In het grensgebied van schor en slik

De Gedichtendagbundel 2010 is van de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga. Twee gedichten - erg mooi en ritmisch en soepel en muzikaal.

In de Gedichtendagbundel van Tsjêbbe Hettinga bevinden we ons meteen op vertrouwd terrein. „Seeljocht ploeget lân”, zo begint het eerste gedicht. „Zeelicht ploegt het land.” We staan op „de sielsferlitten lichten fan dizze sleine kust”, op „de zielsverlaten laagte van deze geslagen kust”. Er is zee, wind, wolken. Er zijn „blauwe vensters in de lucht”. Akkers, voren, klei - „norse klei”, met „vette wormen”.

Dit is de wereld van Tsjêbbe Hettinga (1949). Weer en wind, het grensgebied van schor en slik, een ondertoon van verdriet en verlatenheid, maar alles opgenomen in een groot verband. Zinnen strekken zich uit over vele regels, beeld na beeld, vol bijvoeglijke naamwoorden en bijzinnen, als golven die maar blijven aanspoelen, als wolken die elkaar in steeds wisselende vormen achterna blijven zitten. Erg mooi en ritmisch en soepel en muzikaal.

Maar ook erg moeilijk. Er staan maar twee gedichten in dit bundeltje: het eerste telt 95 regels, het tweede 100. Het zijn gedichten vol beeldstapelingen en associaties. De wolken uit het eerste gedicht zijn geen gewone wolken, maar „een stoet van wolken op bedevaart”. Onder deze bedevaartwolken strekt zich geen groene grasvlakte uit, maar „een groene tempelvloer”. En bij dit religieus gekleurde natuurtafereel voegen zich geen gewone, maar „gelovige vogels”. Ze dromen, zoals alle zeevogels, van vis, maar hier gaat het dan meteen om „een vis of vijf, broden twee”. Dit speelt zich allemaal af binnen een paar regels. De ingrediënten zijn vertrouwd, maar het is moeilijk om in dit vlechtwerk van betekenis en verwijzing door te dringen.

In het tweede gedicht gaat het over een verblijf in Bremen, in een hotel aan de rivier met een vrouw, maar er komen ook andere hotels voorbij, en andere rivieren en steden, en andere vrouwen. Zo verschijnt ineens skister Ulrike Maier op tv, bij haar dodelijke ongeluk in een afdaling, op een „rivier van sneeuw”. Die gaat hier vanzelf over in het „bed van de dood” en in een „wit laken”, en dat wordt dan weer het plafond van een hotelkamer, waaronder een andere vrouw zich heupwiegend, als een skister in slalom, naar de douche begeeft. En de douche brengt ons met „een verkwikkende waterspraak” weer terug bij de rivier. Enzovoort.

Het gaat hier dus meer om stemming en sfeer en roes dan om de verhalende voortgang. Misschien moet je niet willen weten waar het over gaat. Het lange, stromende gedicht heeft nog het meest van een rivier, die van alles meevoert: bijzondere klanken, beelden en overgangen.

Het mooiste woord? Sigeunerinneringen. Dat leek mij een eigen samensmelting van ‘zigeunerin’ en de ‘herinneringen’ aan haar, maar de dichter bedoelt er oorringen mee, zoals gedragen door zigeunerinnen. Het is verhelderend om het de dichter zelf te horen voordragen. Dat kan via de website van Poetry International, maar morgen WANNEER kan het ook live, in Utrecht, in het Huis van de Poëzie.

in

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.