Echte kerels vechten ver van huis
Spaanse bronnen over Nederland en de Tachtigjarige Oorlog
Hoe Nederlanders zuchtten onder het Spaanse juk is bekend. Maar wat vonden de Spanjaarden zelf van de Tachtigjarige Oorlog? Verslagen van viriele mannen in een zompig polderland.
Yolanda Rodríguez Pérez: De Tachtigjarige Oorlog in Spaanse ogen. Vantilt, 336 blz. €24,90Francisco de Enzinas: Bericht over de Toestand in de Nederlanden en de Godsdienst bij de Spanjaarden. Uit het Latijn vertaald door Ton Osinga en Chris Heesakkers.Verloren, 256 blz. €22,50
Soldaten waren het, maar sexy soldaten. Gespierd van lichaam, imposant van snor, wat klein van gestalte maar nieuwsgierig makend in hun exotisme. Dat vonden althans Rosela, Aynora en Ircana, ruim drie eeuwen voordat hun zusters aan de zomerse Costa Brava de geneugten van het Spaanse sekstoerisme zouden ontdekken.
Toeristen waren Rosela en haar lotgenoten niet, Nederlandsen wel, ook al klinken hun namen nogal uitheems en werd er in die begintijd van de Tachtigjarige Oorlog nog niet zo'n onderscheid gemaakt tussen holandeses en flamencos (Vlamingen). Wat zij met hun hedendaagse zusters gemeen hadden was een fascinatie voor de erotiek van de Spaanse man: viriel, donker en krachtig. Wat hen scheidde was de fictie. Rosela, Aynora en Ircana waren toneelfiguren, al zullen zij in de werkelijkheid menige tegenhangster hebben gehad.
De toneelstukken waarin de hupse flamencas verschijnen werden in Spanje geschreven tijdens de eerste decennia van de Tachtigjarige Oorlog. Hun rol is veelzeggend, schrijft Yolanda Rodríguez Pérez in haar boek De Tachtigjarige Oorlog in Spaanse ogen waarop zij in mei aan de Universiteit van Utrecht promoveerde. Hun liefde voor hun Spaanse amants stond model voor de trouw die een deel van de Nederlandse bevolking wel degelijk jegens de Spaanse kroon voelde.
In haar boek gaat Rodríguez Pérez na hoe er in Spanje over de Nederlanden werd gedacht gedurende het conflict dat aanvankelijk als een opstand wordt betiteld maar dat na het Twaalfjarig Bestand voluit als een oorlog werd aangeduid. Zij maakt daarbij gebruik van oorlogsverslagen, vlugschriften en vooral van literaire bronnen waarin het toneel – een van de belangrijkste ideologische media van die tijd – een vooraanstaande plaats inneemt.
Veel was er tot nu toe niet over deze beeldvorming bekend. Omgekeerd lag dat anders. In Nederland werd niet alleen veel geschreven over en tegen de Spanjaarden, het beeld van de `zwarte legende' dat daarbij met graagte werd ingezet, bleef ook veel langer hangen. Willem van Oranje maakte in zijn Apologie al gebruik van de wreedheid die de Spanjaarden in de Amerikaanse kolonies aan de dag hadden gelegd en die door Bartolomé de las Casas aan de kaak was gesteld. Samen met de meer sinistere kanten van de Inquisitie vormde ze een bruikbaar propagandistisch instrument om de hele Spaanse natie, of althans haar bewind, als verdorven af te schilderen.
Dat beeld is in Nederland en daarbuiten lang blijven hangen. Voltaire maakte er gretig gebruik van om de Verlichting des te lumineuzer te laten afsteken en de Duitse romantici vonden in het tragische verhaal van Don Carlos – de afvallige zoon van Filips II die de kant van de opstandelingen zou hebben gekozen en wiens dood altijd onopgehelderd gebleven is – een geliefde held.
Vrede van Munster
In Spanje hielden de oorlogsmythen die tachtig jaar lang de geesten strijdvaardig moesten houden, minder lang stand. Na de Vrede van Munster had het land in Engeland en Frankrijk andere vijanden om zich druk over te maken. Als ondersteuning van een nationaal zelfbeeld was de verloren Tachtigjarige Oorlog weinig geschikt, anders dan in Nederland, waar hij niet alleen het begin van de natie vormde maar tot op de huidige dag als bron van legitimatie en identificatie van die natie dient.
Met haar studie heeft de in Madrid geboren en sinds een tiental jaren in Nederland werkzame Rodríguez Pérez een intrigerende blik geopend op de tegenkant van de Nederlandse nationale mythe. Tegelijk laat zij zien hoe in oorlogstijd het beeld van de tegenstander verandert en verschuift al naar gelang de krijgshandelingen en het succes van beide kampen en hoe zich dat in de literaire propaganda weerspiegelt.
De boodschap van de toneelstukken waarin de verliefde Rosela, Aynora en Ircana optreden – voor het merendeel van de hand van de Spaanse veelschrijver Lope de Vega – is duidelijk. Tussen de Lage Landen en Spanje bestaat wel degelijk een innige band, ook al heeft een deel van de bevolking zich van haar legitieme heer afgekeerd. Rosela krijgt van Lope de Vega een fel anti-Spaanse halfbroer mee die als edelman model staat voor de afvallige Nederlandse adel.
Vooral de edelen moeten het in de Spaanse bronnen dan ook ontgelden. Zij zijn het die het volk ten eigen bate hebben misleid, gedreven door hebzucht en tirannieke wil. Willem van Oranje, de ergste van allen, verschijnt onder dezelfde trekken als die welke in de Nederlanden de hertog van Alva toegeschreven krijgt en tot op de huidige dag zal houden. In een even radicale omkering van beelden zal later in het conflict ook de `zwarte legende' op de Nederlanders worden overgedragen. Zij waren het die de inwoners van Zuid-Amerika het wreedst onderdrukten en hen deden terugverlangen naar het milde bestuur van de Spaanse kroon. In één toneelstuk schrikt de schrijver er zelfs niet voor terug Don Carlos het gelijk van zijn vader te laten erkennen en rustig te laten doorleven.
Wettige heer
Dan is de oorlog echter al in een andere fase terechtgekomen. Na het Twaalfjarig Bestand vervliegt de hoop dat de opstandige provincies zullen terugkeren tot hun wettige heer en wordt er niet langer van opstand of burgeroorlog maar kortweg van `oorlog' gesproken. Overeenkomstig verschijnen er ook op het toneel geen Nederlandse geliefden van Spaanse soldaten meer. De twee kampen staan en bloc tegenover elkaar en de opstandige holandeses worden duidelijk onderscheiden van de trouwgebleven flamencos van de Unie van Atrecht.
In de laatste decennia van het conflict is het vijandbeeld, aldus Rodríguez Pérez, op volle oorlogssterkte. Waren de stereotypen voor het bestand nogal gemengd en verzachtten deze tijdens de wapenstilstand merkbaar, daarna werden zelfs de Hollandse deugden negatief geïnterpreteerd. De Nederlandse vindingrijkheid werd nu een teken van lafheid. In plaats van dapper te vechten met het blote zwaard kozen de opstandelingen ervoor de strijd te beslechten met mechanische middelen. De vertrouwdheid met de zee werd een teken van zompige onbetrouwbaarheid.
Tegelijk verscherpten de beelden zich die in de vroegere fasen van het conflict nog een mengsel van bewondering en reserve hadden uitgedrukt. Van oudsher gold Holland als een bucolisch paradijs en de Nederlander als een schranser en drinker. Maar de welvaart van de noordelijke gewesten neemt steeds meer de trekken aan van hebzucht, de vrijheid van de Nederlandse vrouw wordt hoerigheid en de Nederlandse goedmoedigheid een gemakkelijke prooi voor ketterse ideeën. Alleen de drankzucht van de Nederlander, die in de Engelse stereotypen zo'n belangrijke rol speelt, is in de Spaanse geschriften vrijwel afwezig, constateert de auteur met enige verbazing.
Op een buitengewoon originele wijze beschrijft Rodríguez Pérez de langzame boedelscheiding tussen Spanje en de noordelijke Nederlanden. Hoe innig beide tot op dat moment met elkaar verweven waren, zal door de Nederlandse mythologie van de Tachtigjarige Oorlog later grotendeels aan het oog onttrokken worden. Duidelijk zichtbaar is deze band echter nog in het Bericht over de Toestand in de Nederlanden en de Godsdienst bij de Spanjaarden dat de Spaanse Vlaming Francisco de Enzinas in 1545, ruim tien jaar voor het begin van de opstand, schreef en waarvan nu voor het eerst een vertaling verschenen is.
Enzinas' verhandeling is het verslag van zijn eigen wederwaardigheden als gevangene van Karel V, die hij twee jaar eerder een Spaanse vertaling van het Nieuwe Testament had aangeboden. De keizer, die het aan hem opgedragen boek aanvankelijk welwillend in ontvangst neemt, laat hem vastzetten op verdenking van ketterij en twee jaar lang zucht Enzinas in een kerker in Brussel. Tot hij, uit angst voor de vervolgingen die almaar strenger worden, besluit te vluchten en hij, als door een wonder, de gevangenisdeuren open vindt.
Net als Petrus ontkomen aan een wisse dood, beschrijft Enzinas hoe hij ertoe kwam het Nieuwe Testament te vertalen, hoe verraderlijk en achterbaks hij door Leuvense theologen en monniken van het hof in de val wordt gelokt en welke wrange verhalen hij hoort van zijn medegevangenen, die stuk voor stuk op de brandstapel eindigen. Eenmaal in vrijheid schrijft hij zijn verslag op verzoek van de Duitse hervormer Melanchton, bij wie hij enige tijd in huis had vertoefd en aan wie hij het boek opdraagt.
Enzinas' Bericht, dat door Ton Osinga en Chris Heesakkers in levendig Nederlands werd vertaald, is niet in de eerste plaats interessant vanwege de doctrinaire fijnmazigheid van de daarin weergegeven religieuze discussies en verhoren. Het boeit vooral als een ooggetuigenverslag van een maatschappij die in de ban raakt van vervolging, achterdocht en verraad, met alle daarmee gepaard gaande lafheid en heldendom. En als vanzelfsprekend komt er ook in naar voren hoe geworteld en geïntegreerd een grote Spaanse gemeenschap in die tijd in de Nederlanden kon zijn.
Dat een afsplitsing van opstandige provincies korte tijd later door Spanje als een tegennatuurlijke daad werd beschouwd, is tegen deze achtergrond dan ook begrijpelijk. Aanvankelijk, zo schrijft Rodríguez Pérez, werd de opstand minder in religieuze dan in politieke termen gevat. Dat betekent niet dat de Spaanse bronnen veel oog hadden voor de politieke klachten die de Nederlanders koesterden en die in het beroemde `smeekschrift' van de edelen aan Margaretha van Parma tot uitdrukking kwamen. Het politieke betrof uitsluitend de ontrouw van de noordelijke gewesten aan hun rechtmatige heer. Nog meer dan ketters waren zij rebellen, al lag in een op de gratie Gods gegrondvest bewind het één wel in het directe verlengde van de ander.
Met haar proefschrift heeft Rodríguez Pérez een opmerkelijk, verhelderend en soms vermakelijk hoofdstuk toegevoegd aan de Spaanse èn de Nederlandse geschiedenis. De levendige wijze waarop zij zich als Spaanse in het Nederlands heeft weten uit te drukken dwingt grote bewondering af. Wel wordt het boek enigszins geplaagd door de vormdwang van de dissertatie, zodat vrijwel iedere bevinding driemaal wordt vermeld: eerst als aankondiging van wat zal komen, dan de bevinding zelf en tenslotte nog eenmaal in de samenvatting van wat inmiddels bevonden is.
Rosela, Aynora en Ircana zal dat niet veel kunnen schelen. Zij hadden met hun exotische geliefden wel iets anders aan het hoofd, zoals aan de Spaanse stranden het scheiden der volkeren inmiddels ook iedere zomer weer opnieuw ongedaan wordt gemaakt. Politiek en propaganda winnen het op den duur nu eenmaal niet van de charme van de erotiek.
Lees verder
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.
