Karel IV, koning van de controverse

De verzamelde essays en columns van Van het Reve zijn nog steeds actueel

Onder pseudoniem kon Karel van het Reve veel beter poseren als de zelfgeschoolde arbeider die quasi-naïef en ongenuanceerd op ieders tenen gaat staan. Lees deel 4 van zijn verzameld werk.

In het doodsbericht van Hans van Mierlo dook ineens het begrip  weer op: repressieve tolerantie. Zonder aanhalingstekens, niet gecursiveerd, alsof het werkelijk wat betekende. Van Mierlo had in 1966 een politieke partij opgericht die zes jaar later reeds in de regering zat. Een treffend staaltje repressieve tolerantie, zo meldde deze krant.

Leefde Karel van het Reve nog maar. Die had ons erop kunnen wijzen dat ‘repressieve tolerantie’ 19de-eeuwse communistische dieventaal is voor: de schijnvrijheid en schijnmacht die de bourgeoisie schenkt aan opstandelingen om ze koest te houden. Een mooi voorbeeld van marxistische dubbeldunk, bedoeld om de parlementaire democratie onderuit te halen. Dat terwijl Van Mierlo’s partij werkelijke vrijheid en macht kreeg; juist een mooi voorbeeld van de spankracht der democratie, en het gemak waarmee de oude heersers bij het minste zuchtje revolutie de macht weggeven. Ook een stokpaardje van Van het Reve. Evenals het idee dat er in revoluties vooral veel gepraat wordt, en niet veel gehandeld.
Met deel 4 van het Verzameld werk van essayist Karel van het Reve (1921-1999) zijn we aanbeland in de jaren 1973-1980. Dit deel bevat de bundels Uren met Henk Broekhuis en Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes. Zeshonderd van de negenhonderd pagina’s zijn echter gevuld met werk dat niet eerder gebundeld werd.

Uren met Henk Broekhuis is misschien wel zijn beste, in ieder geval meest tijdloze en coherente bundel. Hierin pakt hij 39 pasklare ideeën aan die vrijwel iedereen klakkeloos overneemt, zonder erbij stil te staan dat  het onzin is. Dat we leren uit ervaring, dat slechte kunst geen kunst is, dat vergelijkingen dienen ter verduidelijking, dat seks en geweld in boeken en op tv functioneel moeten zijn, dat de armen steeds armer worden, dat schrijvers de taal verrijken, en dat we in een haastige tijd leven.

Sommige van die ideeën geloofde ik al niet, bij de meeste liet ik me door hem overtuigen, en bij sommige hou ik stug vol. Soms wil Van het Reve namelijk wel erg veel weggooien. Als Homerus bijvoorbeeld Achilles die de wapens opneemt vergelijkt met een leeuw die door een bos loopt op zoek naar een prooi, dan vind ik dat wel degelijk een verduidelijking. Niet op de manier zoals Van het Reve het voorstelt – dat ik wel zou weten hoe die leeuw sluipt, en niet hoe een soldaat ten strijd trekt – maar de beelden versterken elkaar wel degelijk.

Verder staan in deel 4 twee van zijn beroemde essays: ‘Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes’, waarin hij het opneemt tegen het darwinisme, en ‘Het raadsel der onleesbaarheid’, waarin hij het opneemt tegen de literatuurwetenschap. Met dat darwinisme zat hij er naast, hoe geestig en begrijpelijk zijn aanval ook is. Maar dat stuk over de literatuurwetenschap is nog altijd dodelijk, hoewel Van het Reve ook hier wel heel veel wil weggooien.

Was Van het Reve in de eerste twee delen nog een serieuze jongen die nog wat vlak en academisch formuleerde, in deel 3 is zijn schrijftalent tot volle wasdom gekomen. In deel 4 is Van het Reve veel meer ontspannen en vrolijk, en breidt hij zijn aandachtsgebieden enorm uit. Dat heeft veel te maken met de geboorte van Henk Broekhuis. In deel 3 dook hij al op, en deel 4 wordt door hem gedomineerd. Schrijven onder dat pseudoniem lijkt bevrijdend te werken voor Van het Reve. Als Broekhuis schrijft hij losser, baldadiger, geestiger. Als Broekhuis kon hij beter poseren als de zelfgeschoolde arbeider die quasi-naïef en ongenuanceerd op ieders tenen gaat staan. Overigens heeft Henk Broekhuis echt bestaan: Van het Reve leende de naam van de man van wie hij zijn zeilboot kocht.

Voordien gingen zijn essays het communisme, de Sovjet-Unie en de literatuur, vooral de Russische, nu kan het ook veel lichtere kost zijn: het kinderprogramma De Stratemakeropzeeshow, voetbal, reclames, de Stripquiz, de laatste keer dat hij ‘in zijn broek had gescheten’’.  Opvallend is de tekening van een tuinhekje, voor het zomernummer van Herman Pieter de Boers  Maandblad voor de buitenmens en zijn vrienden in de stad. Van het Reve geeft wenken voor de juiste plaatsing van de diagonale lat (van de onderste scharnier af). Het hek plaatste hij voor Paleis Soestdijk, met een anjer ernaast.

Wat helpt is dat hij, vermomd als Henk Broekhuis enige tijd televisiecolumnist voor deze krant was. Van het Reve voelt zich nergens te goed voor, hij belijdt zijn liefde voor detectives, reclames, sport, slechte series – als het maar beweegt. Daarmee neemt hij quasi-argeloos weer een controversieel standpunt in, want in de jaren zeventig moest je als intellectueel neerkijken op televisie, zeker als het uitzendingen van de Tros betrof. Een beetje tv-recensent sabelde alles neer. Van het Reve doet daar niet aan mee. Als hij wel eens naar een door de intelligentsia goedgekeurd programma van de VPRO kijkt, dan is dat juist om het tot de grond toe af te branden.

Want de goedgeluimde Van het Reve was in een grimmige tijd beland, waarin de KRO besloot om Amerikaanse series te schrappen, omdat daarin ‘maatschappijopvattingen zijn verborgen, die niet altijd de onze zijn.’ Een tijd waarin van een hoogleraar werd verlangd dat hij een marxist was; waarin politici als Hans Wiegel (VVD), Anne Vondeling (PvdA), Hans van Mierlo (D66)  en Ed van Thijn (PvdA) geestdriftig terugkwamen uit het China van Mao Zedong. Een tijd waarin marxisten, freudianen en sociologen de smaak dicteerden, en zeer onverdraagzaam optraden tegen andersdenkenden, die zich liever koest hielden tot die krankzinnige jaren zeventig weer waren overgewaaid.

Zo niet Van het Reve. Een van zijn essays heet ‘Wat waren ze kwaad’; een exemplarische titel voor deze hele bundel. Hij moet een groot genoegen hebben beleefd aan het sarren van de linkse meelopers, de tot het marxisme bekeerde katholieken, de hervormers van de universiteiten, de literatuurwetenschappers. Hij haalt hun modieuze waandenkbeelden zo hardhandig onderuit, dat er werkelijk niets meer van overblijft.

De uitgebreide voetnoten zijn weer hard nodig, want Van het Reve noemt vele vergeten namen, zonder erbij te zeggen waar we ze van moeten kennen. Soms noemt hij een politicus alleen maar ‘Bas’, of geeft hij een omschrijving waarbij je zelf maar moet raden dat hij Joseph Luns bedoelt. Helaas geven de voetnoten niet altijd uitsluitsel. De bezorgers hebben wel het genoegen mogen smaken om betweter Van het Reve op allerlei punten te verbeteren. Vooral citeren deed hij slordig, omdat hij geen zin had om al die citaten op te zoeken. Als Van het Reve schrijft dat de schrijver Tollens een baard droeg, dan kan de bezorger nu triomfantelijk melden: ‘Tollens droeg helemaal geen baard.’

De noten zijn vooral hard nodig omdat veel van de kwesties die hij aansnijdt zijn verdampt. We kunnen Van het Reve grif gelijk geven, hebben geen enkel begrip meer voor zijn zwijgende tegenstanders, maar snappen alleen niet waar hij zich zo druk over maakt. Het communisme, waartegen hij zijn beste krachten heeft verbruikt, is allang overleden. Heeft Van het Reve dan nog wel relevantie? 
Zeker wel, want voor ieder waandenkbeeld dat hij fileert, is moeiteloos een equivalent in deze tijd aan te wijzen. Nog steeds moeten we onszelf eraan herinneren waarom die rommelige democratie en die lastige vrijheid van meningsuiting waardevol zijn. Dat die waarborg tegen opgelegde of eigen tirannie er niet is voor de bescherming van de deftige meningen die op de opiniepagina van deze krant staan, maar juist voor de onwelkome, smerige ideeën. Dat je Kamerlid Wilders (PVV) en Holocaustontkenners niet moet vervolgen om hun uitspraken. Dat ageren tegen hoofddoekjes en andere klederdracht onbeleefd is, en dat je de Koran noch Mijn strijd van Adolf Hitler moet verbieden.

Het gaat er uiteindelijk niet om of Van het Reve wel steeds gelijk had, en of zijn kwesties nu nog relevant zijn. Het gaat erom dat hij zo helder, geestig en overtuigend schrijft. Het gaat erom dat hij een voorbeeld stelt van een onverzettelijk fatsoenlijke geesteshouding en een kritisch verstand. Daarbij ligt zijn kracht vooral in het neerhalen van bestaande denkbeelden, en niet zozeer in het formuleren van nieuwe.

Van het Reve kon iets wat vanzelfsprekend lijkt, maar wat zo moeilijk is: niet geloven, maar zelf nadenken. Zijn sceptische houding is zeldzaam maar essentieel. Bij alles wat ik lees, hoor, schrijf en zeg, juist als het vanzelfsprekend lijkt, zou er een Reve-duiveltje op mijn schouders moeten meekijken en brommen: zou dat nou?

in

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.