Literaire tijdschriften: twee reacties

Zijn de literaire tijdschriften kweekvijver voor debutanten en centrum van debat? Student-onderzoeker Bart Temme reageert op de kritiek die hij kreeg. Daaronder een analyse van het onderzoek door Menno Lievers.

1. de onderzoeker zelf:
Door Bart Temme

Een onzinnig onderzoek. Zo betitelt Toef Jaeger mijn masterscriptie ‘Het literaire tijdschrift als kweekvijver en debatplaats. Een stand van zaken’. Een onderzoek dat tot nu toe op De Contrabas meer dan honderd reacties heeft opgeleverd, een onderzoek dat bijna de voltallige Revisor-redactie in de pen heeft doen klimmen en een onderzoek dat Henk Pröpper (directeur NLPVF) opvallende uitspraken ontlokte, onzinnig noemen?
Dit laat – samen met de reacties van Bommeljé (Hollands Maandblad), Lievers (De Revisor) en Schröder (De Revisor) – goed zien hoe tijdschriftredacteuren omgaan met kritiek op hun werkzaamheden.
Ze verkrampen. Ze raken in paniek.
We zagen dit ook in de discussie die Karel Berkhout vorig jaar aanzwengelde in NRC Handelsblad. En als de redacteuren niet verkrampen en in paniek raken, dan gaan ze over in het andere uiterste: ze zwijgen. Dat was het geval bij het verschijnen van het pamflet Literair overleven (2008) van Dirk van Weelden (De Gids). Hij maakte een goede balans op van het Nederlandse literaire tijdschrift en deed serieuze aanbevelingen over de mogelijkheden van het internet voor het literaire tijdschrift. Collega’s van andere tijdschriften reageerden niet op zijn bevindingen.
Ik ben blij, dat de redacteuren dat nu wél doen. Laat ik dit vooropstellen. Maar eerst wil ik iets rechtzetten. In haar stuk maakt Jaeger me uit voor leugenaar. Ze schreef, dat er wel redacteuren hadden gereageerd op mijn bevindingen. Inmiddels wel, ja – gelukkig. Maar toen ik donderdagochtend een interview aan NRC Handelsblad gaf, had alleen Bommeljé een reactie gegeven (kleine moeite dat even te controleren – www.decontrabas.com). Hieruit sprak duidelijk, dat hij niet kennis had genomen van mijn complete scriptie en niet inging op de feiten die daarin beschreven staan.
Maar nu naar de inhoud, want dat wil Jaeger graag. En ik ook. Opvallend is, dat bijna alle redacteuren in hun reacties mijn cijfermateriaal bagatelliseren. Ook zeggen ze, dat de tijdschriften helemaal geen kweekvijverfunctie moeten vervullen. De redacteuren verkondigen hier twee tegenstrijdige punten. Enerzijds zeggen zij, dat weinig debutanten in een tijdschrift een teken is dat de lat hoog ligt en de kwaliteit van het gepubliceerde werk daarom hoog is. Volgens hen hebben de tijdschriften helemaal niet de functie om debutanten te promoten. Anderzijds doen ze er alles aan om mijn bevindingen als onzin te bestempelen. Wat is het nu? Kloppen mijn cijfers niet? Of gaan de cijfers überhaupt niet over de literaire tijdschriften?
Ook stellen ze in hun stukken tal van andere onderzoeksvragen voor. Begrijpelijk, want de conclusies van mijn onderzoek spreekt de tijdschriftredacteuren niet aan en daarom zijn de argumenten in mijn scriptie volgens hen niet goed. Ik had andere cijfers moeten gebruiken. Hierdoor vergeten ze echter in te gaan op de belangrijkste vraag van deze discussie:
Hoe moet het verder met het Nederlandse literaire tijdschrift?
Pröpper zei afgelopen vrijdag in Dagblad van het Noorden op de aanbevelingen in mijn scriptie (het digitaal gaan van de tijdschriften, één gezamenlijk site met hulp én subsidie van het NLPVF): ‘Uiteindelijk zijn het de uitgevers en de redacties die bepalen hoe zij met ontwikkelingen omgaan (…). De redacties zijn nog erg verknocht aan het papier.’
En hier ligt de kern van het probleem: de meeste tijdschriftredacteurs wíllen geen veranderingen. Ze hechten aan het papier en zien vernieuwingen niet zitten. De reacties van Bommeljé en Lievers op De Contrabas laten dit goed zien. Lievers schreef: ‘Publicatie op internet mag niet een voorportaal voor het verdwijnen van het tijdschrift zijn.’ En Bommeljé zei, dat hij 'echt met inkt gedrukte pagina’s' wil.
Vanwaar die angst?
Op internet kan het debat zegevieren, schrijf ik in mijn scriptie. Op een gezamenlijke site voor literaire tijdschriften kunnen redacteuren met elkaar in debat gaan over literaire onderwerpen. Daarnaast kunnen lezers reageren op fora. Het literaire tijdschrift kan weer gelden als een barometer voor het literaire debat – iets wat het papieren tijdschrift duidelijk is kwijtgeraakt. Maar dat lijken de redacteuren niet erg te vinden. ‘Het zij zo,’ zegt Schröder.
Hier is duidelijk een man aan het woord die het allemaal niet meer weet. En dat terwijl de tijd voor het literaire tijdschrift dringt. Ook Jaeger lijkt dit niet door te hebben. In plaats van goede oplossingen aan te dragen in haar stuk, maakt ze flauwe grappen over mijn cijfermateriaal (‘Doe nog eens zo’n dijenkletser, Toef!’). Ze haalt in haar stuk ook het televisieprogramma De Wereld Draait Door aan. Hoewel dit niets heeft te maken met mijn onderzoek, deel ik wel haar kritiek op de literaire debatten die daar de laatste tijd zijn gevoerd. Die debatten tonen namelijk aan, dat schrijvers het van het geschreven woord moeten hebben. Juist het literaire tijdschrift zou een podium moeten zijn, maar dat is het niet meer. In de literaire wereld is op dit moment van alles aan hand (onder andere: de opkomst van het e-book, het debat over meer actualiteit in de literatuur). Ik zou graag de literaire tijdschriften willen horen. Wat vinden zij van al deze zaken? Een levendig forum op het digitale tijdschrift zou een goede plek zijn.
Maar het stuk van Jaeger bewijst, dat ook zij als redacteur van De Revisor niet openstaat voor de mogelijkheden van een digitaal tijdschrift. Zij stuurt haar (jonge) lezers van nrc.next namelijk naar de boekhandel. Voor een goed boek is dat zeker een goed idee. Maar voor het literaire tijdschrift? Jaeger weet duidelijk niet hoe het met het tijdschrift is gesteld in de boekhandel. De lezer gaat een lange zoektocht tegemoet.
Nee, Jaeger neemt de lezer duidelijk niet serieus. Het was beter geweest, dat zij de (jonge) lezer had verwezen naar een goede internetsite waar het Nederlandse literaire tijdschrift goed is vertegenwoordigd – met goede essayistische bijdragen, proza en poëzie, en een levendig forum waar het actuele debat zegeviert.
Maar Jaeger heeft niets in handen.
Ze kan de lezer moeilijk naar de website van De Revisor sturen. Dát zou pas onzinnig zijn. De lezer treft op de website van dat tijdschrift slechts inhoudsopgaven van alle nummers. Geen literaire debatten, geen proza, geen poëzie.
Alleen maar leegte.
Ze had de lezer ook naar de pas gelanceerde site www.literairetijdschriften.org (gesubsidieerd door het NLPVF) kunnen sturen. Maar ook dat heeft ze niet gedaan. En maar goed ook. Want de lezer ziet daar slechts een portaal met verwijzingen naar de verschillende websites van de deelnemende tijdschriften. Geen literaire debatten, geen proza, geen poëzie.
Niets dan leegte.
En dat is het probleem van veel tijdschriftredacteuren die zich de afgelopen dagen mengden in het debat. Ze blijven maar hameren op mijn slechte onderzoek, de onjuistheid van de cijfers. Maar in hun eigen stukken ontbreekt het aan ideeën, aan een échte toekomstvisie van het Nederlandse literaire tijdschrift

2. de Revisor redacteur
door Menno Lievers

De scriptie van Bart Temme heb ik met interesse gelezen. Het is goed dat er op de universiteit aandacht wordt besteed aan literaire tijdschriften en om die reden is deze scriptie toe te juichen. De scriptie is helder geschreven, waardoor het ook mogelijk is er duidelijke kritiek op uit te oefenen.

Methodologie
Een hele algemene opmerking is dat in deze scriptie geprobeerd wordt met kwantitatieve analyses een antwoord te geven op een kwalitatieve vraag: heeft het literaire tijdschrift nog een functie in ‘het literaire veld’? Het is niet onmiddellijk evident dat dit een goede aanpak is. Wat zou die voor antwoord opleveren op de vraag wat het belang van Barbarer of Forum is geweest? We hoeven deze vraag niet te beantwoorden om in te zien dat de aanpak in ieder geval een rechtvaardiging behoeft. Die rechtvaardiging wordt niet gegeven.
In de conclusies wordt steeds een vergelijkend oordeel gegeven: bijv. (p. 47) ‘het tijdschrift heeft haar twee belangrijkste functies verloren’. Er worden dus twee grootheden met elkaar vergeleken: de rol van tijdschriften in een eerdere periode en de rol van tijdschriften in de periode 1999 – 2008. Alleen de tweede periode wordt kwantitatief geanalyseerd, wat de rechtvaardiging voor de vergelijking met vroeger problematiseert, want die is immers slechts op de indruk of intuïtie gebaseerd dat het literaire tijdschrift vroeger wel die belangrijke functies vervulde en niet op cijfers. Weliswaar wordt er verwezen naar een onderzoek van Janssen en Olislagers uit 1986, maar die hebben niet een identieke kwantificering gehanteerd.
Zonder nadere argumentatie wordt er van uitgegaan dat ‘drie (in de conclusie wordt gesproken van ‘de twee belangrijkste’ p. 47) belangrijke functies’ (p. 7) van literaire tijdschriften die van kweekvijver, fuik voor uitgeverijen en podium voor literair debat zijn. Hierover kan men twisten. Tirade vormde het podium voor Gerard Reve om zijn come back te maken in de literatuur met de brieven die uiteindelijk gebundeld zijn in Op weg naar het einde en Nader tot U. Onlangs maakte De Gids een prachtig ‘Montaigne nummer. De Revisor heeft nummers gewijd aan o.a. A. F. Th. Van der Heijden, Willem G. van Maanen, Louis Ferron, en Walt Whitman. Zijn dat minder belangrijke functies?
Er is weinig tot geen theoretische reflectie op ‘het literaire veld’. In de inleiding en de conclusie wordt verwezen naar een artikel van Bourdieu uit 1983, maar het is zeer de vraag of die sociologische beschrijving nu nog opgaat. Nog even los van de vraag of het beschrijven van literatuurbeoefening in termen van macht en symbolisch kapitaal onder voorbijgaan aan literaire kwaliteit correct dan wel volledig is.

Het onderzoek
Bij het meten van de kweekvijverfunctie en de fuikfunctie wordt als criterium van succes het debuteren van een auteur bij een uitgeverij genomen. Ofschoon wel degelijk geconstateerd wordt dat uitgeverijen hun drempels hebben verlaagd (‘Er wordt in het wilde westen van de uitgeverswereld met hagel geschoten.’ p. 39) heeft dat feit niet de analyse beïnvloed. Dit is helaas desastreus voor de onderzoeksresultaten. De bij een uitgeverij debuterende schrijvers die door een literair tijdschrift zijn geweigerd vallen helemaal uit beeld. Temme gaat er voetstoots van uit dat de debutanten de tijdschriften hebben gepasseerd; dat ze door de tijdschriften geweigerd zouden kunnen zijn komt niet bij hem op. Het aantal debutanten dat door een uitgeverij wel wordt uitgegeven, maar wiens werk door een literair tijdschrift niet wordt opgenomen is echter niet onaanzienlijk. Dit is een interessant gegeven. Het betekent dat literaire tijdschriften andere criteria aanleggen (de verleiding is groot om te zeggen ‘de lat hoger leggen’) dan redacteuren van uitgeverijen, in ieder geval ‘andere’ in de zin dat ze minder schrijvers laten debuteren. Dit roept de vraag op of het weigeren van een bijdrage van een auteur die vervolgens bij een uitgeverij debuteert het verzaken van de ‘kweekvijverfunctie’ is. Heeft zo’n geweigerde debutant nu wel of niet een tijdschriftachtergrond (p. 27)? Hier geeft de kwantitatieve analyse geen antwoord op. Wat moeten we dan met het cijfer van ‘nog maar 6% van de romandebutanten die eerder in een tijdschrift hebben gepubliceerd’ (p. 28)? Ik ben bang dat het helemaal niets zegt over de kweekvijverfunctie van het literaire tijdschrift. Laat staan dat de conclusie gerechtvaardigd is (p. 29) dat het literaire tijdschrift die functie verloren heeft.
Het hoofdstuk over het onderzoek naar het literaire debat in tijdschriften is aanmerkelijk beknopter (7 pagina’s). Opnieuw wordt een poging gedaan de vraag naar ‘de podiumfunctie voor het literaire debat’ (p. 37) van het literaire tijdschrift met behulp van een kwantitatieve methode te beantwoorden, maar enige reflectie had Temme toch kunnen leren dat het hopeloos ontoereikend is om de waarde van een polemisch essay op die manier te meten. Bovendien is dit eerder een onderwerp dat thuishoort op het gebied van de receptiegeschiedenis. Het is een feit dat bijv., een nummer gewijd aan non-fictie van De Revisor door de organisatoren van een congres over dat onderwerp een paar maanden later niet is opgemerkt. Is dat het literaire tijdschrift aan te rekenen of is er iets anders aan de hand? Een zeer belangrijke factor is bijv. dat openbare bibliotheken geen abonnement meer hebben. Dit brengt me bij de aanbevelingen.
Op zichzelf is het curieus dat een scriptie wordt afgesloten met ‘aanbevelingen’ die niet gedragen worden door het voorafgaande, alsof we met het concept van een beleidsnota te doen hebben en niet met een verslag van onderzoek. Maar goed. Temme is niet de eerste en zeker niet de laatste die de tijdschriften voorstelt ‘digitaal te gaan’ en op internet te verschijnen. Zijn Master-onderzoek is niet voor niets verricht onder supervisie/begeleiding van professor Gilles Dorleijn, die zich in het verleden als voorzitter van de beoordelingscommissie literaire tijdschriften van het NLPVF al een uitgesproken voorstander heeft betoond van digitalisering van literaire tijdschriften. Uiteraard hebben de tijdschriften daar over nagedacht en ongetwijfeld zullen er ook stappen in die richting genomen worden. Er is wellicht haast geboden, maar er is ook een aantal overwegingen om niet overhaast te werk te gaan. De redactie heeft een plicht aan het tijdschrift om het een toekomst te waarborgen. Publicatie op internet mag niet een voorportaal voor het verdwijnen van het tijdschrift zijn. De lotgevallen van het filosofische tijdschrift Krisis, dat wel die stap onvoorwaardelijk gezet heeft, stemmen wat dat betreft niet hoopvol. De succesvolste tijdschriften op internet (en succes wordt hier gemeten met het aantal hits, dus het is een populistisch criterium!) zijn nieuwssites die meerdere keren op een dag ververst worden. Op dit moment verschijnen de letterkundige bladen zes à twaalf keer per jaar. Een site die twaalf keer per jaar ververst wordt trekt geen bezoekers. Om vaker te verschijnen zijn mensen (webmasters) nodig die dat realiseren, maar dat wordt een dagtaak. Welke schrijver kan en wil dat opbrengen? Inhoudelijke sites met lange stukken tekst worden ook slecht bezocht. Leerzaam in dat verband is om ook eens te kijken buiten het Engelse taalgebied, bijv. naar Duitsland en Frankrijk om te zien wat er aan literatuur op internet verschijnt. Mijn impressie is dat men daar ook worstelt. Daarnaast is het een feit dat dezelfde mensen die op internet zeer actief zijn, toch ook hun werk aan de papieren tijdschriften aanbieden. Blijkbaar heeft zo’n publicatie toch, zo niet een ‘meerwaarde’, dan toch in ieder geval een waarde. Wat we in ieder geval niet moeten doen is een sprong met ogen dicht het internet op. Er moet een duidelijk plan zijn. Ik wil maar zeggen: daar wordt hard over nagedacht. Ik kan niet zeggen dat Temme daar nu een zinvolle bijdrage aan geleverd heeft.
Tenslotte: zoals Bastiaan Bommeljé al eerder opmerkte, de cijfers in deze scriptie kloppen niet. Dat is verder niet zo belangrijk, want de hele aanpak deugt niet, maar het is wel belangrijk om dit even op te merken voor de resultaten onverhoeds opduiken en gebruikt worden in andere fora. Nu zijn naam toch gevallen is: ik deel de ergernis van Bastiaan Bommeljé over de teneur die uit deze scriptie spreekt. De tendens is toch: als het geen commercieel succes is, dan is het niets. Dit sluipt ook impliciet in de scriptie (en niet alleen daarin). Zo wordt er stilzwijgend van uit gegaan dat een uitgeverij moet profiteren van haar tijdschrift middels de fuikfunctie. De gedachte dat een uitgeverij een literair tijdschrift koestert, omdat zij het van intrinsiek cultureel belang vindt dat er tijdschriften bestaan lijkt niet bij Temmes op te komen. Me dunkt dat Querido wel eens waardering verdient voor het feit dat ze een literair tijdschrift uitgeven met redacteuren die hun eigen werk bij andere uitgeverijen publiceren. Zo wordt ook telkens de nadruk gelegd op de subsidie die de literaire tijdschriften ontvangen. Uiteraard zijn we de tijdschriften daar dankbaar voor, maar vergeten wordt dat de uitgeverijen ook een minstens even groot bedrag in de tijdschriften investeren en dat de redacteuren volledig pro deo hun werk doen. De aanhangers van Bourdieu veronderstellen steeds dat ze dat doen om symbolisch kapitaal te verwerven, maar Temme zelf merkt daarover op dat ook dat symbolische kapitaal verloren is gegaan (p. 38). Waarom doen redacteuren het dan? Plichtsgevoel, liefde voor de literatuur, omdat ze het voor een gezond literair klimaat belangrijk vinden, vanwege het intrinsieke belang van een literair tijdschrift? Wie zal het zeggen? Het zijn in ieder geval allemaal waarden die in een kwantitatieve analyse van het literaire veld niet op je radarscherm verschijnen.