Beloon de mensen die mij fruit gaven; Hoe Zbigniew Herbert zich met het leven verzoent

De geschiedenis heeft de Poolse dichter Zbigniew Herbert slecht behandeld. Toch heeft hij zich niet van haar afgekeerd, zoals blijkt uit de onlangs vertaalde bundel Rapport uit een belegerde stad. “De geschiedenis geeft wat Herbert betreft het geloof in de zin van ons doen en willen door, zij maakt de breekbaarheid van het menselijk leven minder deprimerend'.”Zbigniew Herbert: Rapport uit een belegerde stad. Vert. Gerard Rasch. Uitg. De Bezige Bij, 100 blz. Prijs ƒ 39,50.

Een dichter is geen mens. Een dichter bestaat uit woorden en zinnen, uit een toon en een taal - van een dichter kan je met hart en ziel houden zonder hem ooit de hand te schudden. Sterker, je kan hem meer vertrouwen, beter menen te kennen dan een goede vriend, ook al spreekt hij Pools en woont hij 1500 kilometer verderop. Met de dichter Zbigniew Herbert zou je kunnen praten over, om maar wat Herbertiaanse onderwerpen te noemen, de Franse revolutie en de verdiensten, of het gebrek aan verdiensten, van Robespierre, over de voor- en nadelen van de monarchie, over Nietzsche, over het karakter van zijn kat Sjoesjoe, over zijn onenigheid met collega Czeslav Milosz, over de ware aard van God - omdat hij daar allemaal gedachten over heeft. Zeker zou hij degene blijken te zijn die zich al laat vermoeden uit de gedichten en de foto's: een geleerde man, met de nieuwsgierigste ogen van Europa, met een spottende lach en een niet te temmen geestkracht. Maar noodzakelijk is zo'n ontmoeting niet. Want dat er nu weer een bundel van hem door Gerard Rasch in het Nederlands vertaald is, brengt hem dichterbij dan enig gesprek zou kunnen doen.

De gedichten van Zbigniew Herbert zijn lange parlando gedichten vol melodieuze, kommaloze reeksen, laten zich ruwweg in drie groepen verdelen die alle drie terug te vinden zijn in de bundel Rapport uit een belegerde stad. Een deel ervan spreekt zich uit over de wereld via de omweg van geschiedenis, mythologie en legende. In en ander deel is 'meneer Cogito' aan het woord, het alter ego, de held, hoofdpersoon en buikspreekpop van de dichter, een meneer die haakt naar het hogere, maar stevig vastzit aan het aardse. En er zijn 'overige' gedichten, waarin zowel ironische bespiegelingen over macht en onderdrukking als klaagliederen voor geliefde doden passen.

Meneer Cogito heeft net als iedereen twee benen, maar de zijne zijn wel zeer ongelijksoortig. Het linker is normaal, 'optimistisch zou je zeggen/ (-) jongensachtig/ glimlachend in de spieren', het rechter is dun en miserabel met littekens. Deze twee belichamen de tweespalt van meneer Cogito: 'links/ is geneigd tot huppelen/ houdt van dansen/ geeft te veel om het leven/ om iets te riskeren// rechts/ is edelmoedig stijf/ spot met het gevaar'. Het is een tweespalt die ook zijn schepper maar al te goed kent. De twee benen van meneer Cogito vormen samen de wankelende grondhouding van deze poëzie, die enerzijds een hoge moraal zoekt en in stand houdt en die anderzijds heus wel weet hoe het leven is, met alle verrukkingen, angsten en zwakheden die erbij horen. Herbert is geen dichter die ons vermanend om de oren slaat, al wil hij ook beslist niet geruststellen en in slaap sussen. Het is zijn kracht dat hij op zijn beide benen voortgaat, het dansende en het zwoegende, het onbuigzame en het laffe - en dat hij daarbij glimlacht.

Herbert is een Pool, geboren in 1924 in Lvov, en dat betekent dat hij ruimschoots in de gelegenheid was om te zien hoe broos en taai tegelijk het menselijk leven is. In een essay schrijft hij hoe hem op het gymnasium ingeprent werd: 'Historia magistra vitae' - de geschiedenis is de leermeesteres van het leven. 'Maar toen de geschiedenis in heel haar majestueuze meedogenloosheid op ons lossloeg - begreep ik in de werkelijkheid van de vuurgloed boven mijn stad, dat ze een eigenaardige leermeesteres is. Ze heeft allen die haar en datgene wat na haar kwam, bewust overleefd hebben, meer stof tot nadenken gegeven dan alle oude kronieken bij elkaar.' Wat na haar kwam, na die eerste geschiedenis van de Russische bezetting van Lvov, de Duitse inval, de hernieuwde Russische bezetting, waren de lange jaren van communistische overheersing in Polen, die begonnen met de executie van talloze officieren van de Ondergrondse Strijdkrachten, het partizanenleger waar ook de nog piepjonge Herbert bijgehoord had.

Sanitair gereedschap

Herbert overleefde, hij studeerde - kunstgeschiedenis, filosofie, economie, rechten - en had de meest uiteenlopende baantjes - bankemployé, verkoper, ontwerper van sanitair gereedschap, administrateur van de Poolse componistenbond - maar publiceren deed hij niet in de tijd waarin de literatuur, evenals de andere kunsten, vooral socialistisch-realistisch moest zijn. In het gedicht 'Een kwestie van smaak' beweert hij dat die afkeer van het systeem niet iets heel moedigs en karaktervols was, maar meer een kwestie van smaak omdat de nieuwe ideologie zich zo afstotelijk en grof voordeed: 'geen enkele distinctio in het betoog/ een zinsbouw verstoken van de bekoringen van de conjunctief'. Pas nadat 'de periode van fouten en verdraaiingen' zoals de jaren van het Poolse stalinisme later genoemd werden, in 1956 was afgezworen, werd hij een zichtbare dichter, overigens ook niet altijd met volle instemming van de autoriteiten en de censuur. Hij maakte reizen naar Italië en Griekenland, hij publiceerde bundels (waaronder, in 1974, het al eerder in het Nederlands vertaalde Meneer Cogito), kreeg internationale prijzen, verbleef jarenlang in het buitenland maar keerde in 1981 terug naar Polen, in de verschrikkelijke tijd van de staat van beleg.

Meneer Cogito

heeft besloten terug te keren

in de stenen schoot

van het vaderland

de beslissing is dramatisch

hij betreurt haar bitter

maar hij kan niet meer tegen

die gemeenzame wendingen

-comment allez-vous

-wie geht's

-how are you

(-)

In die tijd (1983) werd Rapport uit een belegerde stad gepubliceerd, zowel ondergronds als bij een Parijse uitgever.

De geschiedenis heeft Herbert en zijn meneer Cogito dus slecht behandeld. Wat zoekt hij dan toch bij haar? Waarom is hij steeds maar bezig met 'de oren spitsen voor de stemmen die ons verlaten hebben, het aanraken van de stenen waarop half uitgewiste inscripties zijn achtergebleven die vertellen van de trieste lotgevallen van eertijds, het bezweren van de schimmen zodat ze kunnen leven van ons medelijden . . .' Waarom komen altijd maar weer Gilgamesj, Hektor, Shakespeare en Aristoteles zijn gedichten binnenwandelen, waarom staat hij Dorische tempels te bewonderen en waarom moet hij zo nodig schilderijen van Ter Borch beschrijven? Waarom breekt hij niet met de geschiedenis? Veel goeds heeft hij over haar niet te zeggen. Meneer Cogito laat weten dat hij vooral geen rol wil spelen in de geschriften van 'lieden met een baard en weinig verbeelding', meneer Cogito 'zal niet in de geschiedenis wonen'.

Het is ook zeker niet uit kortzichtige liefde voor vroeger dat Herbert zich keer op keer tot het verleden wendt, hij geeft er nooit ergens blijk van te geloven dat het vroeger beter was. Zelfs niet in het door hem zo innig geliefde Griekenland ten tijde van Perikles. Uit alle tijden weet hij echte en gemythologiseerde schurken op te diepen, zoals bij voorbeeld Procrustes, die in Rapport uit een belegerde stad sprekend wordt ingevoerd en ons eens rustig kan uitleggen hoe dat nu zat met dat bed van hem - 'in wezen was ik een geleerde een maatschappijhervormer/ mijn ware hartstocht was de antropometrie'. Het verschrikkelijke schreeuwen van de door Apollo gevilde Marsyas lijkt voor Herbert niet minder werkelijk dan de kreten die uit Oosteuropese kelders opklonken en van elke ramp, elke slag (Troje, Azincourt, Leipzig) en vooral van elke periode van terreur wil hij precies weten hoeveel doden er gevallen zijn omdat 'in dit soort zaken/ accuratesse toch onmisbaar is/ je mag je niet vergissen/ er niet één overslaan.'

Spinoza

Het verleden biedt dus niet de troost van dat het toen allemaal zoveel beter was. Maar nooit ook zal Herbert uit heel die bloedige geschiedenis de conclusie trekken dat er 'dus' geen poëzie meer geschreven kan worden, dat God 'dus' niet in Auschwitz, niet in Kolyma was. Herbert richt zijn oog steeds weer met warme aandacht op het onbegrijpelijk veelvoudige leven, op de 'Grote Dingen', zoals hij God tegen Spinoza laat zeggen in het gedicht 'De verzoeking van Spinoza'. Spinoza wil geleerd in het Latijn discussiëren over de menselijke natuur, over de eerste oorzaak en de laatste oorzaak, maar God schraapt zijn keel en zegt: laten we het hebben over Waarlijk Grote Dingen. Dan praat God over Spinoza's slechte ogen, zijn trillende handen, zijn armoedige kleding en zijn verwaarloosde huis en hij raadt hem aan daar verandering in te brengen, geld te gaan verdienen, beter te gaan wonen, hij raadt hem aan aan een vrouw te denken die hem een kind kan geven 'zie je Baruch/ we hebben het over Grote Dingen'. Dat is een beweging die Herbert vaker maakt, van de 'zuivere gedachte' naar een drijvend dotje haar in het water, van 'het wezen der dingen' naar de postbode die aanbelt, van de executie van vijf partizanen naar de gesprekken die zij voeren in de nacht daarvoor - over meisjes, het kaartspel, auto-onderdelen, dat je beter wodka kan drinken dan wijn want daar krijg je hoofdpijn van - van de toelating tot het hemelse paradijs naar meneer Cogito's gehechtheid aan zijn zintuigen:

net als de anderen

zal hij deelnemen

aan cursussen uitroeien

aardse gewoontes

de wervingscommissie

gaat zeer nauwkeurig te werk

verdelgt de restjes zintuig

in de kandidaten voor het paradijs

meneer Cogito zal zich verdedigen

felle tegenstand bieden

Altijd is in deze gedichten het belangrijkste het leven zelf, dat niet bestaat uit abstracties en grote verhalen, maar uit geuren, smaken, nabijheid, klanken, gelach, warmte, schilderijen. Zodat meneer Cogito, die zoals gezegd veel heeft meegemaakt in zijn leven, een gebed kan uitspreken over de reizen die hij heeft mogen maken, en zich daarin dankbaar kan tonen dat 'een kleine ezel op het eiland Kerkyra uit zijn onbevattelijke balgen van longen de melancholie van het landschap voor me zong// en ik in de lelijke stad Manchester goede en wijze mensen vond' maar ook 'dat de werken geschapen om U te eren mij een deeltje van hun geheim openbaarden en dat ik in mijn grote arrogantie dacht dat Duccio Van Eyck Bellini ook voor mij schilderden'. Hij smeekt beloningen af voor mensen die hem de weg wezen, fruit gaven, iets moois lieten zien, vraagt de Heer te maken 'dat ik andere mensen andere talen ander lijden begrijp' en eindigt ten slotte zo:

ik dank U Heer dat U de wereld mooi en verscheiden hebt geschapen

en als dit Uw verleiding is dan ben ik verleid voor altijd en zonder vergeving

Wie dat kan zeggen, gelooft in het leven, ondanks alles. De geschiedenis geeft wat Herbert betreft het geloof in de zin van ons doen en willen door, zij maakt de breekbaarheid en de nietigheid van het menselijk leven 'minder deprimerend', al kan men naar haar dikwijls niet anders kijken dan met afschuw of gepantserd met ironie.

Vermeer

In een door hem zelf verzonnen brief van Johannes Vermeer aan Anthonie van Leeuwenhoek (in de essaybundel De bittere geur van tulpen) laat Herbert de eerste de kunst verdedigen tegen de wetenschap. De afbeelding van de wereld op een linnen doek wordt door Vermeer als een belangrijke taak opgevat, ook al is wat er afgebeeld wordt niet de werkelijkheid en is het echte water misschien niet het blinkende oppervlak dat de schilder weergeeft maar juist het van beestjes krioelende vocht dat Van Leeuwenhoek door zijn microscoop ziet. Het kan Vermeer niets schelen dat, vergeleken bij de voortschrijdende wetenschap, zijn kunst archaïsch en primitief is, dat zij geen raadselen oplost. De kunst, zegt Vermeer, hoeft niets op te lossen, zij moet zich rekenschap geven van de raadselen, er het hoofd voor buigen, zij moet door steeds weer 'al die bric-à-brac van de kosmos', af te beelden de mens verzoenen met de hem omringende werkelijkheid: 'omdat wij ons alleen dáár veilig en gelukkig voelen'. Vermeer spreekt zeker ook namens zijn schepper, de opgewekt voortwankelende Zbigniew Herbert, die de kracht bezit om verleid te zijn 'voor altijd en zonder vergeving'.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.