen kwart eeuw is gevonden.

In mei 1641 woonde Descartes al dertien jaar in de Nederlandse Republiek, op dat moment in kasteel Endegeest bij Leiden. Hij had net de laatste hand gelegd aan één van zijn hoofdwerken, Meditationes de prima philosophia. Daarin levert hij onder meer zijn Godsbewijzen en vecht hij op basis van zijn definitie van materie de transsubstantiatie aan. Volgens dat katholieke leerstuk verandert tijdens de eucharistieviering brood in het lichaam van Christus.

Mersenne begeleidde het drukproces in Parijs en onderhield hierover een briefwisseling met Descartes. De auteur wilde in de ‘Meditaties’ commentaren opnemen van vooraanstaande theologen. Hij dacht op die manier zijn ideeën te scherpen aan die van andere denkers. En hij hoopte als trouwe katholiek op een kerkelijk nihil obstat (verklaring van geen bezwaar). Dat kwam er overigens niet. In 1663, dertien jaar na de dood van Descartes,  zou de paus zijn werken op de Index van Verboden Boeken zetten.

De tegenwerpingen werden verzameld door Mersenne, en daarover gaat de bewuste brief. Verbeek: „Descartes heeft zojuist de objecties ontvangen van een andere filosoof, de priester Pierre Gassendi (1582-1655). Hij doet altijd heel lelijk over Gassendi. Die deugt van geen kanten en schrijft alleen maar onzin. Maar in deze brief blijkt hij heel tevreden te zijn met diens tegenwerpingen en ze eigenlijk wel leuk te vinden: prikkelend, goed geschreven.”

Aan het eind van de brief schrijft Descartes dat hij bezoek heeft gehad van twee heren uit Frankrijk. De een was Claude Picot, later vertaler van Descartes’ Principia Philosophiae (1644). De ander een heer uit Touraine , ‘die mij de groeten overbracht van pater Bourdin’, een jezuïet met wie Descartes in een stekelig dispuut verwikkeld was. Deze heer, schrijft Descartes, ‘heeft me ook het een en ander verteld over Mr. Petit [Pierre Petit, 1617-1687, arts en humanist, nóg iemand met wie Descartes in de clinch lag]. Hij sprak zó vriendelijk over hem dat ik mijn kritiek moet verzachten’. Hij verzoekt daarom uit de tekst, die al drukklaar is, de aanvallen op Petit te verwijderen.

Na de dood van Mersenne, in 1648, kwam de brief in het bezit van de Franse wiskundige Gilles de Roberval. Toen die in 1675 stierf, is het document anderhalve eeuw bewaard door de Académie des Sciences. Totdat het werd gestolen door de Italiaanse graaf  Guglielmo Libri (1803-1869), een beruchte kleptomaan.

Verbeek: „Libri begon als eerlijke verzamelaar en heeft brieven van Descartes gepubliceerd. Toen hij secretaris werd van een commissie die historische documenten moest inventariseren, kon hij de verleiding niet weerstaan: hij heeft duizenden handschriften gestolen. Een deel heeft hij verpatst op veilingen in Frankrijk, Italië en Engeland.”

Via een Britse veiling kwam de brief in het bezit van een Amerikaanse verzamelaar, Charles Roberts (1846-1902). Hij was een Quaker, en na zijn dood schonk zijn weduwe de brievencollectie aan Haverford College.

Toen de bestuurders van het college van de Utrechtse vinders hoorden dat de brief ooit is gestolen, besloten ze hem terug te geven aan Frankrijk, en wel aan het Institut de France. Dat  is daar zeer mee ingenomen.

Uit dankbaarheid verleent het aan Haverford College een Grand Prix voor ‘goed beheer’. Een vorm van genoegdoening voor de eerdere eigenaar, die kennelijk van mening is dat gestolen goed nimmer gedijt.