Een roeping is een misverstand
Kritische editie van de eerste romans van Willem Elsschot
Wanneer de schrijver Willem Elsschot precies ophield om jong te zijn is moeilijk te zeggen, maar laat was het niet. Vanaf zijn vroegste literaire werk bekeek hij de toekomst al alsof die voorbij was, zo blijkt uit de kritische editie van zijn eerste twee romans.
Willem Elsschot: Villa des Roses. Bezorgd door Peter de Bruijn. Athenaeum – Polak & Van Gennep. 234 blz. ƒ43,96Willem Elsschot: Een Ontgoocheling. Bezorgd door Peter de Bruijn. Athenaeum – Polak & Van Gennep. 120 blz. ƒ35,05De Parelduiker. 2001, 4/5. Bas Lubberhuizen, 176 blz. ƒ17,50
Kareltje is een gymnasiast die na drie jaar in de eerste klas te hebben gezeten zijn dagen nietsdoend op straat spendeert: ,,Hij deelde zijn leegloopen in met evenveel methode als een zakenman zijn bezigheden [...] Het openstaand mangat van een rioleering, een snoeiende tuinman in de boomen, het op de been helpen van een gevallen paard, niets ontging zijn aandacht en van op een afstand zag Kareltje hoeveel tijd er ongeveer mee om te krijgen was.' Later krijgt hij baantjes als klerk en loopjongen.
Kareltje heeft veel geleken op Alfons de Ridder (van 7 mei 1882 te Antwerpen). Die raakte op school gefrustreerd door de francofonie van het grootste deel van het onderwijs, werd wegens wangedrag in 1898 weggestuurd en besteedde zijn dagen vervolgens nietsdoend op straat. Wel had zijn leraar Nederlands hem toen al een grote liefde voor die taal bijgebracht èn een sympathie voor de Vlaamse beweging die zijn leven lang zou aanhouden.
En dat leven van de De Ridder, of althans dat van zijn pseudoniem Willem Elsschot, duurt tot op de dag van vandaag voort. Zonder veel concurrentie is hij de meest levende dode schrijver van het Nederlands taalgebied, ook al omdat zijn boeken door hun geringe omvang en grote amusementswaarde een permanente plaats op de leeslijsten van middelbare scholieren hebben. Een kwarteeuw geleden beklaagde Karel van het Reve zich nog over het geringe niveau van de Elsschotvorsing: ,,De publicaties over hem zijn heel dun en staan vol met stukjes van Vlamingen die schrijven dat je in zijn boeken veel geestige humor aantreft en van Hollanders die ons verzekeren dat achter zijn cynische stijl grote gevoeligheid schuilgaat.'
Kareltje is de hoofdpersoon van het boek dat uiteindelijk als Een ontgoocheling zou verschijnen. Aanvankelijk heette het `De Roeping', meldt de net verschenen `kritische leeseditie'. Toeval kun je de naamswijziging niet noemen. Een roeping is bij Elsschot eerst een misverstand en dan de opmaat voor de onvermijdelijke ontgoocheling. Of het nu de roep is om volvette Edammer kaas naar België te importeren (Kaas) of de avondlijke zoektocht naar het meisje Maria in het gezelschap van drie Afghanen (Het dwaallicht), uiteindelijk zenden de praktische bezwaren een man altijd weer naar huis, waar ter afsluiting een traan vloeit.
Bij vader en zoon De Keizer (een andere concepttitel van Een Ontgoocheling was `De familie De Keizer') is het eerste misverstand het bestáán van de roeping. Senior haalt zijn eigenwaarde uit het voorzitterschap van kaartvereniging De Lustige Whistspelers en zijn inkomen uit de fabricage van slechte sigaren. In de tweede zin analyseert Elsschot de mislukking: ,,hij werkte slechts met enkele menschen, had te weinig kapitaal en maakte geen reclame zoodat hij niet vooruit kwam in de wereld'. Vooruit komen, dat moet Kareltje dus doen. De advocatuur is zijn roeping, besluit vader na enig advies terzake te hebben ingewonnen bij zijn kaartvrienden. Kareltje meldt zich op het gymnasium. En als De Keizer drie jaar later op school wordt geroepen, blijkt dat zijn zoon nog steeds in de eerste klas zit. Vooral omdat hij geen Frans spreekt, de taal waarin de meeste lessen worden gegeven. Thuis heeft Karel er niets over verteld, zoals zijn vader op de kaartclub de mislukking van zijn zoon beschaamd verzwijgt. Kareltje overleeft de pesterijen die hem ten deel vallen. Zijn vader wordt intussen vernederd door zijn clubgenoten en bezwijkt aan een leverkwaal. Moeder weent in de soep.
Aan het einde van het verhaal valt er weinig te voorspellen over de toekomst van Kareltje. Hij zal zich wel staande houden, maar al te veel moeten we toch maar niet van hem verwachten. Geen eigen roeping, onvoldoende karakter om vooruit te komen in de wereld en geen vader die hem dat laatste bij kan brengen. Hij is een adolescent die door het leven stapt als een oude man, zonder ambitie.
Willem Elsschot schreef Een Ontgoocheling rond 1913 en heeft er altijd met warmte over gesproken: ,,Dat uw voorkeur naar Een ontgoocheling gaat, bewijst dat het u aan litterair sentiment niet ontbreekt', schreef hij in 1950 aan een scholier. Toen hem werd gevraagd zijn beste boeken te noemen, voegde hij daar een P.S. aan toe: ,,Voor Een Ontgoocheling heb ik een grote liefde omdat het een stuk uit mijn leven is.'
Inmiddels verschijnen er vrijwel jaarlijks boeken met werk van of over de 41 jaar geleden gestorven schrijver, al dan niet op initiatief van het bloeiende Willem Elsschot Genootschap. Het Constantijn Huygens Instituut is begonnen met de publicatie van de `kritische leeseditie' van het Verzameld werk, waarvan Villa des Roses en Een Ontgoocheling de eerste delen zijn. Literair tijdschrift De Parelduiker wijdt deze maand een themanummer aan Elsschot, waarvan het belangrijkste artikel de `biografische schets' is, de eerste aanzet tot de grote biografie van uitgever en Elsschotpropagandist Vic van der Reijt.
Willem Elsschot heeft zijn oeuvre altijd beschreven als een `dagboek'. Maar als Kareltje de Keizer uit Een Ontgoocheling een zelfportret is, is het opmerkelijk dat de jongen geen spoor vertoont van de dadendrang die De Ridder nodig gehad moet hebben om zijn latere zakelijke succes te bereiken. Hoe weinig ambities had de zestienjarige Alfons de Ridder? Hoe oud was hij al?
Kareltje mist nóg iets dat zijn schepper op dezelfde leeftijd al heeft: belangstelling voor de kunst. De Ridder raakt verslingerd aan Nederlandstalige literatuur en vooral aan het werk van de Tachtigers. Hij sluit zich aan bij een groep anarchistische, kunstzinnige jongeren, drinkt stevig door, en schrijft op zijn achttiende een sonnet dat zijn vrienden de schellen van de ogen doet vallen. De beginstrofe luidt:
'k Heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen
aan al de passies van een menschenleven;
ik heb den beker huilend hoog geheven
en aangegaapt met lippen gulzig open.
Zijn latere toon heeft hij hier nog niet te pakken, maar het perspectief van het vers is opmerkelijk: deze achttienjarige schrijft over zijn jeugd als over een afgesloten hoofdstuk. Ook in andere verzen uit die periode lijkt hij vooral achterom te willen kijken, zoals in zijn eerste Moeder-gedicht (`Moeder, mij heugen de dagen maar nauw') en in het achteraf aan zijn geliefde Fine opgedragen sonnet `Ik heb u altoos zoveel leed gedaan'. Maar van een literaire loopbaan kwam het voorlopig iet, wegens praktische bezwaren: Fine werd zwanger. Op zijn negentiende werd De Ridder vader en schreef hij zich in bij de Antwerpse handelsschool. Er moest brood op de plank.
Met die daad van verantwoordelijkheid werd De Ridder nog niet dadelijk een braverik. Hij trouwde (nog) niet en zijn zondagse bezoekjes aan moeder en kind werden steeds schaarser. In 1906 vertrok hij voor een jaar naar Parijs. De weerslag van zijn avonturen aldaar is Villa des Roses, waarin de jonge, ongemanierde en onbehoorlijk veel drinkende jonge Duitser Grünewald het dienstmeisje Louise verleidt. (Het pseudoniem Elsschot is afgeleid van de naam van een bos bij het plaatsje Blauberg, vandaar Grünewald). Zij besluit tot een abortus en hij vertrekt naar een rijkere minnares. Karel de Keizer had het zo kunnen doen. Behalve een zeker verlangen en ook vermogen om zich staande te houden in de moeilijkheden op de korte baan, lijkt ook deze Grünewald niet veel van het leven te verwachten. Via zijn vader zal hij later wel ergens de leiding over krijgen.
Geen vriendelijk portret en voor zover autobiografisch, dus ook een zelfkastijding. Naar aanleiding van het gedicht voor de zwangere maar ongelukkige Fine signaleert Van de Reijt in De Parelduiker dat daar de spijt opduikt als thema om niet meer te verdwijnen. Op zijn vijfentwintigste had Alfons de Ridder al twee vrouwen zwanger en ongelukkig gemaakt. ,,Kort samengevat zijn levens altijd triest', schrijft Van de Reijt dienaangaande. Uit zijn onderhoudende artikel wordt overigens duidelijk dat de geplande biografie nog lang niet af is. De schets bevat maar weinig nieuws voor degene die bijvoorbeeld Van de Reijts aantekeningen bij de Brieven uit 1993 zorgvuldig heeft doorgenomen. Aan het onderzoek naar biografisch interessante gegevens als de feitelijke achtergrond van de gebeurtenissen in Villa des Roses (De Ridder zei jaren later nog wel eens in Parijs naar haar op zoek te zijn geweest), is hij duidelijk nog niet toegekomen.
In 1907 keert De Ridder uit Parijs terug en een jaar later trouwt hij Fine. In 1910 schrijft hij zijn gedicht `Het Huwelijk'. Van de Reijt houdt met de meeste Elsschotvorsers vol dat `maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad/ staan wetten in de weg en praktische bezwaren,/ en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,/ en die des 's avonds komt, wanneer men slapen gaat' geen autobiografische vertelling is, maar toch. Hier schetst een dertigjarige een toekomst waar niet veel meer aan te versleutelen valt. Zijn ambities zijn al overwoekerd: Verantwoordelijkheidsgevoel (noem het weemoed) heeft hem in een overzichtelijke positie gebracht. Zijn plaats zal aan het haardvuur zijn, al dan niet `een godvergeten vervaarlijke aanblik' biedend.
Zoals al in zijn vroegste gedicht schrijft hij in `Het huwelijk' over de toekomst alsof die al gebeurd is. Alle lichten zijn dwaallichten en we moeten overleven door de vermeende roeping de pas af te snijden. De acceptatie van de cyclus die van roeping tot ontgoocheling leidt, geeft Elsschot de ruimte om de wereld te zien met een blik waarin gevoel en cynisme elkaar in evenwicht houden. Daar ontstaat zijn tot in den treure geroemde, maar zeer slijtvaste ironie. Hij leeft mee, zonder in een ravijn van sentiment te tuimelen. En hij heeft pret zonder de allesvernietigende slappe lach te krijgen. Waarmee niet gezegd is dat het nooit misgaat bij Elsschot: de lezer in de toch al van openbare huilbuien vergeven eenentwintigste eeuw valt het onwillekeurig op hoe vaak Elsschots personages het niet droog houden. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat Elsschots emotionaliteit ooit als verborgen is beschouwd.
Intussen had Elsschot wél een daad bij de droom gevonden, en eentje waar je zonder ironie over kunt spreken: schrijven. ,,In kunst mag niet geprobeerd worden [...] Men probeert ook niet te baren. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren vanzelf, ten gepasten tijde', zei Elsschot ooit tegen Karel de Jonkheere.
Daar wordt een roeping geformuleerd, door iemand die meestal nonchalant sprak over de wortels van zijn schrijverschap. Zijn debuut, Villa des Roses, schreef Elsschot in drie weken op verzoek van collega en vriendin Anna Christina van der Tak. Uit de kritische editie blijkt bovendien de bemoeienis van andere vrienden, als de dichter Jan van Nijlen, die bij Elsschot aandrong op een aantal stilistische veranderingen. Eenmaal gepubliceerd werd Villa des Roses in Nederland warm onthaald, maar in België nagenoeg genegeerd wegens de zedenloze gebeurtenissen. ,,De `villa' is een slecht huis', meende de katholieke criticus M. Walre.
Terwijl de Eerste Wereldoorlog de zakenman De Ridder ernstig hinderde in zijn juist begonnen activiteiten aan La Revue Continentale Illustrée, de advertentiefuik die grote literaire faam kreeg als Het Wereldtijdschrift, bood de drukgeschiedenis van zijn boeken Elsschot geen reden tot troost. De Villa (1913) werd na acht jaar herdrukt en moest daarna twintig jaar wachten op een herdruk. Een Ontgoocheling moest na publicatie in een tijdschrift (in 1914) acht jaar op een eerste verschijning in boekvorm wachten en vervolgens dertien jaar op een tweede druk.
De eerste druk van Een Ontgoocheling, bij een anarchistische uitgeverij, stond ook nog vol met zetfouten. Waarschijnlijk had Elsschot zelf al niet meer de moeite genomen om het te corrigeren. Na de verschijning van Lijmen, in 1924, werd het stil. Zelf weet de schrijver dat altijd aan het feit dat het boek in Nederland nauwelijks verkrijgbaar was. Van de Reijt stelt dat Elsschot de zakelijke mislukking van Lijmen expres zwaar aanzette om zijn daaropvolgende zwijgen te rechtvaardigen, terwijl de stilte in werkelijkheid wordt veroorzaakt door de uitputting van zijn autobiografisch materiaal.
Het is de periode waarin dochter Ida bij de literatuurles op school moet ontdekken dat haar vader de schrijver Willem Elsschot is. In tien literatuurloze jaren veranderde Elsschot volgens haar van een jeugdige vader in een norse oudere man. Pas in de jaren dertig, aangemoedigd door Jan Greshoff en Menno ter Braak, schrijft Elsschot verder. En veel, als iemand die zijn roeping heeft teruggevonden. Hij publiceert Kaas (1933), Tsjip (1934), Pensioen (1937), De Leeuwentemmer (1939) en Het Tankschip (1941). En in 1934 een gedicht dat druipt van het mededogen, `Van der Lubbe', waarin hij de voor de Rijksdagbrand veroordeelde Nederlandse jongen in bescherming neemt, zonder ironie (`Jongen, met je hangend hoofd/ aan den beul vooruit beloofd,/ toen je daar je lot verbeidde/ stond ik weenend aan je zijde') en tussen de bedrijven door Van der Lubbes vaderland veroordelend (`Laat het stikken in zijn centen,/ in zijn kaas en in zijn krenten'). Een gedicht van medemenselijkheid, vond Elsschot: ,,Als het een fascist was geweest had ik hetzelfde geschreven.'
Na de oorlog verschijnt er nog één boek van Elsschot, Het dwaallicht, een novelle vol symboliek waarin zijn vaste alter ego Laarmans op de terugweg van kantoor naar huis drie Afghaanse zeelieden ontmoet die zoeken naar het meisje Maria van Dam. Laarmans gaat mee, deels omdat hij niet naar huis wil, deels gedreven door een verlangen naar de zonde en deels uit hulpvaardigheid. De drie mannen uit het oosten en de westerling vinden Maria niet. Wèl spreken ze over staatsinrichting en religie, eindigend in de gezamenlijke conclusie dat geen profeet er bezwaar tegen kan hebben dat de mens alvast op aarde gelukkig wordt. Elsschot is geen man voor een botsing van beschavingen maar, hoe kan het ook anders, van een gezamenlijk humanisme. En uiteindelijk weerstaat hij de verleiding om, eenmaal alleen, de zoektocht voort te zetten: ,,Kom, oude sater, het is genoeg.'
Het dwaallicht is een mooie afsluiting van zijn oeuvre, maar het is de vraag of Elsschot het boek zo bedoeld heeft. Hij werkte nog aan een vervolg op Het Tankschip, toen de naoorlogse jacht op van collaboratie verdachte Vlaamse nationalisten in België zijn rust verstoorde. Preciezer: de terechtstelling van August Borms, collaborateur en flamingant, die op krukken voor het vuurpeloton werd geplaatst. Elsschots verontwaardiging over de buitensporige vervolging van de flaminganten én de inhumane doodstraf maakten dat hij zich geroepen voelde iets te doen. Hij schreef het gedicht `Aan Borms', waarin hij het voor Borms opnam, en net als in de zaak Van der Lubbe wederom zonder ironie. Zeker in de eerste versie was het vers ook sterk Vlaams-nationalistisch. Op de valreep had hij zich weer een roeping op de hals gehaald.
Dus volgde de ontgoocheling. De geschiedenis van het gedicht wordt in De Parelduiker precies nagezocht door Wieneke 't Hoen: Elsschot bood de ziedende, eerste versie aan het flamingantentijdschriften Rommelpot aan. Dat publiceerde het pas twee jaar nadien, in 1949, nadat dat blad flink was geradicaliseerd. Elsschot kreeg een storm van kritiek over zich heen.
Zelf was hij vooral kwaad omdat hij het vers inmiddels gematigd en verbeterd had. En `Aan Borms' ging hem zeer aan het hart. Simon Carmiggelt vertelde hoe Elsschot Borms aan hem uit het hoofd reciteerde: ,,Hij deed het simpel, met een zachte, telkens door ontroering verstikte stem. Toen hij de laatste regels had uitgesproken keek hij mij aan met de ogen vol tranen.' De afwijzing van het vers dat voor hem zo uitdrukkelijk uit een roeping was voorgekomen, was een grotere ontgoocheling dan de schrijver Elsschot nog kon verdragen. Hij stopte ermee. Alfons de Ridder wijdde zich voortaan uitsluitend aan zijn zaken.
Ook de erkenning die hem in de loop van de jaren vijftig ten deel viel, uitmondend in de publicatie en grote verkoop van zijn Volledig werk (1957), zette hem niet meer tot schrijven aan. ,,'t Is het enige dat me nog blijft, drinken, drinken' vertelde hij toen hij zich door zijn gezondheid geplaagd, steeds minder buitenshuis vertoonde. Op 31 mei 1960, op weg terug naar huis van de brievenbus, zakte hij op straat in elkaar. ,,Dank u, heren', zei hij de voorbijgangers die hem thuis brachten en op zijn eigen sofa te sterven legden.
Lees verder
- Elsschot, Willem
In het voorwoord van zijn handelsroman Kaas schreef Willem Elsschot (pseudoniem van Alfons de ...
Besproken boek
- Een ontgoocheling
auteur: Elsschot, W.
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.
Besproken boek
- Een ontgoocheling
auteur: Elsschot, W.

