Ik denk, dus ik heb gelijk

De wording van de onbevangen-vragensteller Karel van het Reve

Het kostte Karel van het Reve (1921-1999) jaren om los te komen van het communisme. Hij hield er geen rancune of cynisme aan over. Maar wél een ‘fysiek welbehagen’.
Karel van het Reve: Verzameld Werk 1 en 2. Onder redactie van Elma Drayer, Lieneke Frerichs en Nop Maas. Van Oorschot, 828 en 959 blz. € 39,– en € 45,–

Een paar maanden na de val van de Sovjet-Unie sprak Karel van het Reve op een discussiemiddag in Amsterdam over het ‘gelijk van rechts’. Was het gelijk van anticommunisten als hijzelf definitief bewezen, nu de geschiedenis aan hun kant bleek te staan? Een rare manier van achteraf-redeneren, vond Van het Reve, want gelijk krijg je niet ineens, dat heb je altijd al gehad. Of de goegemeente dat wel of niet erkent hangt volstrekt van toevalligheden af. ‘Ik houd vol’, vervolgde hij, ‘dat de beweringen van de Weense psychiater Sigmund Freud geen enkele wetenschappelijke waarde hebben, en dat deze psychiater een bedrieger en een kwakzalver is. Niemand in deze zaal is het daar mee eens. Toch heb ik gelijk. Met uw instemming heeft dat gelijk niets te maken. Van uw instemming hangt mijn gelijk niet af. Mijn gelijk wordt er niet groter of kleiner van als over tien of vijftig of honderd jaar de meeste lezers het met mij eens zullen zijn.’

Nog geen tien jaar na zijn overlijden lijkt er al algemene instemming te bestaan over Karel van het Reves standpunten – afgezien van die over Freud misschien. Wie nu zijn meest omstreden stukken leest, ‘De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’ over het christendom, ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ over literatuurwetenschap, en ‘Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes’ over de evolutietheorie, verbaast zich erover dat die teksten ooit zoveel ophef hebben veroorzaakt.

Heeft de publieke opinie zich dan zo snel ontwikkeld richting Van het Reves gelijk? Hebben zijn meningen over godsdienst, evolutieleer en literatuur – toch niet het soort onderwerpen waar mensen het snel met elkaar over eens worden – zodanig opgeld gedaan dat ze gemeengoed zijn geworden? Of blijkt er bij nader inzien helemaal niet zoveel controversieels te staan in deze stukken, en gaat het eerder om een sensatie die je alleen kan voelen als je erbij bent geweest, in de jaren zestig, zeventig en tachtig, toen de val van de grote ideologieën nog een spannend onderwerp van discussie was?

Misschien heeft het ook wel te maken met de vaak gehekelde ‘hardere toon’ van het debat in de laatste jaren, maar Karel van het Reves polemieken komen nu op mij over als een oase van onschuld en redelijkheid. In ‘De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’ bijvoorbeeld staat eigenlijk geen denigrerend woord over gelovigen. Het enige wat Van het Reve hier doet is een oud theologisch vraagstuk oprakelen over heikele kwesties die het geloof in een almachtige God met zich meebrengt, en waar elke, enigszins bewust levende gelovige wel mee heeft geworsteld: is dan ook de Holocaust onderdeel van een goddelijk plan geweest, kiest die god het ene zieke kind uit om te sterven en het andere om beter te worden? Is er een hemelse administratie die gebeden bij elkaar optelt, op basis waarvan het ene vliegtuig veilig landt en het andere in zee stort?

Het zijn kinderlijk onbevangen vragen die Van het Reve stelde, en hij constateerde daarbij dat afgaand op de Bijbel zowel God als Jezus naar huidige menselijke maatstaven weinig sympathieke figuren zijn. Nota bene zijn katholieke broer Gerard had precies dezelfde observatie gemaakt in zijn bekeringsroman Moeder en Zoon, toen hij zich opwond over de misplaatste ‘halfzachte uitleg […] volgens welke onze Zoon Gods en Zaligmaker niets anders dan een soort vakbondsleider zoude zijn geweest, die werktijdverkorting en een rechtvaardiger verdeling van het nationale inkomen zoude hebben gepropageerd.’

De zweem van controverse die rond Karels religie-artikel hangt, zit hem niet zozeer in de inhoud, maar in de verontwaardigde reacties erop van de NRC-lezers, van wie enkelen  hun abonnement opzegden. Dat zelfde geldt voor zijn beroemde Huizinga Lezing uit 1978: niet zozeer zijn aanval op de literatuurwetenschap is wereldschokkend, als wel de domme en zelfgenoegzame reacties erop. En daar wist Van het Reve vervolgens wel raad mee. Het venijn van zijn polemieken zit hem dan ook doorgaans in het staartje.

Karel van het Reve was alles behalve een pedante gelijkhebber. De weldadige afgewogenheid die zelfs uit zijn meest omstreden stukken spreekt, kwam voort uit zijn afkeer van elke vorm van ideologisch denken. Als Van het Reve een vraag stelde, deed hij dat zonder bijbedoelingen. Er school geen tactisch programma achter zijn nieuwsgierigheid. Dat verklaart ook waarom hij zowel kritisch naar de evolutieleer als naar het christendom kon kijken. In beide denksystemen ontdekte hij ongerijmdheden en daar stelde hij vervolgens vragen over, zonder zijn eigen vooroordelen bevestigd te hoeven zien.

Die onafhankelijke kritische houding was niet vanzelf gekomen. De communistische levensleer waarmee de broertjes Van het Reve opgroeiden in de Amsterdamse wijk Betondorp is bij Karel veel langer blijven leven dan bij Gerard. In Karels geval was de breuk met het geloof van zijn jeugd een moeizame, aarzelende onderneming. Met het verschijnen van de eerste twee delen van Verzameld Werk kan de lezer die cruciale fase uit zijn leven nauwgezet volgen. Met name de autobiografische verhalen die hij tijdens de jaren veertig schreef, terug te vinden in deel 1, geven een prachtig beeld van hoe een vroegwijze, zelfbewuste jongen afscheid neemt van wat in veel opzichten toch een gelukkige, warme jeugd was.

Eén gesprek met zijn vader moet een geweldige indruk op de jonge Karel hebben gemaakt. Het komt in twee teksten uit het Verzameld Werk terug. Karel beschrijft hoe zijn vader een praatje komt maken, naast zijn bed op de grond gaat liggen en hem uitlegt hoe de wereld in elkaar zit: die draait om uitbuiting van de arbeiders en klassenstrijd. ‘Van toen af leidde ik een dubbel leven. De wereld rondom werd een vijandige wereld, waarin slechts een klein groepje geestverwanten met ons waren. Alles behoorde aan den vijand: de hele stad met zijn fabrieken en kantoren, de scholen en de winkels, en de meeste mensen.’

Dit schreef Van het Reve in 1944. Hij was toen 23. Het citaat doet anders vermoeden, maar in de tussentijd had hij al een aantal conflicten binnen de communistische beweging van dichtbij meegemaakt en zo kennis gemaakt met de keerzijde van het geloof der kameraden. De belangrijkste daarvan staan beschreven in het verhaal ‘Femke’, een van de redenen waarom dit tot de hoogtepunten van het eerste deel Verzameld Werk behoort. De andere reden is de warmte en de heldere stijl waarmee het verhaal geschreven is, en waarin zich al veel van de latere Van het Reve aankondigt. ‘Femke’ beschrijft Karels jaren bij De Pioniers, de communistische jeugdbeweging, en vooral zijn deelname in het prettig chaotische toneelgezelschap De Vrolijke Brigade, dat min of meer door de familie Last gerund werd.

Jef Last was op dat moment, in de jaren dertig, één van Nederlands bekendste communistische schrijvers, en doordat Karel verliefd werd op zijn dochter Femke kwam hij voortdurend bij de familie over de vloer, als ze al niet met de Vrolijke Brigade op tournee waren. Toen in Spanje in 1936 de Burgeroorlog uitbrak, gaf Last zich voor het republikeinse leger op en vanuit de loopgraven voor Madrid schreef hij verslagen van zijn oorlogservaringen, waarbij hij zich weinig van partijpolitiek aantrok. De belangen van de strijd tegen Franco gingen voor. Dat leidde tot een breuk met de CPN en het duurde niet lang voordat Last in de communistische pers voor ‘deserteur’ werd uitgemaakt.

Ook deze episode, waarin hij overigens ook de afvallige communist André Gide in Parijs ontmoette, moet een enorme indruk hebben gemaakt op de toen vijftienjarige Karel. Vanaf dat moment, misschien wel tot de val van de Muur aan toe, heeft de desertiebeschuldiging hem geobsedeerd. In een verhaal dat hij volgens de zorgvuldige annotatie van dit Verzameld Werk in 1949 of 1950 schreef, en dat als een eerste serieuze poging tot een roman gelezen kan worden, stelde hij zich voor dat hij zelf in een Moskouse cel was beland, en door de Nederlandse kameraden onmiddellijk voor verrader werd aangezien. ‘Eindelijk vrij! Plicht, fatsoen, sloomheid, gewoonte, lafheid, kameraadschap, – ik weet niet wat mij tot dusverre weerhouden heeft in enig opzicht duidelijk stelling tegen ze te nemen. Misschien vooral dat het kamp der „anderen” me zo weinig aantrok. Nu ze me in onbeschofte bewoordingen het vijandelijke kamp intrappen, ben ik vrij om te spreken, lijkt het.’

In dit zelfde verhaal staat een passage die je als de blauwdruk van Van het Reves verdere schrijverschap kan lezen, hoewel ze in voor hem atypische moeizaam lopende zinnen is verwoord. De ‘ijdelheid’ waarmee hij dacht goed te kunnen schrijven en ‘tegelijkertijd de juistheid van een bepaalde wereldbeschouwing te bewijzen’ werd nu vervangen door ‘een nieuw soort ijdelheid’, zo bedenkt hij, één ‘die mij soms nog verontrusten kan: de ijdelheid namelijk die mij wat ik schrijf niet laat beoordelen door het wat en waartoe, maar door het hoe. Waarbij zich dan weer het heerlijke verschijnsel voordoet dat nu ik niet meer betogen, bewijzen en logisch redeneren wil mijn geschrijf voor het eerst van mijn leven mij ook juist in die opzichten bevredigt.’ 

Met zijn afscheid van het communisme ontdekte Van het Reve tegelijk wat de kern was van zijn liefde voor literatuur. Die liefde had hij overigens lang daarvoor ontdekt, zo laten zijn jeugdherinneringen zien. Typerend is hoe hij, na enkele dagen door de Duitsers in hechtenis te zijn genomen tijdens de Tweede Wereldoorlog, zich nog het meest druk maakt over het exemplaar van Anna Karenina dat hem was afgenomen.

Er valt eindeloos veel van de latere Van het Reve in deze vroege autobiografische stukken te herkennen: zijn verwondering over godsdienst, zijn vertrouwen in de ongedwongenheid en originaliteit die kinderen van nature hebben, zijn internationale oriëntatie, die zich tijdens de oorlogsjaren vertaalt in grotere empathie met de Spaanse en Russische oorlogsgruwelen dan met de Nederlandse bezetting, zijn grote gehechtheid aan feitelijke juistheid en zorgvuldigheid in wetenschap en journalistiek.

Maar wat bovenal intrigeert, is de afwezigheid van rancune in Van het Reves afscheid van het communisme. Dat ging eerder met humor gepaard, meligheid zelfs, zoals blijkt uit de hilarische brief die hij aan de redactie van het (relatief vrijzinnige) communistische studentenblad De Vrije Katheder stuurde. Daarin beticht hij  zijn eigen bijdragen  van ‘VUILE en IMPERIALISTISCHE’ neigingen. ‘Daarbij komt, dat ik zo ontzaglijk BURGERLIJK en OUDERWETS ben, dat ik absoluut niet PROLETARISCH en DIALECTISCH denken kan, dat ik de dingen niet in GROTER VERBAND kan zien, dat de GROTE HISTORISCHE SAMENHANGEN mij altijd ontgaan, dat ik de decadente neiging heb een KAT een KAT te noemen […].’

De eerste twee delen van Karel van het Reves Verzameld Werk bewijzen alvast welke enorme toegevoegde waarde al dit voorheen ongepubliceerd of ongebundeld gebleven materiaal heeft voor zijn oeuvre. Naast autobiografische schetsen en losse artikelen bevat het eerste deel bijvoorbeeld ook zijn (niet al te best geschreven) doctoraalscriptie en zijn proefschrift over de politieke toeëigening van literatuur door het Sovjetbewind. Het tweede deel, dat de periode 1959-1968 bestrijkt, begint met de twee romans die Van het Reve in 1959 en 1961 publiceerde, die wat flauw en studentikoos zijn en overigens ook niet de pretentie hebben veel meer te bieden dan spannende intriges. Wat dat betreft bleef hij trouw aan zijn criterium dat literatuur hem een gevoel van ‘fysiek welbehagen’ moest geven. Deel twee eindigt met de stukken die hij als Rusland-correspondent schreef voor Het Parool.

Daarmee vormt de aftrap van Van het Reves Verzameld Werk eigenlijk een prachtig afgerond geheel. De eerste twee delen stellen de lezer in staat nauwgezet te volgen hoe Karel van het Reve (1921-1999) zijn persoonlijke worsteling met het communisme uiteindelijk de motor wist te maken van zijn literaire productiviteit.

De kinderlijke onbevangenheid waarmee hij schijnbaar moeiteloos zijn tegenstanders in hun hemd kon zetten, maar waarmee hij ook zijn liefde voor Russische literatuur uitdroeg, werd goeddeels gevormd door zijn moeizame zelfbevrijding.  De afgewogenheid van die zelfbevrijding zorgde ervoor dat zijn afzweren van ideologie nooit verviel in gratuit cynisme of gemakzucht, zoals dat bij sommige van zijn bewonderaars wel eens wil gebeuren. Dat maakt zijn Verzameld Werk uiterst actueel: het laat zien dat Van het Reves schrijverschap niets te maken heeft met het huidige ideologisch gekoketteer met ‘het vrije woord’. Het staat daar lijnrecht tegenover.

in

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.