Herlezen maakt meer kapot dan je lief is
De therapeutische confrontatie met favorieten van weleer
Het herlezen van `oude' meesterwerken is een riskante onderneming. De lezer komt zichzelf als adolescent tegen. Wat eens meeslepend was, blijkt onuitstaanbaar. Twee boeken over leesdwang, de witte plekken in een boek en de tandenpoetslezer.
Francis Spufford:The Child that Books Built.A memoir of childhood and reading.Faber and Faber, 214 blz. €24,15Wendy Lesser: Nothing remains the same. Rereading and Remembering. Houghton Mifflin, 234 blz. €30,–
Iedere lezer wordt vroeger of later een herlezer. Hoezeer uitgevers ook proberen om met een eindeloze productie van spiksplinternieuwe prachtboeken je steeds verder naar voren te stuwen, de belofte van bekend genot drijft je uiteindelijk naar de greatest hits van het verleden, de boeken die tien, twintig of veertig jaar geleden al door de ballotage zijn gekomen. Eenmaal herlezend, blijkt het probleem: Anna Karenina heeft de jaren weliswaar letterlijk ongewijzigd in de kast doorstaan, jijzelf niet. Was de hoofdpersoon twintig jaar geleden nog een vrouw die je meevoerde in haar fatale passie, nu vraag je je vooral af waarom mevrouw toen ze voor de trein sprong, geen gedachte wijdde aan haar zoontje.
Die veranderde Tolstoj-ervaring heeft bij schrijfster en critica Wendy Lesser een voor de hand liggende reden: intussen was ze zelf moeder van een zoon geworden. In Nothing remains the same. Rereading and remembering laat ze zien hoeveel redenen er kunnen zijn die een boek een tweede keer beter, slechter of alleen `anders' maken. Lesser (1952) besloot de boeken te herlezen, waarbij ze zich nog iets kon herinneren van haar oorspronkelijke leeservaring. Dat deed ze nadat ze bij Henry James' A Portrait of a Lady had ontdekt hoe verrassend dat herlezen kon zijn en dat het haar ook het een en ander over zichzelf vertelde. Zo beschrijft ze hoe ze een gedicht van Alexander Pope pas kon waarderen toen ze zelf een tuin onder haar beheer kreeg (als scholier was het haar niet opgevallen dat het over tuinieren ging), hoe ze pas in tweede instantie begreep waarom Dostojevski de idioot in De idioot zo vaak idioot laat noemen en ook pas in de herkansing ontdekte hoe ze in haar eigen autobiografie The Amateur schaamteloos leentjebuur had gespeeld bij Henry Adams The Education of Henry Adams.
Achterop Lessers boek wordt Lawrence Weschler aangehaald, die gespeeld verongelijkt opmerkt dat `sommige mensen [...] alle goede ideeën' krijgen. Dat mag zo zijn, maar het idee van Lesser was zo goed dat de Engelse schrijver Francis Spufford het óók had, of althans een project dat er veel op leek en dat uitmondde in The Child that Books Built. A memoir of childhood and reading. Daarin probeert hij een antwoord te vinden op de vraag `wat hij zou vinden' als hij de boeken uit zijn jeugd zou herlezen. Spufford (1964) begint zijn boek met een prachtig, anekdotisch eerste hoofdstuk `Confessions of an English Fiction Eater', over zijn gewoonte om in de kelders van grote boekwinkels af en toe een shot van de allerslechtste science fiction tot zich te nemen.
Leesverslaving
Spufford, in 1997 `Sunday Times Young Writer of the Year' en auteur van I May Be Some Time. Ice and the English Imagination (1996), toont zich het soort vriendelijke boekenwurm, eentje die zijn leesverslaving breed uitmeet (`Als ik moe en dus besluiteloos ben, kan het me een halfuur kosten voordat ik besloten heb welk boek ik meeneem tijdens het tandenpoetsen'), maar met zoveel zelfspot dat het nergens irritant wordt. En iemand die beschrijft hoe hij als adolescent ontdekte dat je in een boekwinkel de inhoud van boeken kon `stelen', gewoon door ze ter plaatse te lezen, zoals hij deed met Orwells 1984. De triestere kant van het boeken verslindende kind komt ter sprake wanneer hij de oorzaak van zijn leesdwang zoekt; die ziet hij in de ziekte van zijn jongere zusje, dat haar hele jeugd zweefde op de grens tussen de uiterste verworvenheden van de medische wetenschap en de dood. Haar broze aanwezigheid deed hem zoeken naar een minder kwetsbare wereld – de literatuur.
Het lijkt de aanzet tot een prachtboek te zijn, maar helaas valt het vervolg van The Child that Books Built een beetje tegen. Spufford ontpopt zich daarin als het net iets te erudiete neefje van Alain de Botton: hij observeert goed, komt met iets moois, maar stort daar dan een hoeveelheid theorie en achtergrondinformatie als een boekenkast overheen. Bijvoorbeeld wanneer het gaat over het eerste boek dat hij zelf las (Tolkiens De Hobbit), waarbij hij (6 jaar) zijn behoefte aan snelheid liet winnen van zijn begripsvermogen, waardoor hij aan het einde een boek vol witte plekken had gelezen. Dat is een mooi beeld, maar Spufford vervolgt met een veel te lange uitweiding over Claude Shannons Mathematical Theory of Communication uit 1948, over de hoeveelheid ruis die een telefoongesprek in het Engels nog kan verdragen voordat het onverstaanbaar wordt. Daarvoor hebben we nog de voors en tegens van de theorieën van Jean Piaget gehad; het Freudiaanse versus het Jungiaanse bos en dan staan de (helaas niet erg lucide) opmerkingen over Wittgenstein ons nog te wachten.
Boeken maken meer kapot dan je lief is, zou je geneigd zijn te denken – ware het niet dat Spufford wel weer goed eindigt met een mooi stuk over hoe de goede pornograaf altijd een stapje verder gaat dan zijn lezer. En over hoe zijn opwinding deels school in de spanning tussen dat `je laten meevoeren' en de mogelijkheid om op ieder gewenst moment het boek weer dicht te kunnen slaan. Van dergelijke observaties zou je veel meer willen lezen, niet om alles te weten te komen over Francis Spufford of zijn jeugd, maar om preciezer waar te kunnen nemen hoe ver verslaving van een tandenpoetslezer er precies uitziet.
Porno
Spufford heeft veel aandacht voor `lage' literatuur: science fiction en porno dus, maar ook fantasy en de als The little house on the prairie tot televisieserie bewerkte Amerikaanse plattelandsboeken van Laura Ingalls Wilder. Lesser daarentegen richt zich vooral op wat groot, beroemd en klassiek is. `Algemene conclusies zijn, vind ik vaak, de vijand van de waarneming – tenminste in de literatuur'. Dat waarnemen doet ze, soms een beetje obligaat – bijvoorbeeld wanneer ze het herlezen van de New-Yorkse classic A Hazard of New Fortunes van William Dean Howells combineert met een relaas van twijfel over de vraag of ze in New York moet gaan werken en wonen. Daar wreekt zich wellicht nog iets anders: de observaties van de herlezende Lesser komen vooral tot hun recht wanneer je als lezer het betreffende boek al kent. Pas dan gaat de ervaring van het lezen van haar boek veel lijken op het herlezen van het oorspronkelijke boek.
Een herlezer heeft een grote, steeds terugkerende vrees: dat het meesterwerk van weleer onuitstaanbaar blijkt, wat niet alleen het einde betekent van een favoriet boek, maar bovendien een diskwalificatie van zichzelf. In Rereading and remembering komt dat niet echt voor. Als er van alles mis is met een boek dat Lesser vroeger prachtig vond, vindt ze er nu wel weer iets anders van waarde in. Ze is vooral goed op dreef bij de boeken of schrijvers die ooit diepe indruk op haar hebben gemaakt: Don Quichot bijvoorbeeld (toevallig was het eerste echte roman die zij las, 11 jaar oud, de eerste roman uit de literatuurgeschiedenis), of De idioot, maar vooral bij de herlezing van de essays van haar grote held George Orwell. Dat komt ook omdat ze daar de mogelijkheid had om zich tegen haar vroegere zelf af te zetten. Als student schreef ze namelijk de paper Why I Believe George Orwell: A Study of His Rhetoric, waarin ze, vindt ze nu zelf, de plank keer op keer net mis slaat, juist door hem te zeer te `geloven'. Bijvoorbeeld wanneer ze het heeft over Orwells `eerlijkheid' die volgens haar niets te maken heeft met feitelijkheid. De 23-jarige Lesser schrijft: `Ik kan de objectieve waarheid van de meeste van Orwells uitspraken niet vaststellen, en als ik het zou kunnen, zou het hier niet van belang zijn.' De herlezende Lesser windt zich erover op: `And why the hell not? wil ik door de vijfentwintig jaar lange gang schreeuwen'. Even verder roept ze over haar jongere zelf uit: `Zou je haar niet willen sláán?' Dat is een mooi beeld, dat veel duidelijk maakt over hoe een lezer volwassen wordt en verandert van iemand die de schrijver vooral wil volgen, naar iemand die een auteur beter wil begrijpen dan hijzelf misschien doet. Daar wordt ook duidelijk dat het Lesser niet alleen om zichzelf en haar eigen leeservaring gaat; ze wil ook iets zinnigs over de schrijvers en hun boeken zeggen. Bijvoorbeeld dat je dieper moet graven dan het niveau waarop Orwell wel of niet geloofd moet worden, maar dat je je moet afvragen waarom hij vaak met kleine, schijnbaar onbenullige feitjes strooit en wat ze betekenen.
De in het Orwellhoofdstuk breed uitgemeten weerzin van de auteur tegen haar oude werkstuk toont bovendien Lessers eigen ijdelheid, ambitie en zelfkritiek, die duidelijk maken waarom ze niet alleen een lezer is geworden, maar ook een schrijver. Daarmee is zij, ondanks de ogenschijnlijke bescheidenheid van haar opzet (`ik wil geen algemene conclusies trekken') toch brutaler dan Spufford. Die zou haar boek moeten lezen.
Lees verder
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.

