Een en al oor, alleen maar klank

In Contrapunt laat Anna Enquist muziek en de rest van haar oeuvre samenvloeien

Je kunt op de boeken van Anna Enquist van alles aanmerken, aanstellerig of onecht zijn ze nooit. En haar relativerende humor zit ook in haar nieuwe roman, over muziek en rouw.
Anna Enquist: Contrapunt. De Arbeiderspers, 204 blz. € 18,95. Binnenkort verschijnt ook een luisterboekversie met opnames van de Goldbergvariaties door Ivo Janssen. Rubinstein, € 24,95

Een paar weken geleden stond ineens in de krant dat Anna Enquist was gestopt met schrijven. Een interview in Opzij naar aanleiding van haar nieuwe roman, Contrapunt, was de bron van een nieuwsbericht waarin nadrukkelijk sprake was van een ‘slotakkoord’ en een ‘laatste boek’: „Het is met schrijven denk ik gewoon wel klaar.” Een dag later werd het bericht gerelativeerd door Enquist zelf, die enigszins geprikkeld meedeelde dat zij zoiets niet had bedoeld te zeggen.

In een eerder interview, na verschijning van haar vorige roman, De thuiskomst (2005), viel al iets vergelijkbaars te lezen. „Het is klaar, ik hoef niet meer.” zei Enquist toen. Haar onderwerpen waren op. Het enige waar ze nog op hoopte was dat ooit iemand, „over een eeuw of zo”, een mooie roman zou schrijven over haar overleden dochter. Na drie jaar was haar geduld al op, dus toen schreef ze die roman maar gewoon zelf.

Opmerkelijk is intussen de formulering waarmee zij lucht gaf aan haar ergernis over het nieuwsbericht. „Een schrijver is geen voetballer,” zei ze. „Schrijvers kondigen zelden het einde aan van hun carrière.” Dat zij zich vergelijkt met een voetballer, is veelzeggend. Anna Enquist is graag one of the guys. Zo maakt zij als enige vrouw deel uit van het herengezelschap rondom het voetbaltijdschrift Hard gras, dat met een busje door Nederland toert en in verschillende theaters een programma brengt met voetbalverhalen en -gedichten. Haar hang naar mannelijkheid, naar ferme uitspraken, valt ook af te lezen aan haar martiale gedichten en aan haar hoekige proza. In dichtbundels als Soldatenliederen (1991), Jachtscènes (1992) en De tussentijd (2004) wordt veel gehold, gestampt, gejaagd, gestormd, geranseld, geroffeld, gesmeten en geslagen. Ogenschijnlijk gezeglijk loopt men er over de paden, maar wel met ‘een zware granaat in de jaszak’, zoals het in een van de geduchte verzen heet.

Haar romans en verhalen bieden vaak een grimmige aanblik. De eerste zin van Het meesterstuk (1991) zet al meteen de toon: ‘De goudvissen hebben hun jongen opgevreten.’ In dit freudiaans gekleurde familiedrama gaat het er hard aan toe. Twee broers staan elkaar, na het vertrek van hun vader, naar het leven om de gunst van hun moeder. Zij probeert de tweespalt door allerlei machinaties nog te vergroten, maar moet dat uiteindelijk bekopen met een hartaanval. Ook in Het geheim (1997), haar tweede roman, worden oude familierekeningen vereffend. Een heftige scène uit het begin kleurt de hele geschiedenis. Beschreven wordt hoe de hoofdpersoon, als baby, meteen na de geboorte op de moeder aanvalt: ‘Een intens ongenoegen, diep van binnen, de kern. Een gemis dat de mond wijd opentrekt, een verlangen dat een schreeuw wordt. Schrik. Stilte. Dan weer de pijnlijke leegte die uitgeschreeuwd moet worden. Brullen, slaan met de nieuwe handen door de lucht [...]. Slaan tegen dat zachte en warme, de mond voegen om wat daarvoor gemaakt is, beuken en slaan, slaan, slaan tot de leegte volloopt met vervulling van wiegen, zuigen en zingen.’ Geen idylle, kortom, deze kennismaking met de moederborst, maar een worsteling om in leven te blijven. Geen wonder dat het met Wanda, zoals het meisje heet, nooit helemaal goed zal komen – niet met haar carrière als pianiste, niet met haar huwelijk, niet met haar ouders.

Inboorlingen
Weinig idyllisch was ook De thuiskomst (2005), een historische roman over Elizabeth, de vrouw van de Engelse ontdekkingsreiziger James Cook. Zij bracht haar leven wachtend door – op zijn thuiskomst, die tenslotte uitbleef omdat hij tijdens zijn laatste reis door inboorlingen werd vermoord. In sobere, schrijnende bewoordingen viel te lezen hoe Elizabeth niet alleen haar man, maar ook haar minnaar en al haar zes kinderen ruimschoots overleefde.

Het oeuvre van Anna Enquist vormt dus een weerbarstig geheel, met veel strijd, verdriet en sombere vooruitzichten. Steeds terugkerende thema’s: moederschap, verlatingsangst, kinderdood, psychiatrie, muziek, de man met de zeis. Terugkerende verwijten: te gedetailleerd, te wijdlopig, te uitleggerig en te therapeutisch. Opmerkelijk is ook dat haar proza, de vele verwijzingen naar zang, dans en muziek ten spijt, zo weinig muzikaal of lichtvoetig is. De voortgang is eerder stroef en hortend dan vloeiend of soepel. Maar wat je er ook allemaal op aan zou kunnen merken – aanstellerig of onecht zijn haar verhalen nooit. Er gaat een Maarten ’t Hart-achtige charme uit van dit knoestige, sympathieke werk, dat in de smaak valt bij een breed lezerspubliek. En al is het misschien wat zwaar op de hand, humorloos is het zeker niet. Tussen de zwarigheden door ontglipt Enquist meer dan eens een stoere uitdrukking. Dan heeft iemand ineens een ‘houten kut’ van het fietsen. Of wordt van een oude dame gezegd dat zij een wil heeft ‘als een motorzaag’. Of wordt een concertvleugel, die met een takelwagen wordt verhuisd en een tijdlang in de lucht bengelt, oneerbiedig vergeleken met een ‘zwartgeblakerde karbonade’.

Dat soort relativerende humor zit ook in Contrapunt, een soort dubbelroman, gewijd aan een dochter die bij een verkeersongeluk omkomt en aan de Goldbergvariaties van Bach. Enquist beschrijft hoe haar alter ego, die ‘de vrouw’ of ‘de moeder’ wordt genoemd, zich stort op de pianostudie van de aria met de dertig lastige variaties. Bach zou zijn variaties rond 1740 hebben gecomponeerd uit verdriet om zijn overleden zoon Bernhard. De vrouw probeert op haar beurt te ontkomen aan gekmakende gedachten over haar overleden dochter, door de virtuoze stukken zo goed mogelijk te leren spelen. Hoe moeilijker de noten, hoe groter de afleiding en hoe afweziger de gedachten. Ze voelt zich verwant met Bach, die opnieuw wilde beginnen, maar die tegelijkertijd ‘met zijn poten door het stroperig verleden’ waadde. ‘Hij kende de perverse onbetrouwbaarheid van het leven, wist dat niets en niemand bescherming bood tegen verlies.’ Met behulp van de muziek probeert ze greep op het smartelijke verleden te krijgen, waar zijzelf ook met beide poten in rondbaggert. Een vierstemmige fuga herinnert haar aan de vroegere vierkoppigheid van het gezin. De heldere lijnen van de derde canon doen haar denken aan haar dochter toen ze twaalf was en nog net niet in de puberteit. De onrustige noten in variatie 17 voeren haar naar de Zweedse hooiberg met ritselende muizen, waarin haar dochter ooit sliep met een vriendje.

Gemelijke fugaatjes
Het is de eerste min of meer rechtstreekse poging van Enquist om muziek en literatuur te laten samenvloeien, om klank en woord, oor en verstand een verbinding aan te laten gaan. Een toch wel wat moeizame verbintenis, zo lijkt het. De roman als geheel is net niet helemaal in evenwicht. De overwegingen over de variaties, over ‘gemelijke fugaatjes’, of over ‘het uitzonderlijk duffe thema’ van variatie 24, dat haar aan rollators en verpleeghuizen doet denken, zijn interessant en geestig. Maar het is jammer dat het hoofdstukjes apart blijven met een notenbalk erboven (de eerste drie maten van elk van de 32 onderdelen van de Goldbergvariaties) en soms net iets te veel theorie: de halve secunden, de neerdalende sequensen, de gepuncteerde ritmes, dubbelslagen en voorhoudingen halen de vaart uit het verhaal, zeker als je, om het wat concreter en hoorbaarder te maken, een cd met Goldbergvariaties erbij opzet.

Daarentegen zijn de herinneringen die de vrouw, geïnspireerd door Bach, in willekeurige volgorde ophaalt, verrassend luchtig en losjes geformuleerd. Hier is geen therapeute aan het woord, geen muziekpedagoge, geen wijze oudere vrouw. Hier spreekt een moeder die het allemaal niet zo goed weet, ook al niet toen haar dochter nog leefde. We zien het meisje als baby, als blokfluitiste, als populair schoolmeisje, als gevoelige en inlevende vriendin, als vakantiegangster, als gemankeerde zangeres, als prille kamerbewoonster met aanpassingsproblemen, als afgestudeerde, als verkeersslachtoffer uiteindelijk ook – maar vooral zien we haar als dochter die reddeloos verknocht was aan haar moeder en de moeder zo mogelijk nog meer aan haar. Moeder en dochter: dat zijn de twee stemmen (een alt en een sopraan) waar alles om draait in Contrapunt, twee stemmen die elkaar imiteren, bijvallen of tegenspreken, die elkaar uit de weg gaan en weer samenkomen.

Het liefst zou de moeder, die de kunst van het loslaten nog steeds onder de knie probeert te krijgen, ‘een en al oor’ zijn, alleen nog maar klank. Dan zou er, meent ze, in haar beschadigde brein weer harmonie kunnen gaan heersen, ‘niets dan harmonie’. Maar ze weet ook dat ze aan klank alleen niet genoeg heeft. Ze heeft ook woorden nodig, om haar dochter te kunnen herdenken en vereeuwigen. En al is het resultaat van haar inspanningen, naar eigen zeggen, niet meer dan ‘een mager residu’, dan heeft ze toch liever dat restant, dan ‘de woordeloze ellende’ waaronder ze aanvankelijk gebukt ging.

Daarom denk ik niet dat Enquist zich de komende jaren alleen aan de muziek zal gaan wijden. Te veel klank, te weinig expressie. Na een titel of vijftien kennen we haar ongeduldige temperament wel zo’n beetje. Vroeg of laat zal ze weer behoefte krijgen aan betekenis, aan woorden, aan een mooi verhaal. We wachten de volgende roman van Enquist dus maar rustig af.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.