Die nuchterheid, dat is defaitisme

In een onmisbaar discussiestuk pleit Susan Neiman voor getemperd idealisme

In ‘Morele helderheid’ veegt de Amerikaanse filosofe Susan Neiman de vloer aan met desillusie en cynisme bij links en rechts. Idealisme blijft mogelijk en noodzakelijk, betoogt ze.
Susan Neiman: Morele helderheid. Goed en kwaad in de 21ste eeuw. Vertaald door Rogier van Kappel, Ruud van de Plassche en Aleid Fokkema. Ambo, 472 blz. € 29,95. De Engelse editie, Moral Clarity: A Guide for Grown-Up Idealists is verschenen bij Harcourt. € 23,-

Al is de filosofie nog zo snel – ze wordt moeiteloos ingehaald door de reclame. De strekking van Morele helderheid, het nieuwe boek van de in Duitsland wonende Amerikaanse filosofe Susan Neiman wordt in een nieuw spotje van verzekeringsmaatschappij Achmea kernachtig samengevat: ‘Noem ons een idealist, noem ons een onrealist. Maar wie nergens in gelooft, zal ook nooit iets veranderen.’

Neiman zelf zal er niet van schrikken, want reclamejongens hebben nu eenmaal een feilloos gevoel voor de tijdgeest. Een paar keer constateert ze in haar boek dat er nu steeds meer mensen zijn die genoeg hebben van een leven dat uit louter consumeren bestaat en waarin iedere poging om te streven naar een betere wereld honend wordt afgedaan als gevaarlijke blindheid of utopische verdwazing. Volgens haar is dat een van de redenen dat jongeren zich aangetrokken voelen tot fundamentalisme – dat houdt tenminste nog de belofte van een betere wereld in. Dat haar oproep tot een nieuw, heroverwogen idealisme voor commerciële doeleinden wordt verpakt in een slagzin, zal haar niet deren: de waarheid van zo’n slogan hangt niet af van de wijze waarop die gebruikt wordt.

Volgens Neiman heeft idealisme ten onrechte een slechte naam gekregen. Ze hoont de illusieloze blik op de wereld van collega’s als John Gray, die in de hoogmoed van de regering Bush het zoveelste bewijs zien van hoe idealisme altijd verwordt tot een funest soort messianisme. Neiman noemt de daden van regering Bush onverbloemd uitingen van het kwaad, maar ze hekelt de scepsis en gelatenheid die zich van links meester heeft gemaakt. Ze is expliciet: ‘Dit boek wil de morele concepten die links niet meer hardop uitspreekt terugwinnen. […] De taal van links is wel de taal van de argwaan genoemd, maar het is ook een taal gekleurd door teleurstelling, door het voornemen zich niet nog eens voor de gek te laten houden, nu de eerdere mooie praatjes zijn ontmaskerd. Met zo’n taal kun je maar weinigen voor je winnen.’

Die afkeer van het defaitisme van links, dat zich voordoet als nuchterheid en bescheidenheid, zorgt ervoor dat Neiman in Morele helderheid haar pijlen niet in de eerste plaats richt op de verlichtingsfundamentalisten, maar juist op de verlichtingskritiek. Critici als Isaiah Berlin en John Gray moeten het keer op keer ontgelden, omdat ze een karikatuur van de Verlichting hebben gemaakt. ‘Het is geen toeval dat afwijzing van de Verlichting doorgaans leidt tot premoderne nostalgie of postmoderne argwaan; waar de Verlichting aan de orde is, staat de moderniteit op het spel.’ Het grootste deel van Morele helderheid bestaat dan ook uit het bestrijden van de misvattingen van zowel links als rechts over de ware aard van de Verlichting. Die heeft geen blind vertrouwen in de rede, is niet rabiaat anti-religieus, houdt er geen al te rooskleurige opvatting over de menselijke natuur op na, ontkent het bestaan van het kwaad niet en gelooft niet blind in vooruitgang. Natuurlijk, er zijn wel denkers van de Verlichting te vinden die aanleiding hebben gegeven voor die misvattingen, maar, zegt Neiman,  ‘je kunt over nagenoeg alles wel een tweederangs opinie vinden. Maar bij mijn pogingen om de Verlichting te ontdoen van de vertekenende clichés zal ik mij concentreren op de beste denkers in haar traditie.’

De beste denker is Immanuel Kant, over wie Neiman al eerder een boek schreef. In het werk van deze 18de- eeuwse filosoof ziet ze de ware aard van de Verlichting: een afgewogen kijk op de mogelijkheden van de mens, die getemperd wordt door een besef van menselijke beperkingen. Dat de kloof tussen wat is en wat zou moeten zijn nooit helemaal gedicht zal worden, betekent nog niet dat ieder streven om die kloof kleiner te maken bij voorbaat tot mislukken is gedoemd. Ontnuchtering sluit idealisme niet uit; een wereld waarin alles ideaal zou zijn, zoals in het Eldorado dat Voltaire beschrijft in Candide, zou onleefbaar saai zijn.

De waarden van de Verlichting volgens Neiman zijn gekwalificeerde waarden, idealen die een streven uitdrukken en een geloof, vaak tegen beter weten in. In het tweede deel van haar boek zet ze op een rijtje: Geluk, Rede, Eerbied en Hoop. De filosofen van de Verlichting koesterden geen blind geloof in die waarden, ze geloofden alleen dat ze binnen het bereik van de mensheid konden liggen. Hun nadruk op de kracht van de rede had niets te maken met de overtuiging dat het menselijke verstand een heerlijke nieuwe wereld zou kunnen scheppen, de rede werd juist gezien als een instrument om de begrenzingen van de menselijke mogelijkheden te verkennen. En nergens kleineerden de filosofen van Verlichting het belang van gevoelens als liefde en hoop.

Het typeert Neiman dat ze weinig geduld heeft met de Verlichtingswaarden die tegenwoordig het meest door links worden aangehaald: Scepsis en Tolerantie. ‘Het scepticisme dat begint met het aanvallen van autoritaire tradities eindigt met het ondersteunen daarvan: wanneer het alles waarop je zou mogen hopen heeft vernietigd, kan het zich nog slechts baseren op traditie. De enige andere toevlucht is het soort absoluut nihilisme dat je doet overhellen tot de overtuiging dat het eigenlijk nooit van belang was wat je positie was of waarvoor je stond.’ Tolerantie komt er nog bekaaider af: ‘Geconfronteerd met intolerantie weet zij niet wat te doen. (..) Tolerantie is de deugd van teleurgestelde oude mannen; als inspiratiebron of strijdkreet schiet ze tekort. Met redelijkheid zonder idealisme loopt de Verlichting het gevaar zichzelf te vernietigen.’

Maar het grootste kwaad is in de ogen van Neiman wel het nadrukkelijk verkondigde realisme, dat de mens, in navolging van Hobbes, als een hopeloos geval ziet, dat je maar het beste zo strak mogelijk aan banden kunt leggen. De ‘oorlog van allen tegen allen’, die volgens Hobbes de natuurlijk staat van de mens verbeeldt, doet ze af als bovenmatig zwartgallig. De notie dat de mens van nature goed is, mag onzinnig zijn, het tegenovergestelde is net zo goed niet waar. Mensen zijn in staat tot onbaatzuchtige handelingen ten dienste van hun medemensen; sommige zetten daarbij zelfs hun leven op het spel. Dat zijn de morele helden die wij volgens Neiman nodig hebben, de voorbeelden die ons eigen idealisme vorm kunnen geven. Die helden zijn geen supermensen; ze zijn feilbaar, soms zwak en altijd heel erg menselijk.

Neimans model voor dit moderne heldendom is Odysseus, de Griekse held die in de Oudheid en daarna vanwege zijn berekening juist werd gezien als een oplichter en sjoemelaar. Voor Horkheimer en Adorno was hij, in hun Dialektiek van de Verlichting, juist het voorbeeld van de ontaarde ‘verlichte’ mens, die nergens meer in geworteld is en zijn ziel voorgoed heeft verloren. Maar Neiman houdt een overtuigend betoog waarin juist Odysseus’ bedachtzaamheid en wendbaarheid iets heldhaftigs krijgen.

Aan het einde van haar boek geeft Neiman ons nog een paar echte heldenlevens, verhalen over mannen en vrouwen die volgens haar de idealen van Verlichting belichamen. Die verhalen hebben iets zijigs, eerlijk gezegd net als haar hele idee van het moderne heldendom. Ze heeft zeker gelijk wanneer ze stelt dat het gêne is, die de meeste mensen ervan weerhoudt openlijk voor hun idealen uit komen, en dat een geloof in positieve waarden tegenwoordig onmiddellijk wordt weggehoond door de zogenaamde realisten. Maar zelf overtuigt ze ook meer in het afgemeten sarcasme waarmee ze haar tegenstanders afserveert, dan in de onmachtige, dweperige lofzangen op het moderne heldendom.

Wat mij bevalt aan Morele helderheid is de ongegeneerde filosofische strijdlust waarvan het boek doortrokken is; en de belangrijke notie dat het misbruik van morele betrokkenheid door zowel oud links als nieuw rechts geen excuus mag zijn om opgelucht de handdoek in de ring te gooien. Vooruitgang is mogelijk, ook al spreekt ze niet vanzelf. Pessimisten zullen wijzen op het feit dat de regering Bush voor een betere wereld het martelen heeft heringevoerd; optimisten wijzen op de morele schok die dat teweeg heeft gebracht.

Dat het idealisme zo vaak is ontspoord, stelt Neiman onomwonden, mag geen reden zijn om geen idealen meer te koesteren. Dat ze zich niet wenst te verdiepen in de redenen waarom dat idealisme zo vaak ontspoort, wat het in mensen is dat zelfs de meest verheven verlichtingswaarden als excuus gebruikt kunnen worden ter rechtvaardiging van barbaarse daden, maakt haar polemiek wat mij betreft te gemakkelijk. Scepsis hoeft niet verlammend te werken, het is niet altijd een uitnodiging voor cynisme. En met haar pleidooi voor een getemperd idealisme staat Neiman wellicht dichter bij het behoedzame realisme van John Gray dan ze beseft. Maar als pleidooi voor betrokkenheid is Morele helderheid een onmisbaar discussiestuk.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.