Han van Meegeren loog en bedroog tegen de klippen op
Jonathan Lopez:
The Man Who Made Vermeers.
Unvarnishing the Legend of Master Forger Han van Meegeren.
Harcourt, 340 blz. € 23,-
Ruim zestig jaar na zijn dood blijft de meestervervalser Han van Meegeren (1889-1947) intrigeren: binnen twee jaar tijd verschenen maar liefst drie Engelse biografieën. In 2006 publiceerde de Britse journalist Frank Wynne zijn (nogal oppervlakkige) I was Vermeer, en onlangs kwamen in Amerika twee nieuwe boeken uit over ‘de man die Göring oplichtte’. The Forger’s Spell van Edward Dolnick en The Man Who Made Vermeers van Jonathan Lopez illustreren mooi hoe het bedrog van Van Meegeren nog altijd tot de verbeelding spreekt. Maar de manier waarop beide auteurs dat bedrog interpreteren – en vooral veroordelen – loopt sterk uiteen.
De feiten zijn bekend. De schatrijke kunstschilder Han van Meegeren werd pal na de bevrijding in mei 1945 door de politie van zijn bed aan de Keizersgracht gelicht. In de kunstcollectie van Hermann Göring was een schilderij van Vermeer aangetroffen dat Van Meegeren aan de Rijksmaarschalk zou hebben verkocht. Dat stond gelijk aan collaboratie. Tijdens zijn verhoor legde de schilder echter een verbijsterende verklaring af: Göring had geen Vermeer aan de muur, maar een Van Meegeren. En in één adem door bekende de schilder dat ook de meest beroemde Vermeer in Nederlands bezit van zijn hand was: De Emmaüsgangers uit Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam was een vervalsing.
Het was een gevoelige klap voor een schare vooraanstaande kunsthistorici en museumdirecteuren uit heel Europa, die de Vermeers van Van Meegeren de hemel in hadden geprezen. Juist daar – aldus de vervalser zelf – was het hem om te doen geweest: als kunstenaar miskend door de heren kunstkenners, had hij ze met zijn ‘oude meesters’ vakkundig misleid. Wie het laatst lacht, lacht het best – en zo dacht het publiek er ook over. Van Meegeren werd in de armen gesloten als een volksheld, die zowel zijn critici als de nazi’s te slim af was geweest. Dat hij daar miljoenen aan had verdiend, ook tijdens de oorlog, werd hem stilzwijgend vergeven.
De meeste biografen zijn het er wel over eens dat Van Meegeren werd gedreven door ordinaire geldlust en niet handelde uit een quasi-heroïsche ‘ik-zal-ze-eens-wat-laten-zien’- mentaliteit, zoals hijzelf beweerde. Dat neemt niet weg dat de aard en omvang van zijn bedrog een ongelooflijk verhaal blijft dat steeds opnieuw wordt verteld. Veel archiefmateriaal bleef lang onbenut en onbekend, tot in 1979 het baanbrekende Een vroege Vermeer uit 1937 van de kunsthistorica Marijke van den Brandhof verscheen. In 1996 publiceerden Diederik Kraaijpoel en Harry van Wijnen nieuwe gegevens en recentelijk presenteert Frederik Kreuger zich als ‘’s werelds grootste Van Meegerenkenner en geauthoriseerd biograaf’ op zijn website (meegeren.net) en in zijn in zijn Han van Meegeren. Meestervervalser (2004). Vrijwel allen plaatsen Van Meegeren ergens in het spectrum tussen de kleurrijke schelm en, in het slechtste geval, de opportunistische schurk.
Het is de kunsthistoricus Jonathan Lopez die definitief korte metten maakt met de laatste restjes geloofwaardigheid van de gewraakte kunstenaar. In tegenstelling tot de journalist Dolnick, die zijn luchtig geschreven boek baseerde op bestaande literatuur, gesprekken en uitbesteed onderzoek, heeft Lopez zich jarenlang begraven in Nederlandse, Duitse, Britse en Amerikaanse archieven. Hij heeft een indrukwekkende hoeveelheid onbekend materiaal boven tafel gehaald, dat onweerstaanbaar elegant wordt gepresenteerd.
Lopez windt er geen doekjes om: Van Meegeren was een professionele leugenaar, die meer dan sympathiseerde met het naziregime. Lang vóór hij in 1937 de kunstwereld veroverde met zijn ‘bijbelse’ Vermeers, was hij in de jaren twintig al betrokken bij een commercieel vervalserscollectief in de Haagse Sumatrastraat, geleid door de restaurator-vervalser Theo van Wijngaarden. Inspelend op de liefde voor Vermeermeisjes, leverde deze samen met zijn kompanen een aantal ‘nieuw ontdekte’ oude meesters aan bonafide kunsthandelaren en verzamelaars. En soms blijken die, zoals Lopez onthult, heel wat minder betrouwbaar dan we voorheen dachten. De Amerikaanse zakenman en collectioneur Theodore Ward bijvoorbeeld moet heel goed hebben geweten wat zich in het Haagse schilderatelier afspeelde, waar zijn agent Harold Wright kind aan huis was.
Die ‘echte’ Van Meegerens waren zo slecht nog niet, maar, stelt Lopez, de schilder had zijn kunstenaarsziel bij de duivel ingeruild voor die van een eersterangs vervalser. En wat hem als vervalser boven zichzelf deed uitstijgen was het besef dat alleen technisch en kunsthistorisch inzicht in de werkwijze van een schilder niet voldoende was. Het publiek moet in het kunstwerk geloven en daarvoor moet het, onbewust, iets tijdloos én eigentijds in het werk herkennen.
En dat was nu precies waarom ‘De Emmaüsgangers’ in 1937 zo’n indruk maakte. Het doek appelleerde aan de mentaliteit van de jaren dertig, onderhuids misschien, maar wel degelijk voelbaar. Het toont een katholieke, reactionaire Vermeer, gearrangeerd op een wijze die haar wortels had, aldus Lopez, in de völkische propaganda van die tijd – de bekende beelden van arische boerenfamilies op het land. In 1942 schilderde Van Meegeren, onder eigen naam, zelf zo’n boerengezin aan de maaltijd; de overeenkomsten met de Emmaüsgangers zijn frappant, maar het is de overduidelijke aansluiting bij de fascistische beeldentaal die schokt.
Die taal was Van Meegeren niet vreemd. Al in 1928 ging hij schuimbekkend tekeer tegen het ‘kunstbolsjewisme’ in zijn tijdschrift De Kemphaan, dat hij met de ultrarechtse journalist Jan Ubink had opgericht ter bevordering van de Nederlandse cultuur en volksgeest. De redactie vond inspiratie in Italiaanse en Franse fascistische propaganda en cultuurkritiek; er klonken zelfs letterlijke echo’s uit Mein Kampf in door.
De rasopportunist Van Meegeren sloot zich nooit officieel aan bij een fascistische groepering, wel omringde hij zich met twijfelachtige figuren als Ubink, de dichter Martien Beversluis en Ed Gerdes. Deze uitgesproken nazi was in de oorlog een machtig man op het Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten, verantwoordelijk voor de promotie van Nederlandse kunst. Van Meegeren won zijn vertrouwen door donaties aan de omstreden Winterhulp, hij kreeg opdrachten en mocht met zijn eigen werk, waaronder ‘De Boerenfamilie’, deelnemen aan exposities die Gerdes in Duitsland organiseerde. Bij zo’n gelegenheid droeg hij een schilderij aan Hitler op. Die kreeg in 1942 ook het album Teekeningen I toegestuurd, met handgeschreven aanhankelijkheidsbetuiging.
De deus ex machina-bekentenis redde Van Meegerens imago: hij ontliep het brandmerk van collaborateur. Alle aandacht ging naar het bedrog en de bedrogenen, niet naar de bedrieger. Het pact met de duivel bleef lang onopgemerkt.
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.

