Een dubbel verslag van een helletocht

Marcel Möring combineert James Joyce, Dante en zijn eigen schrijversgeschiedenis

Marcel Möring: Dis. De Bezige bij 505 blz. €25,–

Wie is de hoofdpersoon van Dis, Marcel Mörings nieuwe roman, die zich afspeelt in Assen aan de vooravond van de TT-races? Het is een vraag die ik mij nooit heb gesteld bij het lezen van Ulysses, Mörings grote voorbeeld. In dit modernistische meesterwerk van James Joyce is het, ondanks de complexe structuur van het boek, volkomen duidelijk dat de tragische ‘wandelende jood’ Leopold Bloom het dragende personage is, terwijl Stephen Dedalus – het literaire ‘ik’ van Joyce – een bijrol vervult. In Dis volgt Möring Ulysses op de voet, maar er is één opmerkelijk verschil: het verhaal draait niet in de eerste plaats om Jacob Noach (te vergelijken met Leopold Bloom), maar om Marcel Mörings alter ego Marcus Kolpa.
Deze Marcus Kolpa, naoorlogse zoon van een getraumatiseerde joodse moeder, keert op 27 juni 1980 terug naar Assen, de gehate antisemitische provinciestad van zijn jeugd, om met zijn vrienden van weleer hun jaarlijks TT-feestje te vieren. In dit boek heet de treurige provinciestad Dis, dus zoveel is zeker: Assen is een hels oord. Dis is de naam van de stad die Dante beschrijft in zijn Inferno.
En alsof dit nog niet genoeg is, noemt Möring dat vervloekte Assen ook nog eens de anus mundi, het aarsgat van de wereld, wat dan weer een verwijzing is naar het boek over Auschwitz van Wieslaw Kielar. Naar de hel van Assen dus begeeft zich Marcus Kolpa om de geliefde uit zijn jeugd te zoeken. Haar naam is Chaja, wat ‘leven’ betekent. Zij is de jongste dochter en oogappel van Jacob Noach, die ondergedoken in de buurt van kamp Westerbork de oorlog overleefde.
In de nacht voor de TT-races, bekend als de Hel van Assen, als het stadje volloopt met in leer gestoken zuipende motorduivels, rijdt Jacob Noach zich te pletter en op weg naar zijn Ithaca, de thuishaven, in dit geval de joodse begraafplaats, ontmoet hij als in een visioen een marskramer die zich ‘Jood van Assen’ noemt. Deze figuur is een mengsel van de wandelende jood Ahasverus en de dichter Vergilius die Dante begeleidde op zijn tocht door de hel.
Dit mogelijk wat warrig overkomende resumé heeft alles te maken met de verwarring die Möring creëert in zijn soms krampachtige aandoende poging om in Dis Dantes ‘Inferno’ en Joyces Ulysses te combineren met een opeenstapeling van literaire verwijzingen. Om het nog wat ingewikkelder te maken, heeft Möring hier ook zijn eigen schrijversgeschiedenis willen onderzoeken, zodat de roman niet alleen verwijst naar Ulysses maar ook voortbouwt op diens A Portrait Of The Artist As A Young Man. De hoofdpersoon in dat boek speelt een bijrol in Ulysses, bij Möring is het zoals gezegd omgekeerd.
De meest tragische figuur in Dis is zonder twijfel Jacob Noach. Hij had gedacht Assen te kunnen ontvluchten maar moest in 1942 vanuit Amsterdam naar het gehate oord terugkeren. Daar ontdekt hij dat zijn ouders en broer zijn weggevoerd. Hij duikt onder – letterlijk in een hol onder de grond. In 1945 komt hij boven en daar begint het boek, precies als Ulysses waar het personage Buck Mulligan tevoorschijn komt uit een trapgat.
Hoe extreem ‘fout’ Drenthe volgens Möring was in de oorlog blijkt vrijwel onmiddellijk. Als Noach meer dood dan levend uit zijn hol te voorschijn is gekropen en op een gestolen fiets het vlaggende Assen binnenrijdt, wordt hij niet als verloren zoon ingehaald. Integendeel. De schoenwinkel van zijn vader is in handen gevallen van NSB-er Hilbrandt die er, zelfs ná de bevrijding, ongehinderd een Dietsche Boekhandel kan voeren. Wanneer Noach op het stadhuis zijn beklag doet, wordt hij door ambtenaren op straat gegooid. Uiteindelijk vordert hij zijn winkeltje, dat in een paar decennia zal uitgroeien tot het eerste warenhuis van Assen, met geweld terug. Door vervolgens de rijkste zakenman van de streek te worden en drie wolken van dochters op de wereld te zetten neemt hij wraak voor zijn vermoorde familieleden. Maar zijn succes kan de leegte die hem in toenemende mate vult niet wegnemen. Daar staat tegenover dat hij één ding heeft bereikt: door te overleven en zijn stempel op Assen te drukken, denkt hij zijn nakroost te hebben beschermd voor een herhaling van wat er veertig jaar geleden is gebeurd.
Het besef dat er mede dankzij mensen als Jacob Noach mogelijk iets veranderd is in het xenofobe Assen wil niet doordringen tot Marcus Kolpa, de meest pathetische figuur uit Dis. Aan het slot wordt gesuggereerd dat hij wellicht de buitenechtelijke zoon van Noach is, maar hij heeft niet diens vechtlust en overlevingsdrang meegekregen. Hij is de gekwelde antiheld, die de oorlog van zijn moeder nooit heeft kunnen verwerken en worstelt met zijn joodse herkomst in een door antisemieten bevolkte wereld. Drenthe is een ‘schuldig landschap’, een begrip dat Möring zonder bronvermelding overneemt van Armando.
Marcus, sinds enige jaren journalist te Amsterdam, voelt zich ontgroeid aan de provincie (al gebruikt hij typisch provinciale woorden als ‘pantalon’), hij denkt dichter te zijn (maar heeft lang geleden slechts één gedicht geschreven), waant zich een intellectueel (en blijft een ploeterende autodidact). Aan een Italiaanse vriendin die op haar motor eens per jaar Assen aandoet en met Dante is opgegroeid, legt hij nog maar eens uit waarom hij Assen Dis noemt. ‘In het Inferno, herinner je je dat, komen Dante en Vergilius in de stad van de hel [...] Dis , de stad in de hel, waar alle zwaktes bijeenkomen, een getrouwere afspiegeling van de wereld is er niet.’
Hier aangeland, bekroop mij het idee dat in Dis ‘alle zwaktes bijeenkomen’ waar een roman aan kan lijden. Een puzzeltocht door de wereldliteratuur levert geen zoektocht in de hel op. Ik raakte soms hopeloos verdwaald in dit woud van woorden. De grillige vormen en de poëtische taal dwingen soms ontzag af, maar te weinig om de roman zeggingskracht te verlenen. Möring roert in de odyssee van zijn personages universele thema’s aan, maar zelf blijft hij aan de oppervlakte. Wanneer Marcus nadenkt over Homerus’ Odysseus komt hij tot de conclusie dat de held geen tocht door de wereld maar een innerlijke reis maakte. Dat is een cliché, zoals de figuur van Jacob Noach, de rijkgeworden holocaust-overlevende, ook een cliché is. Hoe dan ook, aan een ‘innerlijke reis’ komen beiden niet toe. Ook al denkt Marcus dat hij een gemankeerde Odysseus is – ‘een schlemielige jid die niets overwint dan zichzelf en niets ontdekt dan wat om hem heen is’ – we zien en voelen niets van die vermeende zelfoverwinning.
In Dis is alles vorm, decor, buitenkant. En alles is niets, zegt de schrijver zelf. We dringen niet door in de hel, noch laten de zielen zich aan ons zien. Wat Möring ook aan stijlmiddelen, grafische grapjes en literaire verwijzingen in stelling brengt, Assen wil maar geen Dis worden en ook geen Dublin. De lange interpunctieloze passages komen op mij over als een moeizame verwijzing naar de stijlvormen van Joyce. Er is niets op tegen als een schrijver zich laat inspireren door grote voorbeelden, maar Möring heeft zich daar te zeer door laten leiden om nog te kunnen verrassen of choqueren. Bij herhaalde lezing kun je poëzie vinden in het experimentele proza van Dis, maar ook flauw maakwerk en overdreven mooischrijverij en regelrechte krompraat. Wat bij dat alles het meest stoort zijn de overstatements en de behoefte die tot vervelens toe uit te leggen.
Möring moet bij het schrijven van dit boek zelf een hellegang hebben doorgemaakt. Hij heeft een grote greep willen doen, een meesterwerk willen scheppen, maar hij leidt de lezer niet verder dan tot in een voorgeborchte. Heimwee beving me ook naar Mörings eerdere boeken, die dezelfde thematiek bevatten als Dis, maar authentiek zijn en volledig op eigen benen staan.
[streamer:Assen wil maar geen hellestad worden, en ook geen Dublin]

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.