Schrijvers op het Boekenbal voelen zich jong

‘Jongens waren we – maar aardige jongens’. Deze beroemde openingszin van Titaantjes, de beroemde novelle van Nescio uit 1915, vormt de inspiratiebron voor de Boekenweek dit jaar.
 Het thema voor het 75ste Boekenbal, ook dit jaar weer traditioneel gehouden in de Stadsschouwburg in Amsterdam, is dan ook: ‘jong zijn’. Maar hoe jong voelen de meeste schrijvers en bezoekers van het bal zich eigenlijk? Dinsdagavond, rond acht uur, zien de meeste gasten er bij aankomst in ieder geval fris uit. Oud-minister Hedy d’Ancona, die als eerste met geliefde Aat Veldhoen arriveert, heeft een prachtig glimmende jurk aan en vindt het vooral ‘bijzonder om oud te zijn’. ,,De kans om jong te sterven is groot, daarom moet je genieten van de ouderdom.”

Henk Kraima, directeur van Stichting CPNB, die klokslag acht uur aan de zijkant van de rode loper al zijn bezoekers staat op te wachten, zou nog wel eens jong willen zijn. ,,Als je met ‘jong’ een jaar of 28 bedoelt, dan ga ik ervoor. Dat is namelijk precies de leeftijd dat je de barensweeën van de jeugd een beetje hebt doorstaan. Tegelijkertijd heb je nog niet alles meegemaakt. Je hebt nog plannen en idealen. Je neemt je bijvoorbeeld oprecht voor om weer te gaan sporten.”

Kraima las op zijn zestiende voor het eerst Terug naar Oestgeest van Jan Wolkers. ,,Dat was echt een doorbraak, vanaf dat moment interesseerde ik mij voor literatuur.” 

Ronald Plasterk, ex-minister van Cultuur, komt rond kwart over acht over de rode loper aanwandelen. Het eerste jeugdboek dat indruk op hem maakte is In de Ban van de Ring van J.R.R. Tolkien. ,,Ik voelde me verwant met Frodo. Ik denk dat de combinatie van zijn bescheidenheid en dadendrang me aansprak.” Weemoed naar de jeugd heeft Plasterk niet. ,,Jong? Ik ben nog altijd jong.” 

Schrijver Arthur Japin verlangt ook helemaal niet naar zijn ‘vroegere zelf’. ,,Welnee. Het begon allemaal pas serieus te worden na mijn twintigste. Pas vanaf die leeftijd is het leven niet meer zo ernstig als voorheen.” Tekenaar Peter van Straaten vindt het leven pas aangenaam worden na zijn 45ste. ,,Daarvoor ging het wel maar ik ben denk ik altijd al dat oude mannetje geweest.” 

Ook schrijver Remco Campert heeft niet het gevoel dat zijn leeftijd hem in de weg zit. ,,De jeugd zit nog steeds in me. Ik kan niet verlangen naar iets wat er nog is.” Een van zijn jeugdhelden is Kees de jongen, de hoofdfiguur uit het gelijknamige boek van Theo Thijssen. ,,Ik las dat boek in de oorlog, toen ik bij vrienden van mijn ouders op de veluwe verbleef. Ik werd er volledig in meegezogen. Ik voelde me net als die jongen.” Of hij ook wel eens de zwembadpas heeft gedaan? ,,Nee, dat niet.”

,,Toen ik zestien was las ik The Catcher in the Rye van J.D. Salinger,” zegt Joost Zwagerman, schrijver van het boekenweekgeschenk Duel. ,,Dat boek maakte een verpletterende indruk op mij. Ik identificeerde me volledig met de hoofdpersoon, Holden Caulfield. Die jongen zag precies wie de blaaskaken en de phonies in de wereld waren. Hij was bovendien streng en hardvochtig voor zichzelf, dat vond ik ook indrukwekkend.” Een verlangen naar de jeugd heeft Zwagerman niet. ,,Ik ben nu 46. Dat is een prachtige leeftijd. En dat ik op mijn 22ste debuteerde heeft het effect gehad dat ik heel lang een ‘jonge schrijver’ werd genoemd. Dat was best prettig.”

De enige schrijver die zijn jeugd ‘ontzettend’ mist is historicus Herman Pleij. ,,Als je jong bent heb je nog alle keuzemogelijkheden. Dat is later toch echt voorbij. Als ik opnieuw kon kiezen was ik liever profvoetballer geworden.” De verhalen die hij in zijn jeugd verslond waren de jeugdboeken over Dik Trom van C.Joh.Kievit. ,,In mijn tijd las je Dik Trom of Pietje Bell. Maar Pietje Bell vond ik te rebels. Dik Trom was politiek correct en een beetje stout, net als ik.”