Vanaf nu op nrcboeken.nl: De honderd beste biografieën

Een persoonlijke keuze uit het recensiearchief

Wat maakt een biografie goed? Hoogleraar literaire kritiek en liefhebster van het genre Elsbeth Etty koos voor nrcboeken.nl De honderd beste Nederlandstalige biografieën van de afgelopen achttien jaar en verdedigt hieronder haar criteria.

Geen hogere lof voor een biograaf, lijkt het soms, dan de aanprijzing dat zijn boek ‘leest als een roman’. Maar dat is zelden een bruikbaar criterium. Als een biografie lijkt op een roman is er misschien wel reden tot enig wantrouwen: heeft de biograaf zich niet te veel laten meeslepen door het levensverhaal? De biograaf die een goede roman wil evenaren, komt in de verleiding de grens met de fictie te overschrijden.

Natuurlijk zijn er figuren, niet zelden schrijvers of andere kunstenaars, van wie het leven sterk doet denken aan dat van een romanpersonage (zoals romanpersonages kunnen lijken op historische of levende personen). Een levensbeschrijving van een oorlogsheld zal allicht een spannender boek opleveren dan de biografie van een briljante natuurkundige die buiten het laboratorium een oersaai leven leidde. Toch is het niet per definitie zo dat het bewogen leven van een schrijver als Frederik van Eeden tot een interessantere biografie leidt dan het nogal kleurloze bestaan van de sombere alcoholische dichter Bloem.

Behalve op stijl, taal en vertelkunst moet een biografie beoordeeld worden op de kwaliteit van het onderzoek naar de levensfeiten, maar niet in de laatste plaats ook op de betekenis van de gebiografeerde. Heeft hij of zij een stempel gedrukt op het eigen (vak)gebied, was hij/zij typerend voor de tijd, is de biograaf erin geslaagd een verhelderend verband tussen leven en werk te leggen? Het zijn maar een paar elementen die bij de beoordeling van een biografie aan de orde komen. Bovendien: een biografie is net als andere vormen van geschiedschrijving nooit af, er kunnen altijd nieuwe feiten en gezichtspunten opduiken.

Het is dus bij voorbaat arbitrair en nogal hoogmoedig om uit de talrijke biografieën die NRC Handelsblad sinds 1990 heeft besproken de ‘honderd beste’ te kiezen. In eerste instantie heb ik mij daarbij georiënteerd op de recensies, waarvoor over het algemeen deskundige auteurs worden aangetrokken. Een literair recensent zal niet worden gevraagd om de biografie van Anton Philips te bespreken en een politieke redacteur is niet de eerst aangewezen recensent voor de biografie van Guido Gezelle. De recensent van een biografie moet bovendien thuis zijn in de denk- en leefwereld van de gebiografeerde zonder in specialistische haarkloverij te vervallen.

Anekdotes
Een recensent die zélf jarenlang onderzoek heeft gedaan naar bijvoorbeeld Joost van den Vondel, misschien wel aanzetten heeft geleverd tot een mono- of biografie, zal wellicht in de verleiding komen schoolmeesterachtige kritiek te leveren. Anderzijds kun je een biografie van zo’n belangrijk historisch personage waaraan vele jaren serieus onderzoek ten grondslag ligt, ook niet uitbesteden aan iemand die niets weet van de Gouden Eeuw.

Uit interesse in het genre en doordat ik vele jaren deel heb uitgemaakt van jury’s waarin Nederlandstalige biografieën ter beoordeling werden aangeboden (die van de Gouden Uil non-fictieprijs, de Busken Huetprijs, de Henriëtte de Beaufortprijs en de AKO-literatuurprijs), heb ik het merendeel van de in deze krant gerecenseerde biografieën ook zelf gelezen. Mijn belangstelling geldt vooral schrijversbiografieën, politieke biografieën en historische biografieën – de categorieën die in het totale biografie-aanbod overheersen. Schaars vertegenwoordigd, zowel in het totaalaanbod als in deze tophonderd, zijn de levensbeschrijvingen van sport- en filmsterren, figuren uit de wereld van het amusement, bètawetenschappers en ondernemers. 

In sommige gevallen, zoals bij de biografie van André Hazes door Bert Hiddema, die buiten deze tophonderd is gevallen, of bij die van Cornelis Verolme die er wél een plaats op verwierf, heb ik me alleen gebaseerd op de recensies die in de krant zijn verschenen. Bij het selecteren van de biografieën die ik wél zelf las, kwam ik er regelmatig achter dat ik positiever oordeel dan de recensent, bijvoorbeeld bij de biografie van Annie M.G. Schmidt door Annejet van der Zijl of die van Nynke van Hichtum door Aukje Holtrop. Ook biografieën die ik zelf matig tot negatief heb besproken, zoals die van Kees Snoek over E. du Perron, zijn in de tophonderd terechtgekomen. Niet omdat mijn oordeel wezenlijk is veranderd, maar omdat ik moest vergelijken met andere biografieën die zowel qua onderzoek als literaire kwaliteiten bij lange na niet het niveau halen van dit grote werk over één van de belangrijkste Nederlandse auteurs en critici van het interbellum.

Hoe deskundig, betrouwbaar en onafhankelijk een recensent ook is, je kunt er niet blind op varen. Te vaak bestaat een biografierecensie uit een informatieve samenvatting van het leven van de gebiografeerde, het opdissen van sappige anekdotes of ‘nieuwtjes’. En toegegeven: dat levert ook vaak de smakelijkste en meest onderhoudende artikelen op. Wat nogal eens ontbreekt, is oog voor de compositie van een biografie, aandacht voor het aanboren van nieuwe bronnen en archieven, het plaatsen van de held of heldin in een historische context en niet te vergeten de ethische aspecten: hoe springt de biograaf om met pijnlijke privé-aangelegenheden, zijn de verhalen daarover controleerbaar, zijn ze relevant of puur op sensatie gericht?

Pillen
Andere, niet-onbelangrijke overwegingen die in de beoordeling nog wel eens worden vergeten, gaan over de vraag of de biografie goed geschreven is, of er een spanningsboog is aangebracht en of de gebiografeerde niet ten onder gaat in een zee van feiten en feitjes. Regelmatig klagen recensenten dat biografieën te dik zijn. Maar een biografie mág dik zijn. In deze tophonderd staan dan ook de nodige pillen, zoals de tweedelige Wilhelminabiografie van Cees Fasseur, Multatuli van Dik van der Meulen, Belle van Zuylen, Rebels en beminnelijk, van Simone en Pierre H. Dubois, en niet te vergeten de Van Deyssel-biografieën door Harry Prick.
Het verschil tussen een roman en een biografie is nu eenmaal dat je het leven van een persoon die heeft bestaan niet naar je hand kunt zetten. Uiteraard moet de biograaf kiezen, klemtonen leggen, maar hij kan niet naar believen comprimeren, feiten weglaten of een vervroegde dood laten intreden. Bij de vele criteria die bij de keuze van deze honderd beste biografieën meespeelden is er dan ook één expliciet buiten beschouwing gelaten: de omvang.

Vanaf nu op nrcboeken.nl/100-beste-biografieën

‘Dat hij goed schaakte en goed schreef kan niet de enige reden zijn dat er nu een Donner-toernooi en een Donner-biografie is en dat hij in de herinnering van zijn Nederlandse collega's zo'n belangrijke plaats inneemt. Hij was ook een publieke figuur, een Bekende Nederlander die het volk uitlegde hoe het over de wereld moest denken.’
Hans Ree over Alexander Münninghoff: Hein Donner 1927-1988. Een biografische schets. (1994)

‘Van Deyssel zocht de eenwording met een wel hoogstpersoonlijke God: zichzelf. De rest van zijn schrijversleven zou hij zich richten op de ontleding en beheersing van het eigen, eigenaardige karakter, dat veel karakteristieken vertoont van het zwarte gat uit de astronomie. Een onmenselijke energie, hoogst implosief.’
Atte Jongstra over Harry Prick: Een vreemdeling op de wegen. Het leven van Lodewijk van Deyssel vanaf 1890 (2003)

‘Het kabinet-Den Uyl rolt geregeld vechtend over straat en hobbelt aanhoudend van bijna-crisis naar bijna-crisis. In de biografie worden enkele van die bijna-crises per hoofdstuk weergegeven. De abortuskwestie en de kliniek Bloemenhove die Van Agt vergeefs gesloten probeert te krijgen bijvoorbeeld. Hij wordt dan voor heel veel vrouwen, onder wie de vrouw van de premier, ‘een enge man’.
Joep Bik over Johan van Merriënboer, Peter Bootsma, Peter van Griensven: Van Agt. Biografie. Tour de force (2008)