Een overdaad aan voorspel
De opmars van kind en kinderlijkheid in Nederlandse debuten
Het kind is aan het woord in de letteren. Debuut na debuut wordt volgebabbeld vanuit het perspectief van peuters, kleuters of pubers. Hun infantiele onschuld is een veilige vlucht uit een verwarrende wereld. Maar wat hebben ze te vertellen?
Alex Verburg: Het huis van mijn vader.De Arbeiderspers, 200 blz. €13,95Remke van Veelen: Ellen Ellen. Vassallucci, 149 blz. €14,95Kees-Jaap Klijn: Mijn broer.Bert Bakker, 144 blz. €13,95Elise van Kleef: Paviljoen Eikman. Contact, 268 blz. €16,50Henk ten Berge: Vaders van tien. Bzztôh, 159 blz. €11,25
De wijn is moedermelk geworden, de cocaïne vervangen door poedersuiker, woeste seks teruggebracht tot een kusje op de navel en de verbale agressie is gesmoord in allesverslindende vertedering. De Nederlandse letteren gaan steeds meer op een kinderfeestje lijken. Het krioelt van de kinderen en pubers, de rol van de volwassenen is teruggebracht tot voedselvoorziening (koekjes serveren) en transport (met de auto terug naar huis). Het is deze jeugdige wereld die oprijst uit het werk van nieuwe Nederlandse schrijvers.
Dit jaar stromen de debuten naar de winkel waarin geen hoofdpersoon van boven de twintig voorkomt: Alex Verburgs Het huis van mijn vader is gewijd aan de liefde tussen een jongen voor zijn volwassen bijlesleraar, in Kees Jaap Klijns Mijn broer worden twee adolescenten door hun vader hardhandig de American dream ingejaagd, in Henk ten Berges Vaders van tien transformeert het jongensclubje Tuinieren is Prettig zich tot een verzetsbeweging tijdens de Tweede Wereldoorlog, in Elise van Kleefs Paviljoen Eikman maakt een jonge studente een tocht door de psychiatrie en in Remke van Veelens Ellen Ellen probeert de hoofdpersoon de dood van een aan anorexia gestorven vriendin te verwerken.
Vanwaar al die kinderen? Niet omdat de beginnende auteurs zelf nog halve kinderen zijn. Van Veelen werd geboren in 1978, maar de anderen hebben de jaren des onderscheids al ruimschoots bereikt. Klijn is van 1964, Verburg kwam in 1953 ter wereld, Van Kleef behoort afgaande op haar foto tot dezelfde generatie en Ten Berge heeft zelfs de oorlog meegemaakt. Het zijn volwassen mensen die willens en wetens door de knieën zakken, de volwassenen laten voor wie ze zijn en radicaal het perspectief van hun jonge helden kiezen, en die in eerste persoon hun verhaal vertellen.
Dat het zoeken naar de woorden die een kind zou gebruiken stilistische virtuositeit lelijk in de weg zit, nemen ze voor lief. Mogelijk omdat kinderlijke naïviteit een nuttig stijlmiddel is om taboes aan te roeren. `Ik voelde dat ik een kleur kreeg', laat Verburg zijn jonge hoofdpersoon zeggen als zijn volwassen leraar hem over de rug aait. `Niemand had dat ooit bij mij gedaan. Niet zo. Maar nu ik het weet, vind ik het niet erg meer.' Of om een komisch effect te bereiken: `Tussen haar benen glinstert een wonderlijke, vochtige en angstaanjagende mond. Ze ademt onrustig. Ik weet niet goed wat er van mij wordt verwacht' (uit Mijn broer). Een volgende reden is een van de bekendste uit de romankunst: de auteur wil iets kwijt over de eigen jeugd.
Daarnaast is schrijven over een kind schrijven over onschuld, en onschuld wekt vertedering op. Het kind komt net kijken in de wereld, een beetje timide, maar niettemin veelbelovend. `Wat er gaat gebeuren weet ik niet. Ik heb het gevoel dat er wel eens iemand op mij zou kunnen wachten', luiden de beginzinnen van Ellen Ellen. Ze ademen de bescheidenheid die een nieuweling past. Want piepjong mogen deze debutanten niet zijn, ze zijn wel nieuw in de literaire wereld en die boezemt bij voorbaat nogal wat ontzag in. Dus kiezen debutanten steeds vaker voor tweehonderd pagina's kinderlijke onschuld, in plaats van een vuistdikke filosofische roman of een frontale aanval op de grote levensvragen.
Dat is ook een teken des tijds. Onzekerheid die leidt tot een verlangen naar onschuld is een fenomeen dat de literatuur overstijgt. Kinderen en kinderlijkheid duiken overal op. Het aan de jaren negentig gewijde themanummer van De Groene Amsterdammer bevatte vorige week een essay van de Engelse schrijver Michael Bracewell, `We zijn nu allemaal grote kinderen', waarin hij signaleert hoe in de zoektocht naar een middel tegen de ideologische chaos van de jaren negentig `een complete generatie consumenten de vroeg-middelbare leeftijd bereikt met de infantiele reflex om zich te omringen met kleine veilige, eenvoudige dingen die hen aan hun kinderjaren herinneren – Toys Are Us'.
Bracewell heeft het over `de wraak van de infantilisten op het matzwart en geruwd staal van de jaren tachtig' en `een zekere populariteit van retro-kitsch, die voortkomt uit de kindertijd en vroege puberjaren van mensen die nu ergens in de dertig zijn, en die zich openbaart in dingen als koelkastmagneten voor volwassenen [...], zeep die naar kauwgom ruikt, verzamelingen Japanse robots en Thunderbird-modellen'. We willen terug naar de heerlijke onbezorgdheid van de kindertijd, al is het maar om verlost te worden van de vermoeiende, met ironie bepantserde levenswijsheid die de ontnuchterde volwassene meevoert. Bracewells `infantilisten' willen, kortom, weer naïef en onschuldig worden.
Datzelfde verlangen is, met pedofilie als tegenwicht, het hoofdthema van Het huis van mijn vader, waarvan de cover wordt gesierd door een jeugdfoto van de auteur, Alex Verburg. Hoofdpersoon Floris van Zevenhoven moet wel een kind van grote schoonheid zijn, want steeds weer weet hij mensen uit zijn omgeving voor zich te interesseren: meisjes van school, buurmeisjes, kennissen van zijn zus – maar ook automobilisten, de uitbater van een modezaak en vooral zijn bijlesleraar. Deze prachtige man moet de ongeveer veertienjarige Floris voor zittenblijven behoeden, maar wordt verliefd op hem. Floris – zijn vader is net dood – beantwoordt de liefde. Het boek is interessant doordat Verburg de naïviteit van Floris en de schoonheid van de liefde van begin tot einde laat overheersen. Zoals Tessa de Loo het zegt in de door de uitgever verstrekte persinformatie: `Het huis van mijn vader is een ontroerende geschiedenis over onschuld: hoe je die kunt bewaren, zelfs als je haar verloren hebt.'
Helaas laat juist de blijvende onschuld van Floris het boek uiteindelijk zachtjes leeglopen. Want het interessantste van een relatie tussen een volwassen man en een jongen is wat er gebeurt als de jongen ouder wordt. Wil hij de man dan nog? Wil de man hem nog als er overal haar op hem gaat groeien? Dat schreeuwt om een dramatische wending van de plot – en die onwikkeling komt er niet. Sterker nog, het boek eindigt door een kunstgreep (een dodelijk auto-ongeluk) in een anticlimax.
Een slappe plot deelt Het huis van mijn vader overigens met het gros van de moderne `kinder'-debutanten – en trouwens ook met degenen die niet over kinderen schrijven. Het maken van een goede plot is voor de overgrote meerderheid van hen een te zware opgave. Personages en stijl van de debutanten zijn meestal redelijk in orde, zonder uitschieters naar boven of beneden, maar steeds belanden de boeken na vijftig tot honderd pagina's in het niets. Waarom dan al die moeite?
Bij Paviljoen Eikman van Elise van Kleef is het antwoord op die vraag wellicht het verlangen de psychiatrie de maat te nemen. Want die komt er niet goed vanaf in de geschiedenis van de jonge studente Eva de Liefde. Die is aanvankelijk nog niet klaar voor het grotemensenleven en voor zover ze dat ruim 200 pagina's verder wel is, heeft ze dat nauwelijks te danken aan haar artsen. Ze wordt in het begin van het boek door een man aangevallen in de deuropening van haar huis en stort vervolgens in. Wat dan volgt is een bloedserieuze, lang uitgesponnen beschrijving van het verblijf in een psychiatrische inrichting en later van de therapieën in een dagcentrum. De onbedoeld komische en kinderlijke wanen van Eva zorgen hier en daar voor enige verlichting, al wordt die al snel tenietgedaan door de akelige omgeving van de professionals die Eva normaal moeten maken. Met horten en stoten krijgt ze haar verstand terug, precies op het moment dat ze besluit het zonder pillen af te kunnen: ze heeft uiteindelijk het normale leven bereikt – als een kind genietend van de aanschaf van een komkommer op de markt.
Maar de hang naar jeugdige onschuld en kindertijd levert de literatuur meer op dan koelkastmagneten, roeien in het riet of geluk aan een marktkraam: jongeren maken ook wel eens iets mee dat wél uitstekende romanstof is. Zo is Remke van Veelens Ellen Ellen bij mijn weten de eerste Nederlandse anorexiaroman. Aan die ziekte bezwijkt de Ellen uit de titel, terwijl ook de vertelster, haar beste vriendin Elke, eraan lijdt, zij het dat onduidelijk blijft in welke mate. Na de dood van Ellen trekt Elke (zoals wel meer jongeren) naar Australië om weer enigszins tot zichzelf te komen, wat mede lukt dankzij de fysieke aanhankelijkheid die twee jongens en een meisje haar betonen. Wat de seks betreft: in deze vijf debuten is de onschuld ook in het seksuele allesoverheersend: lange lichamelijke verkenningen vol lieflijkheid en een overdaad aan voorspel.
De niet altijd overtuigende avonturen in Australië zijn door Van Veelen afgewisseld met het verslag van de ziekte. Daarin geeft ze een weinig opwekkend, maar indringend beeld van de bizarre anorexia-logica, waarbij de meisjes iedere moederlijke aansporing om een koekje (en uiteindelijk om het even wat) te eten zien als een gevolg van vetzucht van die moeder: `Het is een opmerking van iemand met te veel vet. Ze praat vanuit het vet.' Elke is degene die een mateloze bewondering koestert voor Ellens vermogen te vermageren, iets dat haar zelf niet lukt. Dat falen maakt haar in haar kinderlijke naïviteit doodongelukkig, maar redt wél haar leven.
Bracewell heeft het in zijn essay over een steeds complexere en gevaarlijker maatschappij, die maakt dat men `de voordelen van de kindertijd – priklimonade, stripverhalen, Spacehoppers, snoep, malle sokken en speelgoed – als bron van inspiratie ging zien'. Tegenover de voordelen van de kindertijd, staat echter in de dagelijkse praktijk van échte kinderen een reusachtig nadeel: de ouder. Geheel volgens de infantilistische logica van Bracewell blijkt het generatieconflict in Het huis van mijn vader, Paviljoen Eikman en Ellen Ellen niet te bestaan. Het probleem `ouder' wordt in vriendelijkheid gesmoord. Ouders zijn in deze boeken een begrijpende, verzorgende diersoort zonder kwaad in de zin. Hetgeen nogal contrasteert met de beleving van een kind of adolescent in het dagelijks leven, waarin ouders voornamelijk hindernissen zijn op de weg naar in kinderogen werkelijk belangrijke zaken. Kinderen mogen als onschuldig worden gezien, of ze onschuldig willen zijn is een heel andere kwestie.
De laatste twee debuten, Kees-Jaap Klijns Mijn broer en Vaders van tien, het deels op zijn eigen jeugdherinneringen gebaseerde debuut van Henk ten Berge, putten hun grootste kracht juist uit de afkeer van kinderlijkheid van de hoofdpersonen. Zij willen helemaal geen onschuldige kinderen zijn. De ondertitel van Vaders van tien benadrukt nog eens wat de titel al aangeeft: `Verhaal van een jeugd die even volwassen mocht zijn'. Ingebed in latere herinneringen van de hoofdfiguur, waarin de verschrikkingen van de oorlog uitgebreid tot hun recht komen, is het grootste deel van Vaders van tien een opgewekt relaas van tienjarigen die genieten van de vrijheid die de Duitse bezetting hun biedt. Rieks Hogenbirk, die kort voor de oorlog TIP – `Tuinieren is prettig' – opricht, een jongensclubje dat Alkmaarse tuinen helpt opknappen, weet zich samen met zijn vrienden wel te vermaken in de oorlog, al is het maar omdat ze de rododendrons uit de tuin naar soldaten kunnen brengen die de daarachter verscholen moffen kunnen beschieten. Na het schieten gaan de jongens in het `verzet' – soms met enige overschatting van hun taak, maar af en toe ook werkelijk belangrijk, bijvoorbeeld in het waarschuwingssysteem waarmee de komst van Duitse soldaten naar de wijk wordt verspreid. Na het uitbreken van de vrede keren de mannen terug uit hun schuilplaatsen en worden de kinderen weer onmachtig onder de knoet van de volgroeiden. `Zó jong waren we nog en onze rol in de wereld leek al weer te zijn uitgespeeld.'
Harder nog is de confrontatie tussen de generaties in Mijn broer, het bizarre debuut van Kees-Jaap Klijn. Een vader en zijn twee zoons (moeder is dood) trekken naar Amerika om de Amerikaanse droom van vader te verwezenlijken. De jongens zijn mordicus tegen, wat bij de broer van de verteller leidt tot een agressief Nederlands nationalisme, pogingen om Amerikaanse klasgenoten de poëzie van Vondel door de strot te duwen (`Shakespeare is volgens hem een proleet') en later tot brandstichting, vandalisme en een poging een Nieuw Nederland te stichten. Papa, intussen, weigert zijn kinderen nog langer bij hun Nederlandse naam te noemen en gebruikt in plaats daarvan nieuwe Engelse namen, onder het motto: `Wij trekken ons aan onze eigen haren uit de klei en vestigen ons in het hart van de moderne wereld'. Dat blijkt Nebraska te zijn.
Het Amerika dat Klijn beschrijft is een woeste combinatie van blonde vrouwen, vieze cafés, godsdienstwaanzinnige mormonen, strenge politieagenten en straalbezopen indianen. Maar voordat een van de clichés werkelijk stoort, is Klijn alweer op weg naar een volgende ontwikkeling, tot alles tot stilstand komt in een definitieve confrontatie tussen de broer en de vader. Erg veel wijzer ben je als lezer dan niet geworden, maar zeker in het gezelschap van zoveel lieflijke kinderlijkheid is het goed een boek te lezen waarin ouders en kinderen – en ook andere figuren – elkaar met passie naar het leven staan.
In de boeken van Klijn en Ten Berge komt duidelijk naar voren wat Bracewells `infantilisten' en de onschuldzoekende schrijvers over het hoofd zien. Het mag ouderen dan aantrekkelijk lijken om kind te zijn, kinderen zelf – en zeker adolescenten – denken daar anders over. Zij worden aan één stuk door tegengewerkt, dwarsgezeten, gehinderd en gepest door ouders en andere volwassenen. Dat vraagt om maatregelen, om een tegenaanval.
Precies hetzelfde geldt voor de verhouding tussen de `gevestigde' literatuur en de debutanten. Zoals kinderen de grotemensenwereld vrezen, kunnen zij bang zijn voor de nieuwe wereld die zij op het punt staan te betreden. Die heeft op het eerste gezicht veel weg van een oerwoud waar zich achter ieder stukje groen een criticus kan verschuilen, gewapend met machete of kettingzaag – klaar om de nieuweling aan mootjes te hakken. Of als een eindeloze lege steppe, waar niemand je komst ook maar lijkt op te merken: geen criticus, geen lezer die niet al tot je kennissenkring behoorde en daarnaast onzekerheid over de kwaliteit van het boek.
Dat vooruitzicht kan aansporen tot nederigheid, die ook al te zeer te vinden is in twee verwante debuten over wat oudere mensen die weigeren volwassen te worden: Peter Middendorps Noordeloos, over een drinkende dorpsjongen die zichzelf voor een leerling-verzetsheld (opa was een echte) houdt, of Saskia Profijts Braaf meisje over een onderwijzeres die het zeuren tot kunstvorm heeft verheven – maar dat terzijde. Nederigheid leidt echter rechtstreeks naar Ten Berges `Zó jong waren we nog en onze rol in de wereld leek al weer te zijn uitgespeeld', en dat kan de bedoeling niet zijn. Respect mag, maar onbescheidenheid moet de kern zijn. Die kinderlijke bescheidenheid staat in deze boeken steeds weer de passie in de weg. Desnoods moet de hele letterenjungle in lichterlaaie worden gezet. Open de aanval! Want op onschuld zit de literatuur niet te wachten.
Als hij bij mijn tafeltje is en zich over mij heen buigt, legt hij vaak zijn hand even tussen mijn schouderbladen en streelt over mijn rug naar beneden, en dan weer langs mijn zij omhoog. `Het gaat goed hoor', zegt hij zachtjes.
Uit Alex Verburg: Het huis van mijn vader
Ik mag naar huis. Voor het eerst sinds ik in Paviljoen Eikman ben, mag ik een dag naar huis. Ik heb me mooi aangekleed. Mijn broek met de wijde pijpen heb ik aan en mijn bloemetjesblouse. Ik sta te popelen achter de deur tot mijn vader komt.
Uit Elise van Kleef: Paviljoen Eikman
Ik moet lachen als ik denk aan de mond van Ellens moeder die steeds weer open- en dichtgaat, drijvend in het vet. [...]
Mamma's mond kan ik me niet voorstellen druipend in het vet. [...] Mamma ziet niet dat ik afval. Ik val niet af.
Uit Remke van Veelen: Ellen Ellen
Ik wilde naar dat vliegveldje. Het was wel aan de andere kant van de stad, maar met een snelle autoped moest het in een kwartier te doen zijn. Een
bombardement! Dat maakte je misschien nooit van je leven meer mee.
Uit Henk ten Berge:
Vaders van tien
Ondertussen proberen we in het geheim achter het juiste
recept voor kroketten te komen. Het valt niet mee. Vooral dat bloempapje wil de ragout maar niet bij elkaar houden. [...] De kroket valt in stukken uit elkaar voor hij in het vet is gegooid.
Uit Kees-Jaap Klijn: Mijn broer
Als hij bij mijn tafeltje is en zich over mij heen buigt, legt hij vaak zijn hand even tussen mijn schouderbladen en streelt over mijn rug naar beneden, en dan weer langs mijn zij omhoog. `Het gaat goed hoor', zegt hij zachtjes.Uit Alex Verburg: Het huis van mijn vaderIk mag naar huis. Voor het eerst sinds ik in Paviljoen Eikman ben, mag ik een dag naar huis. Ik heb me mooi aangekleed. Mijn broek met de wijde pijpen heb ik aan en mijn bloemetjesblouse. Ik sta te popelen achter de deur tot mijn vader komt.Uit Elise van Kleef: Paviljoen EikmanIk moet lachen als ik denk aan de mond van Ellens moeder die steeds weer open- en dichtgaat, drijvend in het vet. [...]Mamma's mond kan ik me niet voorstellen druipend in het vet. [...] Mamma ziet niet dat ik afval. Ik val niet af.Uit Remke van Veelen: Ellen EllenIk wilde naar dat vliegveldje. Het was wel aan de andere kant van de stad, maar met een snelle autoped moest het in een kwartier te doen zijn. Eenbombardement! Dat maakte je misschien nooit van je leven meer mee.Uit Henk ten Berge:Vaders van tienOndertussen proberen we in het geheim achter het juisterecept voor kroketten te komen. Het valt niet mee. Vooral dat bloempapje wil de ragout maar niet bij elkaar houden. [...] De kroket valt in stukken uit elkaar voor hij in het vet is gegooid.Uit Kees-Jaap Klijn: Mijn broer
Besproken boek
- Mijn broer
auteur: Klijn, K.J.
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.
Besproken boek
- Mijn broer
auteur: Klijn, K.J.

