Hadden we wat aan die 365 filosofen?
Wijsbegeerte en wetenschap verhouden zich als dorst en water. Wie dorst heeft, zoekt naar water, droomt van wijn en veegt langs zijn lippen met een droge tong. De dorstige hersenen zijn bezig met vocht, maar louter denken helpt niet veel. Filosofen bazelen veel, denken soms goed na, komen vaak met geniale en gekke ideeën, maar wat hebben wij er eigenlijk aan? Wij willen weten hoe de wereld in elkaar zit, hoe druiven groeien, hoe een kurkentrekker werkt, hoe druivensap alcohol maakt, wat dronkenschap is, waarom water naar beneden stroomt, hoe water in waterdamp of ijs verandert, hoe een schip op het water kan drijven, hoe een vliegtuig door de lucht kan varen, hoe je naar de maan kan vliegen. Dat zijn de vragen waar de wetenschappers antwoorden op moeten geven. Geen grappige of fantasierijke antwoorden, maar antwoorden die niet alleen een keertje waar zijn, maar die gebaseerd zijn op theorieën die beproefd kunnen worden.
Filosofen denken wel na en kunnen hun gedachten mooi of geheimzinnig onder woorden brengen, maar ze vergeten vaak om goed naar de wereld te kijken waarin zij, en hun lezers, moeten leven. Behalve theorieën moet je ook proeven verzinnen waarbij die theorieën op de proef gesteld worden. Aan een theorie waarin duivels, engelen, feeën of goden de hoofdrol spelen, heb je niets.
Twee Belgen die dat heel goed begrijpen, schreven een boek waarin ruim 365 westerse filosofen aan de orde komen, steeds met de vraag: Wat heeft de wetenschap aan hem gehad? Had hij gelijk, of in ieder geval: hadden we er wat aan? Alle religies vallen daarmee direct af. Alle wetenschappelijke ontwikkelingen komen aan de orde. Niet alleen natuurkunde en sterrenkunde, maar ook socialisme en dierenrechten.
Het is een schitterend boek geworden, dat mij deed denken aan het mooiste boek over de ontwikkeling van de westerse wetenschap, toevallig een Nederlands boek, De mechanisering van het wereldbeeld, geschreven door E.J. Dijksterhuis. Het lijkt mij zeker dat de twee Belgen dat boek goed kennen. Ja, ze hebben het zelfs drie keer over De mechanisering van het wereldbeeld, maar zonder de naam van de auteur te noemen. Och, je kunt ook bijbelspreuken aanhalen zonder naar het Oude of Nieuwe Testament te verwijzen.
Dijksterhuis’ boek is al meer dan een halve eeuw oud, dus Vermeersch en Braeckman behandelen nog een serie nieuwe problemen en denkbeelden, over anticonceptie, bio-ethiek en dergelijke. Dat slot is interessant, maar omdat de juiste oplossingen daarin nog niet gevonden zijn, is het laatste deel minder overtuigend.
Heb ik helemaal geen aanmerkingen? Natuurlijk wel, maar altijd kleine. Zo is de eerste computer niet een Engelse uit 1943, maar een Duitse uit 1941. Zo is onlangs vastgesteld dat Pythagoras helemaal geen wiskundige was – zijn zogenaamde stelling had ik al vóór de middelbare school zelf in een kartonnen doosje geschilderd. Het is mij een raadsel waarom de schrijvers wel Annie Besant noemen met haar flauwekul, maar niet de naam noemen van de Indiase jongen die zij als haar profeet de wereld in stuurde. Hij heet Krishnamurti. Zijn grote verdienste was dat hij, hoewel toegejuicht door alle gekken van de wereld, vooral rijke gekken, totaal met de religie van zijn ontdekster brak en nuchterheid ging propageren. Het moet een vergissing zijn geweest dat de twee auteurs zijn naam niet noemden. En ze hadden bij de Belgische filosoof Hendrik de Man wel even zijn vreselijke afloop (hij werd als collaborateur in 1946 bij verstek veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf, red.) kunnen vertellen.
Ik lees filosofische boeken het liefst in het Duits, Engels, Frans of Grieks. Niet omdat ik opschep die talen te kennen, maar omdat mijn geliefde auteurs als Descartes, Euclides, Gottlob Frege en Peter Geach woorden gebruiken, waarbij ik schrik, en denk: wat betekent dat woord in zijn taal, en gebruikt hij het hier niet op een nieuwe manier? Dat levert lekker langzaam lezen op. Terwijl je poëzie tien keer zo langzaam verwerkt als proza, kost filosofie nóg eens tien keer zoveel tijd.
In dit boek keek ik een paar keer op bij sommige woorden. Ik wil absoluut de auteurs niet verwijten dat zij geen (Noord-)Nederlands schrijven. Zij zijn Belgen en mogen dus een bol een sfeer noemen, aan hightech de naam spitstechnologie geven, de woorden voorafgaandelijk en tegensprekelijk hanteren, handelingen stellen en op principes betrouwen, plus prachtwoorden als wilgetronk en eremijt opschrijven. Ik verwijt ze niets, het maakt juist dat je langzamer leest, dat je bij ‘In algemene regel’ even na moet denken, en als je over het Hebreeuwse ‘tohu wa vohu’ leest, denkt: Was het niet tohoe wa bohoe? Gelukkig lezen we driehonderd bladzijden verder dat de fonetiek, die de verschillen tussen taalklanken absoluut neemt, door Trubetzkoy en Jacobson is vervangen door de fonologie waarin het om de betekenis dragende eenheden gaat: bak en vak zijn in het Nederlands verschillende woorden, maar een Spanjaard hoort het verschil tussen b en v niet. Dus bohoe = vohoe.
Lees dit boek. Maar neem er meer tijd voor dan een recensent. Ik ga het nog een keer rustig lezen. Vooral de alinea’s in kleine lettertjes, want daarin zeggen de auteurs wat ze van de behandelde filosoof vinden.
Lees verder
- 03-04-2009 recensie: Denken zonder abstracties
- 03-04-2009 recensie: Geachte minister, kijk eens goed naar John Stuart Mill
- Vermeersch, E.
Besproken boek
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.
