De eeuw van mijn moeder

Amos Oz' autobiografische roman over de geschiedenis van de Europese joden

Zijn hele leven zweeg Amos Oz over de zelfmoord van zijn moeder. In zijn nieuwe boek rekent de schrijver af met zijn trauma en wordt de teloorgang van de zionistische idealen schitterend beschreven.

Amos Oz: A Tale of Love and Darkness. Vertaald door Nicholas de Lange, Chatto & Windus, 517 blz. €32,30. Een Nederlandse vertaling verschijnt in september bij De Bezige Bij.

`Pas toen ik niet meer boos was, boos op mezelf, toen ik geen verbittering meer voelde, kon ik over mijn ouders schrijven, alsof ze mijn eigen kinderen waren.' Dat zei de Israëlische schrijver Amos Oz eind vorig jaar in een interview met Die Zeit toen hem werd gevraagd of het een therapie voor hem was geweest om A Tale of Love and Darkness te schrijven. Het is een essentiële uitspraak over dit autobiografische boek, dat uiteindelijk maar om één dramatische gebeurtenis lijkt te draaien: de zelfmoord van Oz' moeder in 1952, iets waarover de schrijver nog nooit met iemand heeft gesproken, zelfs niet met zijn vrouw en kinderen. Amos Oz, in 1939 geboren als Amos Klausner, was toen een puber van twaalf, zijn moeder Fania een intelligente, chronisch depressieve vrouw van achtendertig.

Woedend was hij die dag, woedend omdat zijn moeder hem ineens had verlaten, `midden in een zin', zoals hij schrijft. Al volgden na die woede al gauw zelfverwijt en verbittering: zou zijn moeder misschien nog leven als hij een liever kind was geweest? Of als hij zijn huiswerk beter had gedaan? Hield ze wel echt van hem? Het zijn terloopse vragen in een boek dat echter niet alleen gaat over de manier waarop een schrijver met een trauma afrekent, maar ook over de geschiedenis van de Oost-Europese joden die vol goede hoop naar Israël emigreerden, de stichting van de joodse staat en de teloorgang van de zionistische idealen. Want die zaken hangen in A Tale of Love and Darkness nauw samen.

Het ontrafelen van de zelfmoord van Oz' moeder gaat gepaard met een soort psychoanalyse van de hele joodse staat. Bijzonder daarbij is dat Oz niet op zoek is geweest naar een reden of een schuldige, maar dat hij zich alles gewoon nog eens voor de geest wilde halen, zoals Proust deed in zijn À la recherche du temps perdu, met alle geuren, kleuren en geluiden van toen. Nergens klinkt dan ook woede of verontwaardiging door. De dingen gaan zoals ze gaan, lijkt hij te willen zeggen. Objectieve waarheden bestaan niet, precies zoals in zijn romans vaak het geval is.

Als bij een Russische matrosjka-pop, die steeds weer een kleinere versie van zichzelf in zich draagt, pelt Oz het noodlot van zijn moeder af om pas op de laatste bladzijden van het boek de ware toedracht van haar zelfmoord te onthullen, alsof hij dan pas in staat is om die toedracht op te schrijven. Op die manier verweeft Oz het lot van zijn moeder met de oprichtingsgeschiedenis van Israël, het land dat haar ongelukkig heeft gemaakt en waar zij niets heeft teruggevonden van het Europa waar ze zo van hield.

A Tale of Love and Darkness begint als een klassieke autobiografie, maar ontwikkelt zich al gauw tot een adembenemende Dickensiaanse saga over de joodse families Klausner en Mussman in de westelijke provincies van tsaristisch Rusland. Het is alsof je de romans van Isaac Bashevis Singer of de verhalen van Isaak Babel binnenstapt, zo rijk en uitvoerig vertelt Oz over hun lotgevallen.

Vooral de Mussmans lijken zo uit een Singer-roman als The Estate te zijn weggelopen. Zo belandt Oz' grootvader van moederszijde als jongen van twaalf op een adellijk landgoed in de buurt van het Oekraïense Rovno. Dankzij zijn scherpe verstand en de gebrekkige talenten van zijn alcoholische baas klimt hij op tot mede-eigenaar van de molen, wat hem tot een van de welvarendste mannen van de streek maakt. Met zijn vrouw en drie dochters betrekt hij vervolgens het mooiste huis in de stad, dat van de burgemeester. Ze leiden er een grootburgerlijk bestaan. De dochters van de molenaar gaan studeren in Praag en ontwikkelen zich tot kosmopolitische burgers die vele talen spreken. Hun lot is dat van talloze joodse families in Europa omstreeks 1900. Ze assimileerden tot moderne burgers die hun religie achter zich hadden gelaten en een nieuwe wereld bouwden op de fundamenten van de Verlichting. Ze bewonderden Tolstoj en Toergenjev, Chopin en Beethoven, Shakespeare en Plato. Oz noemt hen de enige echte Europeanen van die tijd.

In A Tale of Love and Darkness worden de levens van de Mussmans niet zelden bepaald door de grillen van de excentrieke niet-joden in hun directe omgeving, zoals een Russische aristocrate die beweert familie te zijn van de tsaar. Met haar dochters bivakkeert ze aan het einde van de gang van het huis van de Mussmans achter een groot gordijn. En dan zijn er ook nog een godsdienstwaanzinnige vorstin die met een spijker de stigmata in haar handen slaat, een gepensioneerde Poolse officier die zich een kogel door het hoofd schiet en de vrouw van de landheer die bij haar man wegloopt en niet meer met haar kinderen mag omgaan, terwijl ze met haar nieuwe minnaar tegenover haar kroost woont. De miniportretten die Oz van hen schetst zijn grootse literatuur die A Tale of Love and Darkness tot een schitterend boek maken.

Als de molenaar Mussman door de economische crisis zijn geld verliest en het antisemitisme in Oost-Europa steeds grimmiger wordt, trekt hij in 1933 met zijn gezin naar Palestina. Daar vindt hij tot ergernis van zijn vrouw het ware geluk als menner op een paardenkar. Alsof zijn maatschappelijk succes en zijn bezit hem altijd tot last zijn geweest.

Zelf noemt Oz A Tale of Love and Darkness geen autobiografie maar een roman, omdat hij alles wat zich voor zijn geboorte in 1939 afspeelt heeft verdicht. Op die manier hoopte hij zich beter te kunnen verplaatsen in al die familieleden en voorouders die hij nooit heeft gekend maar toch wil begrijpen. Juist die verdichting levert schitterende passages op, die doen denken aan de autobiografieën van Konstantin Paustovski en Elias Canetti.

Zo vertelt hij de geschiedenis van de Mussmans door de ogen van een zuster van zijn moeder. Op die manier vergroot hij op een briljante manier de naïeve verwachtingen uit van de zionisten die het antisemitische Europa hadden opgegeven om in de woestijn een nieuwe samenleving te creëren. Aanvankelijk gingen ze er daarbij vanuit het met de Arabieren op een akkoordje te kunnen gooien. `We zouden ze duidelijk maken dat onze terugkeer naar het Land alleen maar een zegen voor ze zou zijn, op economisch, medisch, cultureel gebied, op elke denkbare manier', zegt die tante. `Wij, die altijd een onderdrukte minderheid zijn geweest, zouden onze Arabische minderheid rechtvaardig, eerlijk, genereus behandelen, we zouden ons thuisland met hen delen, we zouden alles met hen delen, we zouden ze zeker nooit in katten veranderen.' Nobele woorden, die ver weg staan van de realiteit. Want de Arabieren zagen de zionisten vooral als Europese kolonialen die hun grondgebied kwamen afpakken.

De familie van Oz' vader heeft een veel cynischer kijk op de situatie in het Midden-Oosten. Ook de Klausners komen uit tsaristisch Rusland – uit het Litouwse Vilnius – en assimileren in de negentiende eeuw tot moderne, godsdienstloze burgers met een grote interesse voor de Europese cultuur. Zo is de grootvader van Oz een levensgenietende zakenman in Odessa. In zijn vrije tijd schrijft hij gedichten en organiseert hij met zijn vrouw een literaire salon waar alle grote namen uit de jiddische literatuur hun opwachting maken.

Zijn broer Joseph is een in Heidelberg gepromoveerde kenner van de Hebreeuwse literatuur die later een van de belangrijkste geleerden van Israël zal worden. Joseph emigreert al in 1919 met zijn vrouw naar Palestina. Oz' grootvader, een minder bevlogen zionist, blijft achter. Hij minacht de bolsjewieken (`Joden uit de achterlijkste families', noemt hij ze) echter zo dat hij met zijn vrouw en twee zoons Odessa verlaat en terugkeert naar Vilnius, dat dan door de Polen wordt bezet. Daar stuiten ze op een ongekend gewelddadig antisemitisme dat versterkt wordt doordat de Litouwers de joden als handlangers zien van de Poolse onderdrukkers. De Klausners houden het bijna vijftien jaar in Vilnius uit. Oz' vader en diens broer David studeren er literatuurwetenschap en hopen op een wetenschappelijke carrière. Het antisemitische geweld, waar ze regelmatig slachtoffer van zijn, nemen ze op de koop toe.

Pas in 1930, als het leven voor joden in Vilnius echt onhoudbaar wordt, besluiten ze te vertrekken. Niet naar Palestina, dat ze te Aziatisch vinden. Nee, ze willen naar een land met een Europese cultuur en vragen visa aan voor Frankrijk, Zwitserland, Amerika, Engeland en een Scandinavisch land. Maar geen van die landen wil hen hebben. Ze hebben al genoeg joden. Achttien maanden voordat de nazi's in Duitsland aan de macht komen vraagt Oz' grootvader uit wanhoop een visum aan voor Duitsland, zo graag wil hij uit Vilnius weg. En ook hier vangt hij bot.

`Daar waren ze nu', schrijft Oz, `deze overijverige Eurofielen, die zoveel Europese talen spraken, die de Europese poëzie konden reciteren, die geloofden in de morele waarden van Europa, die van zijn ballet en opera hielden, zijn erfgoed cultiveerden, van zijn post-nationale eenheid droomden, die zijn goede manieren, kleding en modes adoreerden, die decennialang onvoorwaardelijk en ongeremd in Europa hadden geloofd, sinds het begin van de joodse Verlichting, en die alles hadden gedaan wat menselijk mogelijk was om het te behagen, om op alle mogelijke gebieden aan dat Europa bij te dragen, er deel van uit te maken, met verwoede hovaardigheid door zijn koele vijandigheid heen te breken, er vrienden te maken, in het gevlei te komen, geaccepteerd te worden, te behoren, geliefd te zijn...'

In die passage vat Oz de toenmalige tragiek van veel Europese joden samen: burger willen zijn in een beschaving die hen afwijst. Met als enige alternatief emigratie naar een vreemd land waar niets van die geadoreerde beschaving bestaat en waar hun toekomst misschien wel nog onzekerder is dan in Europa. Maar toch zal het hun redding zijn, want als ze in Europa waren gebleven dan waren ze door de nazi's vermoord.

Naar Palestina gaan is dan ook wat grootvader Klausner in 1933 met zijn vrouw en jongste zoon Arjeh doet. Zijn zoon David blijft in Vilnius, ervan overtuigd dat de door hem zo bewonderde Europese beschaving het van de daar heersende barbarij zal winnen. In 1941 wordt hij met zijn gezin door de nazi's afgemaakt.

De overige Klausners ijveren in Palestina als fanatieke zionisten voor de oprichting van een joodse staat. Anders dan de Mussmans, die een eenvoudig leven leiden, storten ze zich met grote ijver in de politiek. Van het in hun ogen stalinistische (dus onderdrukkende) kibboetsideaal willen ze niets weten. Hun helden zijn Ze'ev Jabotinsky en Menachem Begin, die net als zij vastbesloten zijn om op grond van de ideeën van de Europese Verlichting in Palestina een nieuwe samenleving op te bouwen, desnoods met geweld. Maar eigenlijk geldt ook voor hen wat een van de zusters van Oz' moeder eerder betoogt als ze aan haar neefje de waanzin van de bolsjewistische revolutie in Rusland uitlegt: `Het probleem met Trotski en Lenin en Stalin en hun vrienden, zo meende je grootvader, was dat ze het hele leven in één klap probeerden te veranderen aan de hand van boeken, boeken van Marx, Engels en andere grote denkers zoals zij. Maar ook al kenden ze al die bibliotheken op hun duimpje, van het echte leven begrepen ze niets [...].'

In het Jeruzalem van Oz' jeugd geldt oudoom Joseph, inmiddels een gevierd en machtig hoogleraar aan de Hebreeuwse universiteit, als het orakel van de familie. Hij is het grote voorbeeld van Oz' vader Arjeh, eveneens een literatuurgeleerde, die zo'n zeventien talen beheerst. Maar omdat Joseph zijn neef geen baan aan de universiteit durft te bezorgen, uit angst van nepotisme te worden beschuldigd, moet Arjeh genoegen nemen met een treurig baantje op de universiteitsbibliotheek. Zijn wens om een vermaard geleerde te worden loopt uit op een ontgoocheling, die bijna een analogie lijkt voor zijn steeds groter wordende teleurstelling in de nieuwe joodse staat.

Het lot van Oz' moeder Fania is nog tragischer. Zij had in Praag geschiedenis en filosofie en in Jeruzalem literatuurwetenschap gestudeerd. In die laatste plaats had ze haar zinnen gezet op een baan aan een middelbare school. Maar eenmaal getrouwd zit ze vastgeklonken aan het aanrecht en de strijkplank. Ze moet genoegen nemen met het vertellen van haar sprookjesachtige verhalen aan haar zoontje Amos, verhalen vol heimwee naar het Litouwen van haar jeugd, naar de wereld van haar door de nazi's vermoorde vrienden en vriendinnen.

Haar man Arjeh zoekt intussen troost in koffiehuizen, waar hij discussies voert over politiek en literatuur. Ook maakt hij plezier met andere vrouwen. Moeder Klausner verpietert, wordt depressief, krijgt wanen en neemt een overdosis slaappillen.

Met zijn vader praat Amos Oz nooit over die wanhoopsdaad. Intimiteit tussen hen beiden bestaat niet, wat voor een jongen van twaalf die zijn moeder op een gruwelijke manier verliest rampzalig is. Drie jaar na zijn moeders dood loopt hij van huis weg om in een kibboets te gaan wonen. Vastbesloten om nooit meer een boek open te slaan en als tractorbestuurder zijn geluk te vinden. Aldus breekt hij met de kille wereld van zijn vader, waarin alleen geleerdheid telt en emoties worden weggestopt. Zijn naam verandert hij in Amos Oz.

Maar ook in de kibboets wemelt het van de Europese intellectuelen die klassieke muziek draaien en Thomas Mann lezen, ook al hebben ze een andere politieke overtuiging dan zijn vader. Oz is er opnieuw een buitenstaander. Maar vanuit die positie ontdekt hij dat er niet veel verschil bestaat tussen mensen van links of rechts en dat het er in het leven alleen om draait in hoeverre een belaagd individu zich kan verweren binnen een groep. Het geeft antwoord op de vraag waarom in Oz' romans en verhalen altijd duistere krachten voorkomen die de geordende regelmaat verstoren, zoals in Mijn Michaël, waar de onderdrukte erotische verlangens van een vrouw haar huwelijk en levensgeluk verwoesten. Tevens begrijp je ook Oz' kritiek op de optimistische verwachtingen van het zionisme, dat ervan uitging dat een ideale samenleving maakbaar was door mensen als een fabrieksproduct pasklaar te kneden en hun individualiteit ondergeschikt te maken aan het groepsbelang.

Oz doet zijn relaas deels tegen de achtergrond van de broeierige maanden in 1947/'48, waarin de staat Israël werd opgericht. Dat levert aangrijpende beschrijvingen op van de burgeroorlog die onmiddellijk na het uitroepen van de joodse staat uitbreekt en de joden en Arabieren in één klap tot erfvijanden maakt. Door het oorlogsgeweld vanuit de optiek van een negenjarig jongetje te beschrijven, dat bijvoorbeeld geheel van slag is als zijn schildpad door een granaatscherf wordt gedood, worden die gruwelen nog indringender.

Een van de mooiste passages is die waarin Oz' vader in de nacht van 29 op 30 november 1947 – nadat in de VN positief gestemd is over een resolutie die de joodse staat mogelijk maakt – bij zijn zoon in bed kruipt en hem op fluistertoon vertelt hoe hij als scholier in Vilnius werd mishandeld en vernederd alleen omdat hij een jood was. `Ook jij kunt hier door een stel vechtersbazen in elkaar geslagen worden, maar nooit meer alleen omdat je een jood bent', mompelt hij in het duister, terwijl de tranen hem over de wangen biggelen.

In zijn dromen is de kleine Amos Klausner in die spannende dagen – net als de kleine hoofdpersoon in zijn roman Panter in de Kelder (1998) – een nationalistische vrijheidsstrijder die de ene na de andere aanslag op de Britse bezetter pleegt. De Britten zijn de echte vijand, de Arabieren, over wier lot Oz altijd met mededogen en soms zelfs met liefde schrijft, niet.

Dat mededogen doet denken aan Tsjechov, die altijd begrip weet op te brengen voor de daden van zelfs de grootste slechterik. Niet voor niets benadrukt Oz aan het begin van A Tale of Love and Darkness zijn Russische afkomst met de woorden: `Oom Wanja woonde pal boven ons'. Want behalve op zijn talloze Russisch sprekende buren in het Jeruzalem van zijn jeugd doelt hij met dat zinnetje vooral op de Tsjechoviaanse sfeer die van die oriëntaalse stad eerder een Russisch dorp maakte. In Tsjechovs toneelstukken komen tenslotte alle uitersten van het leven voor: liefde, geluk, wanhoop, zelfmoord. En dat is precies wat je ook van Oz' magistrale boek kunt zeggen.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.