Bleekgezicht in de kampong; Indië-ervaringen van Pans Schomper

Pans Schomper: Indië vaarwel. Uitgave in eigen beheer, 244 blz. Prijs ƒ32,50. Distributie: Van Stockum Boekverkopers, Venestraat 11, Den Haag. Tel. 070-3656808

De Nederlands-Indische literatuur kent geen einde. Zowel gevestigde auteurs als onbekenden hebben de onuitputtelijke behoefte hun ervaringen op schrift te stellen. Van de laatste groep brengen velen hun geschriften in eigen beheer uit. In de officiële literatuurgeschiedenis zullen zij misschien nooit een plaats krijgen, zelfs geen voetnoot. Hun werk is gebonden aan een groep gelijkgestemden, mensen met dezelfde ervaringen. Meestal die van het vooroorlogse Indië, van de Japanse kampen en vervolgens het gedwongen afscheid: de repatriëring naar Nederland.

Op de laatste Pasar Malam in Den Haag lag Indië vaarwel van Pans Schomper (Batavia, 1926). Het boek, uitgegeven in eigen beheer, had zijn weg inmiddels naar vele lezers gevonden en is aan zijn derde druk toe. Een Engelse vertaling is in voorbereiding. Voor oud-Indiëgasten is Schomper geen onbekende naam. Twee hotels heetten naar deze familie; een in Batavia, op Menteng, en een in Bandung.

Met dit gegeven als enige houvast begon ik het boek te lezen. In zijn inleiding schrijft Schomper dat hij niet de bedoeling had zijn boek te publiceren. Anderen haalden hem over. En verder: “Mede om los te komen van traumatische ervaringen heb ik besloten om mijn Indische verleden op schrift te stellen, dus al mijn ervaringen van voor, tijdens en na de oorlog tot het moment dat ik mijn geboorteland verliet (-). Velen zijn mij op deze weg voorgegaan, een ieder heeft zijn eigen ervaringen en zo heb ik de mijne. Niettemin draag ik dit boek speciaal op aan mijn gezin en hoop dat ze mij zullen begrijpen en er misschien iets van kunnen meenemen.”

Ik ben gewaarschuwd. Het therapeutische schrijverschap dient zich in volle glorie aan, een authentiek levensverhaal: wat moet de lezer die geen lid van het gezin Schomper is hiervan 'meenemen'? Maar na enkele bladzijden gaf ik me gewonnen voor dit ongewone, rijke, in ferme taal geschreven boek.

Indië vaarwel heeft alle bekoring van een boek waarin de auteur klaarheid wil vinden over zichzelf. Gravend in het verleden moet het heden betekenis en diepte krijgen. En, terugblikkend vanuit het heden, bezitten ogenschijnlijk zinloze gebeurtenissen uit het verleden ineens perspectief. Maar dit is psychologie in de marge. De kracht van het boek schuilt juist in de voor de lezer zo verlossende ervaring dat er geen spatje psychologisering in schuilt. Sterker: door de rechttoe-rechtaan verteltrant, zonder een enkele poging situaties te 'duiden', lijkt het boek een protest tegen de zachtheid van de zielekundige hulp.

Schomper opent zoals het hoort: “Mijn leven begon op 27 oktober 1926 te Batavia, Nederlands Indië, waar ik werd geboren in het Carolus Ziekenhuis op de Mataramanweg uit mijn moeder A.M. Bruyns en mijn vader L.C. Schomper - van beroep hotelier en restaurateur.” Vanaf dat ogenblik is zowel in het Indische leven van de kleine Pans als in het boek dat hij een mensenleeftijd later schrijft alles een en al rumoer, beweging, avontuur, tragiek.

Het verhaal raast voort van gebeurtenis naar gebeurtenis, in een stijl die nergens gewrocht of literair gezocht is, maar aldoor eerlijk en onmiddellijk aanspreekbaar. We leren Pans kennen als een soort Hemingway in spe: hij jaagt op dieren, haalt stoere jongensstreken uit, geniet van de paradijselijk-pure, mannelijke vrijheid van het vooroorlogse Indië met zijn vechtsporten, tennis, gevaarten van auto's, ritten door de bergen en willige hotelmeisjes. Er staat een schitterende passage in het boek over vliegeren: hoe de vliegers elkaar in de lucht bestrijden met hun eigen touw, ingesmeerd met lijm en scherp glasvezel om een andere vlieger af te snijden en omlaag te doen tuimelen.

Verzwakte Nederlanders

De trauma's uit de 'Inleiding' komen pas later, tijdens de Japanse internering en de daaropvolgende, verwarrende tijd van de bersiap waarin de Indonesische vrijheidsstrijders het gemunt hadden op de resterende, totaal verzwakte Nederlanders. Er zijn veel boeken geschreven en nog veel meer verhalen verteld over hoe de Jap of de Nip (van Nippon) zich in de kampen gedroeg. Maar zoals Schompers het aanpakt, kwam ik het nooit eerder tegen. Ondanks alle gruwelijke ellende, de onvoorstelbaar kleinzielige pesterijen waaraan de Japanners zich schuldig maken, hun methoden om iemand te martelen, ondanks de uitgemergelden en doden die de jongen onder ogen komen, blijft de toon opgewekt, zelfs vitaal. Nooit is er sprake van zelfbeklag, zelfmedelijden, zieligheid.

Schomper maakt de zaken niet groter of verschrikkelijker dan ze van zichzelf al zijn; hij registeert in een filmische stijl. Het is aan de lezer daar passende emoties bij te ervaren. We blijven alles wat de jongeman tussen zijn zestiende en negentiende in het kamp meemaakt door zijn ogen-van-toen zien. De schrijver van nu is niet, zoals vaak gebeurt, met zijn volle gewicht tussen de gebeurtenissen van eertijds en de reflectie van nu in gaan staan.

Voor het eerst heb ik in dit boek goed begrepen waarom er zo weinig gevangenen ontsnapten. In de meeste boeken over de kampen valt me de apathie op, alsof de mensen zich in een soort vacuüm bevinden. Aanvankelijk werden de kampen dan ook als bescherming voorgeschilderd tegen nationalistische Indonesiërs. Schomper raakt aan het slot de kern: “Verzetten in het kamp betekende zelfmoord. Er was geen steun, er waren geen onderduikadressen. Als Nederlander of blanke was je door je huidskleur al gebrandmerkt, dus verzetten was vrijwel zelfmoord. Er was, achter het prikkeldraad, met een bajonet op je gericht, geen enkele kans tot verzet, wie nee zei werd neergeslagen. Je kon (-) ook niet vluchten. Trouwens, waarheen? De kampong in als bleekgezicht?”

Treffender dan in deze enkele, bijna zakelijke regels kan het dilemma van de Nederlander in de interneringskampen nauwelijks worden verwoord. Wat Schomper doet is voortdurend de verbinding leggen tussen doodsangst en levensdrang. Hij schrijft: “Dankzij onze jeugd en onze instelling zijn we er doorheen gerold, velen zijn er echter aan onderdoor gegaan of hebben blijvend letsel opgelopen.” Het is mooi dat een schrijver zijn eigen lot weet weg te cijferen tegen dat van anderen; dit alleen al is zeldzaam in onze veelal egocentrische maar tegelijk spanningsloze literatuur. Bovendien kenmerkt deze regel in al zijn ontroerende eenvoud de kwaliteit van Indië vaarwel. Hier is een schrijver aan het woord die rücksichtslos schreef, zonder aan literatuur of aan ingewikkelde vormgevingsprincipes te denken, en hij schreef met deze 'instelling van de jeugd' een keihard goed boek.

UIT: PANS SCHOMPER, INDIE VAARWEL

De rit van Lembang naar Bandung was iedere morgen weer een succes. We moesten uiteraard vroeg op om op tijd te zijn. Mijn broer en ik zaten op de zelfde school, de BSV, Bandungse School Vereniging. De chauffeur stond 's morgens te claxonneren waar we bleven en op een draf kwamen we er dan aan. Ik zat meestal voorin. De weg was bochtig en de afstand bedroeg ongeveer 25 kilometer. Vaders oude Ford deed het prima en dat vonden alle kippen die we onderweg overreden ook. De school lag aan de Cikapundung, een rivier die Bandung door midden deelt. Toen ik voor het eerst op die school kwam, moest ik mij er letterlijk invechten. Ik werd uitgedaagd door iedereen die het tegen mij wilde opnemen en ik moest het wel aannemen anders was je laf. Het ging me overigens goed af, ik heb de lessen van Frans en Rinus in praktijk kunnen brengen en vloerde de een na de ander. Ik moest het zelfs een keer opnemen tegen een meisje, een kenau.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.