Alles in dit leven draait om lust
‘De Strudlhoftrappen’ toont de mooiweerschrijver Doderer als groot modernist
Eerste zinnen, openingen van romans: met hun beelden en ritme ontrukken ze je aan het leven van alledag en brengen je in contact met een nieuwe wereld, met vreemde milieus, locaties en denkbeelden.
Bijvoorbeeld met het Wenen van de jaren twintig, de burgerlijke kringen in het negende district rondom de ‘Strudlhofstiege’, het fraaie Jugendstil-trappenensemble dat de Währingerstraße verbindt met de lager gelegen Liechtensteinstraße.
‘Toen de echtgenoot van Mary K. nog leefde, hij heette Oskar, en zijzelf nog op twee zeer fraaie benen door het leven ging (het rechter is er, vlak bij haar huis, op 21 september 1925 door een tram net boven de knie afgereden), verscheen een zekere dokter Negria ten tonele, een jonge Roemeense arts die zich aan de beroemde faculteit in Wenen specialiseerde en in het Algemene Ziekenhuis zijn assistentenjaren doorliep.’
Drie personen, twee instituten en twee tijdniveaus: meteen word je ondergedompeld in de fascinerende sfeer, de doolhof van gebeurtenissen en figuren (ongeveer vijftig) die Heimito von Doderer op de volgende 800 bladzijden van zijn in 1951 verschenen en nu vertaalde meesterwerk Die Strudlhofstiege opbouwt.
Het tramongeval met Mary K. vormt één van de sleutelscènes van het boek. In het slotgedeelte komt Doderer er gedetailleerd op terug. Het tragische incident wordt van nabij gadegeslagen door Melzer, de hoofdpersoon, die vijftien jaar eerder smoorverliefd was op Mary maar haar later uit het oog verloor. Door kordaat op te treden redt hij nu zijn hevig bloedende ex-vriendin van de dood. Aanwezig is ook Melzers nieuwe vriendin, een zekere Thea Rokitzer, die hij nog dezelfde dag op een tamelijk groteske manier ten huwelijk vraagt.
De beroemde openingszin laat nog iets anders zien dat voor deze roman heel typisch is: de laconieke en speelse dictie, de terloopse manier waarop belangrijke gebeurtenissen worden verteld. Aan tragische incidenten bestaat geen gebrek op deze bladzijden; ernstige en dodelijke ongelukken hebben plaats, evenals een spectaculaire zelfmoord, ingrijpende liefdesconflicten en zelfs (hoewel op de achtergrond) een complete wereldoorlog. Maar de toon is desondanks humoristisch en lichtvoetig, de verteller lijkt altijd goedgeluimd en is zelfs opvallend scheutig met kwinkslagen en dartele terzijdes.
Je zou Heimito von Doderer een mooiweerschrijver kunnen noemen. Zijn favoriete jaargetijde is de zomer, ook de hondsdagen trekken hem onweerstaanbaar aan. Honderden bladzijden spelen zich af in de opvallend warme nazomer van 1925. Als het dan toch een keer herfst wordt in De Strudlhoftrappen betreft het een ‘nog bijna zomers warme herfstmorgen’. De bruiloft van de bovengenoemde Melzer heeft plaats net voor het invallen van de winter, maar de verteller voegt er meteen aan toe: ‘op een nog heerlijk milde dag overigens’.
Heimito von Doderer (1896-1966) werd in Hadersdorf aan de rand van Wenen geboren, in een adellijk milieu. Hij studeerde geschiedenis en psychologie en promoveerde op een thema over de Middeleeuwen. In 1933, net gescheiden van zijn Joodse vrouw, werd hij lid van de toen nog in Oostenrijk verboden nationaal-socialistische partij, een besluit waar hij al in 1938 op terug kwam (later sprak hij van een ‘barbaarse vergissing’), maar dat hem na de oorlog korte tijd op een publicatieverbod kwam te staan.
Zijn belangrijkste werk verscheen in de jaren vijftig en zestig, maar als laatste representant van de Donaumonarchie zou je hem ook tot de vooroorlogse generatie van Robert Musil, Joseph Roth, Hermann Broch en Stefan Zweig kunnen rekenen. Net als deze schrijvers blikt Doderer terug in de tijd en vormt het Wenen uit de eerste drie decennia van de vorige eeuw het decor van zijn romans en verhalen.
Maar Doderer is een stuk minder nostalgisch dan Roth of Zweig, en hij mist het kritische intellectualisme van Musil en Broch. De schrijver van De Strudlhoftrappen en het nog 400 bladzijden dikkere Die Dämonen uit 1956 (veel figuren komen in beide romans voor) wilde eigenlijk over tijdloze thema’s schrijven. Het ging hem om datgene wat ‘ondanks de geschiedenis’ gebeurt, om de ‘magische biografie’ van het individu; zijn belangstelling is vooral gericht op de onderlinge en niet in de laatste plaats erotische betrekkingen tussen de vele personages.
Weense middenklasse
Doderer was van mening dat een literair kunstwerk aan betekenis wint ‘hoe minder je er door een inhoudsopgave een voorstelling van kunt geven.’ Een navertelling van De Strudlhoftrappen is dan ook bijna onmogelijk. Grof gezegd gaat het om zo’n vijftig figuren uit de Weense burgerklasse tussen 1910-1925: officieren, ambtenaren, juristen, wetenschappers en diplomaten – de lagere stand is minder sterk vertegenwoordigd. Door middel van tientallen korte episoden, waarin telkens een stukje uit het leven van een of meer figuren wordt verteld, ontstaat voor de lezer een schitterend beeld van hun vriendschappen, coterieën en natuurlijk ook rivaliteiten of vijandschappen. Het verbindende element vormen de ‘Strudlhoftrappen’ (genoemd naar de 17de-eeuwse schilder Peter Strudl die er een atelier bezat); op de trappen of in de nabijheid spelen zich belangrijke ontmoetingen, afspraakjes en ook een opvallend incident af.
Feitelijk ontbeert deze roman een hoofdpersoon, al zou je de voornaam- en leeftijdloze Melzer – aanvankelijk majoor en later beambte bij de Oostenrijkse tabakregie – als zodanig kunnen beschouwen. Melzer wordt als een middelmatige (‘geen analytisch hoofd’) en eeuwig aarzelende man opgevoerd, die echter in de loop van de roman een duidelijke ontwikkeling doormaakt; gaandeweg schudt hij de levensangsten van zich af en bereikt wat Doderer met een van zijn lievelingswoorden ‘menswording’ noemt. Ook zijn vriend René Stangeler komt iets vaker in beeld dan de rest. Deze student en latere historicus, die graag literaire en filosofische kopstukken citeert en in aforismen spreekt, is de tegenpool van Melzer: een dandy en homme à femmes, in zekere zin het alter ego van de schrijver.
Lange tijd heeft men Doderer tot de traditionalisten gerekend. Geheel ten onrechte is dit niet, althans wat zijn wereldbeeld betreft. In verteltechnisch opzicht is hij zo mogelijk zelfs nog radicaler dan grote modernisten als Alfred Döblin, Marcel Proust of William Faulkner. Een duidelijke rode draad en ook een plot ontbreken; Doderer vertelt fragmentarisch en met wisselend perspectief, regelmatig slaat hij zijpaden in en soms overwoekeren de uitweidingen zelfs de handeling.
Anders gezegd: De Strudlhoftrappen is geen gemakkelijke roman, en de lezer die aan dit epos begint – wat zeer aan te raden is – doet er goed aan een lijst met namen van personages aan te leggen. Telkens introduceert de alwetende verteller nieuwe figuren, wat dit aangaat legt hij zich weinig beperkingen op.
Spreekgedrag
Briljant is Doderer vooral met zijn subtiele psychologische observaties, de speelse en geheel onnadrukkelijke manier waarop hij gebaren, woorden en blikken beschrijft en ontleedt. Al na vijftig bladzijden raak je vertrouwd met de belangrijkste personages, hun gewoontes, spreekgedrag, kleding en uiterlijk – hier is aan het woord wat men in het Duits een Augenmensch noemt. Ook zijn humor en sensualiteit vormen prettige constanten; er wordt heel wat omhelsd, ontkleed en ook ontmaagd op deze bladzijden. Lust en genot spelen zelfs een onbetwiste hoofdrol in dit dionysische werk, ergens staan de programmatische woorden: ‘Bij alles moet genot zijn, dat hebben we nodig om te leven als lucht. Bij alles. Of het nu gaat om een goed gemikt boogschot, een ontroerende lijkrede of om een eskadron dat in de aanval gaat.’
Sommige fragmenten zijn onvergetelijk, en opvallend vaak betreft het liefdesepisoden. Magistraal is de (tweede) sleutelscène waarin Melzer en de aanzienlijk jongere Thea Rokitzer elkaar leren kennen, tijdens een tuinfeest dat georganiseerd is door de koppelaarster Paula Pichler. Dat het hier om liefde op het eerste gezicht gaat, schemert taalkundig heel fraai door; drie keer en bijna als een refrein komt in het fragment dezelfde zinsnede terug: ‘Op de achtergrond, onder de fruitbomen, stond Thea Rokitzer’.
Doderer heeft een voorkeur voor lange en elegante volzinnen. Nu eens formuleert hij plechtstatig of zelfs ambtelijk (de beroemde Oostenrijkse Kanzleistil), of hij parodieert die stijl,en dan weer is hij ironisch, lyrisch of bijna uitbundig. Woordspelen en citaten geven zijn barokke taalgebruik nog eens extra kleur – nuchtere lezers zullen het bij vlagen gemaniëreerd vinden.
Voor een vertaler is dit een uiterst moeilijke klus, ook al door de vele historische toespelingen. Nelleke van Maaren, die zes jaar geleden Doderers roman Ieder mens een moordenaar elegant vertaalde, heeft zich ook nu weer uitstekend van haar taak gekweten. Haar vertaling verschijnt zonder één voetnoot, wat alleen al een prestatie genoemd mag worden. Af en toe verheldert Van Maaren (‘zoals het in de Donaumonarchie gebruikelijk was’), verder is ze secuur en vindingrijk, treft bijna overal de juiste toon. Voor het specifieke Oostenrijkse idioom heeft ze vaak passende equivalenten gevonden en soms, als de betekenis uit de context kan worden afgeleid, blijven sfeervolle woorden als Beisl (eenvoudig restaurant) of Jause (tussenmaaltijd) gewoon onvertaald.
Kortom, een excellente vertaling van een van de grootste Duitse romans uit de tweede helft van de vorige eeuw.
Lees verder
Besproken boek
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.
