Klein is beter
Studie over falende ontwikkelingshulp
William Easterly: The White Man’s Burden. Waarom heeft ontwikkelingshulp meer kwaad dan goed gedaan? Nieuw Amsterdam, 432 blz € 27,50
Armoede bestrijden in de wereld, wie is er niet voor? Het lukt alleen zo hemeltergend slecht. Het is een tragedie dat het Westen in de afgelopen vijf decennia 2,3 miljard dollar heeft uitgegeven aan ontwikkelingshulp, zonder merkbaar effect.
De Amerikaanse econoom William Easterly heeft met The White Man’s Burden een prikkelend boek geschreven waarin hij uit de doeken doet ‘waarom ontwikkelingshulp meer kwaad dan goed heeft gedaan’. Dit standpunt lijkt controversieel, maar is niet heel nieuw. Eens in de zoveel tijd staan mensen van enig statuur op die iets soortgelijks beweren. Ex-Wereldbank-official Robert Calderisi schreef vorig jaar The Trouble with Africa, met als subtitel Why Foreign Aid Isn’t Working. Wijlen Prins Claus wordt vaak aangehaald om zijn uitspraak dat ontwikkelingshulp ‘neokolonialisme met de beste intenties’ is. Eerder, in de jaren zestig, zei de prominente ontwikkelingseconoom P.T. Bauer: ‘Hulp is slecht’.
Maar Easterly zegt toch net iets anders. Hij vindt hulp niet slecht, hij wil dat die hulp de armen ook bereikt. En dat dat niet lukt komt volgens hem doordat de traditionele westerse hulp armoede op de verkeerde manier aanpakt.
Easterly zet stevig in met een betoog over de mythe van de big push, één masterplan waarmee alles in een keer wordt aangepakt en opgelost. Grote namen geloven in deze legende: Bush, Blair, Bono, de mannen van de G8. De big push heeft verschillende namen; ‘structureel aanpassingsprogramma’ en ‘shocktherapie’ bijvoorbeeld. Easterly bekent kleur. Ook hij, toen nog werkzaam voor de Wereldbank, geloofde in de jaren negentig in shocktherapie. Pas na een ‘decennium van mislukkingen’ viel hij van zijn geloof.
Geen grotere atheïsten dan ex-gelovigen – en de afvallige Easterly ergert zich overduidelijk aan dergelijke ‘planners’, vooral omdat ze doorgaans zo betuttelend zijn. ‘Iedere keer dat je een westerse activist „wij” hoort zeggen, bedoelen ze „wij als blanken”.’ Daarmee vertegenwoordigen de westerse hulporganisaties een eigentijdse versie van The White Man’s Burden; de titel die ontleend is aan het gedicht van Rudyard Kipling uit 1899, dat hij schreef nadat de Amerikanen de Filippijnen hadden verkregen na de Spaans- Amerikaanse oorlog, maar dat in de vorige eeuw vooral is geïnterpreteerd als een oproep tot imperialisme.
Easterly’s boek verschijnt op het moment dat de discussie over nut en noodzaak van de hulpindustrie opnieuw is opgelaaid. De opkomst van de ‘doe-het-zelf- ontwikkelingshulp’ – na een reis in Zambia richt je een stichting op ter ondersteuning van een aidsweeshuis – toont aan dat het grote publiek niet langer gelooft in de mythe van de big push.
Soms werkt hulp wel, erkent Easterly. Maar de successen die volgens hem zijn geboekt op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen waren volgens hem bijna een kwestie van toeval. De grote instellingen als de Wereldbank, het Internationaal Monetaire Fonds (IMF), het Millenniumproject van de Verenigde Naties doen eigenlijk alles consequent fout. Er wordt geen lering getrokken uit het verleden, ze houden onvoldoende rekening met lokale informele verbanden.
Maar veruit de grootste zonde is dat in internationale ontwikkelingsoperaties geen feedback is ingebouwd. Neem de Millennium Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties; alle regeringen en internationale organisaties worden geacht samen te werken om de Millenniumdoelen te halen. Maar als de doelstellingen niet bereikt worden, kan niemand ter verantwoording worden geroepen. En dus doet ook niemand zijn best.
Het is overigens nog maar de vraag of de ontwikkelingshulpinstellingen die het mikpunt zijn van Easterly’s toorn zich aangesproken voelen. Begrippen als ownership, capacity building en microkrediet liggen de laatste tien jaar juist op de lippen van ontwikkelingswerkers en hulporganisaties. Met dat jargon willen ze aangeven dat ze júist bottom-up, kleinschalig en accountable bezig zijn.
Easterly is overtuigend in zijn feitelijk onderbouwde economische analyses. Hij heeft oog voor het bestaan van lokale ‘markten’, dynamiek aan de onderkant van de samenleving. De economische stagnatie in Afrika wil niet zeggen dat het leven er niet verandert. Nieuwe technologieën verspreiden zich. Het aantal mobiele telefoons in Afrika, bijvoorbeeld, is sinds 1996 elke drie jaar vertienvoudigd.
Terecht zegt Easterly dat de bottom- upbenadering bevorderlijker is voor economische ontwikkeling dan een top- downbenadering. Hulporganisaties zouden zich moeten specialiseren in het oplossen van specifieke problemen in specifieke landen.
Hou het klein, lijkt Easterly te zeggen, maar soms is dat niet zo simpel. Voor de uitvoering van een klein plan – zeg, het elektrificeren van een dorp – heb je soms een groter en ingewikkeld plan nodig – zoals de aanleg van een dam. Het betoog van de econoom Easterly gaat ook wringen als hij het falen van het Westen aanstipt bij de aanpak van een complex probleem als de aidsepidemie. Hij foetert dat het Westen veel te weinig deed aan – goedkope – preventie (condooms) omdat dat minder aantrekkelijk zou zijn, en nu juist alles op alles zet voor dure aidsremmende medicijnen – waarmee je effect sorteert bij de kiezers thuis.
Dat is maar ten dele waar. Het falen van aidspreventieprogramma’s is ingewikkelder dan dat. Juist bij een ziekte als aids spelen socio-economische redenen en lokale taboes rondom ziekte en seks een grote rol. Om dan de schuld te geven aan westerse organisaties is wat makkelijk.
De grote instellingen doen eigenlijk alles consequent fout
Lees verder
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.

