Laatbloeiers in de polder

De lange golven van de Nederlandse economie

Waarom miste het eerder zo rijke Nederland zoveel kansen toen in de negentiende eeuw de industriële revolutie op gang kwam? En hoe kwam het toch nog goed?Een diepgravende studie geeft een nieuwe verklaring.

Jan Luiten van Zanden en Arthur van Riel: Nederland 1780-1914. Staat, instituties en economische ontwikkeling. Balans, 480 blz. ƒ79,50Oude economie

In 1828 wil de Limburger Cantillon een stoomkorenmolen in Amsterdam installeren. Buurtbewoners komen massaal in actie (gevaar, stank, lawaai, ratten). Het rekest van het kartel van windmolenaars voorspelt dat oneerlijke concurrentie tot `eene totale ruïne' voor hun bedrijf zal leiden. Stad en provincie adviseren negatief. Maar Koning Willem I ziet wel wat in modernisering van het maalbedrijf, zij het dat de nieuwe concurrent een andere nabijgelegen locatie moet zoeken. Cantillon zet zijn maalloon belangrijk onder dat van het windmolenkartel, maar dit reageert direct krachtig en prijst de stoommaler vervolgens uit de markt. Andere pogingen om met moderne stoomtechnologie een plaats op de afgeschermde Amsterdamse markt te veroveren, stranden in vergelijkbare concurrentieslagen. Pas in 1855 weet Samuel Sarphati met zijn Maatschappij der meel- en broodfabrieken het meelkartel te breken waarna de broodprijs met zo'n twintig tot dertig procent daalt.

Nederland 1780-1914, waarin deze geschiedenis wordt beschreven, geeft de 21e-eeuwse lezer een continu gevoel van déjà vu. De reacties van het Amsterdamse meelkartel resoneren in de bombarie van te weinig servicebewuste taxiondernemers, te vroeg sluitende winkeliers, te dure notarissen, samenspannende makelaars enzovoorts. Allemaal beroepsgroepen die hun (zelf) gereguleerde marktposities anderhalve eeuw na de introductie van de stoomkorenmolen bedreigd zagen door het offensief van marktwerking en deregulering van Hans Wijers, de vorige minister van Economische Zaken. Met veel oog voor detail en verhelderende speciaalstudies illustreert het boek de grote golfbeweging die het Nederlandse economische beleid steeds weer blijkt te doorlopen, met opeenvolgende fasen van afscherming en opening van markten, uit de hand gelopen openbare financiën en saneringsoperaties, groeiend corporatisme en terugkeer naar gedecentraliseerde verhoudingen, gerichte industriepolitiek en terugtredende overheid. Alles is al eens gezegd en geprobeerd in onze poldereconomie. Alle wegen zijn bewandeld en in alle richtingen.

Nederland 1780-1914 is echter meer dan een recherche du temps perdu. De studie is een spin-off van een omvangrijk historisch-economisch project van de universiteiten van Amsterdam, Groningen en Utrecht om nationale rekeningen voor de negentiende eeuw op te stellen. Deze rekeningen, die tegenwoordig door het CBS worden vervaardigd, vormen de nationale boekhouding die een consistent overzicht geeft van de componenten van ons nationaal product: consumptie, investeringen, overheidsuitgaven en internationale handel. Voor een goed en objectiveerbaar begrip van de economische omstandigheden in het verleden is een intelligente evaluatie van de stoffige gegevens uit de economische archieven onontbeerlijk.

Hoogstandje

Het is op zichzelf al een wetenschappelijke hoogstandje om twee eeuwen na dato het overgeleverde, veelal incomplete en voor andere doeleinden verzamelde, statistische materiaal alsnog te verwerken in de moderne systematiek van de nationale rekeningen. Het aardige van dit project is echter, dat het daartoe niet beperkt blijft, maar dat de gegevens in Nederland 1780-1914 toegankelijk worden geïnterpreteerd. Tijdens het economisch-historische speurwerk, dat zich baseert op een vijftiental recente dissertaties, zijn bovendien vele nieuwe feiten aan het licht gekomen (waaronder een nieuwe, vroegere datering van het begin van moderne economische groei) die nopen tot het herschrijven van de Nederlandse economische geschiedenis.

Deze omvattende taak is voor Van Zanden en Van Riel nog niet genoeg. Zij gaan verder en proberen een moderne interpretatie te geven in het licht van de zogenoemde `nieuwe institutionele economie'. Kernpunt van deze benadering is het verklaren van economische ontwikkelingen door de prikkels te analyseren die instituties geven aan beleidsmakers, producenten en consumenten. Met deze interpretatie willen Van Zanden en Van Riel aantonen hoe verschillende grondwetten en grondwetsveranderingen in Nederland de economische ontwikkeling hebben beïnvloed, waarbij de ijkpunten achtereenvolgens zijn: de vestiging van een eenheidsstaat (1798), de vorming van het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden (1813), de doorbraak van de liberale censusdemocratie (1848) en de grondwettelijke uitbreidingen van het kiesrecht, na 1887.

Misschien hebben de auteurs in deze aanpak gelijk. Een boek over economische geschiedenis, dat moet immers haast wel gortdroog en slaapverwekkend zijn. De politieke dimensie van het boek maakt de materie pittiger en voor een breder publiek aantrekkelijk. De pretentie aannemelijk te maken dat er een ondubbelzinnige relatie bestaat tussen Grondwet en groei, wordt echter niet waargemaakt: in het algemeen kan men beter met platvloerse economie dan met de hogere juristerij uit de voeten om te begrijpen hoe en waarom de Nederlandse volkshuishouding zich ontwikkelt.

Gelukkig heeft dit de geloofwaardigheid van de studie niet aangetast. Er wordt zeer leesbaar een breed inzicht geboden in de economische activiteiten buiten het Binnenhof, van de gezinshuishouding tot de (opkomend) grootindustrieel en van de moeilijkheden van de haringvisser om een hoogwaardig kwaliteitsproduct winstgevend af te zetten, tot de rol van meneer pastoor in de coöperatieve landbouwkredietbanken. Per slot van rekening wordt de economie gemaakt op dit micro-niveau en niet door de droge letter van de Grondwet.

Het beginpunt van Nederland 1780-1914 ligt in de zeventiende en achttiende eeuw, een periode waarin de vaderlandse economie de grenzen van de premoderne groei bereikte. Holland is dan de toonaangevende, internationaal georiënteerde economische grootmacht met een zeer hoge productiviteit. De `bankgulden', de rekeneenheid van de Amsterdamse Wisselbank, is de internationale sleutelvaluta. De vooruitzichten van deze New Economy van de zestiende en zeventiende eeuw worden echter ondergraven door het geringe potentieel van de binnenlandse markt en de onmacht om voldoende middelen te genereren voor het (letterlijk!) veroveren van internationaal marktaandeel, een onmacht die wordt veroorzaakt door het extreme decentralisme van de Republiek. Hierdoor raken de investeringsmogelijkheden uitgeput en daalt de winstvoet.

Stagnatie

Zo verwordt Nederland tot een klassieke case study, reeds uitgebreid besproken door Adam Smith, de grondlegger van de moderne economische wetenschap, in zijn An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations (1776). Holland als het prototype van de `stationary state', een stagnerende economie die ophoudt te groeien doordat kapitaal maximaal is geaccumuleerd. Rond het begin van de negentiende eeuw ligt het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking op ongeveer hetzelfde niveau als aan het eind van de zeventiende eeuw. Niet alles stagneert natuurlijk. Sommige dingen groeien (de staatsschuld bijvoorbeeld, die over deze periode ruwweg verzevenvoudigt) en andere dingen krimpen (het Nederlandse aandeel in de internationale handelsvloot loopt terug van 40 procent in 1670 tot 12 procent in 1780). Voor het land als geheel geldt dat stilstand achteruitgang is, al blijft de teloorgang nog lang verborgen achter de façade van een relatief hoog inkomen per hoofd.

Van Zanden en Van Riel relateren het vaderlandse economische verlies vooral aan institutionele onmacht, in het bijzonder aan het gebrek aan gecentraliseerd financieel-economisch beleid en dan vooral aan de afwezigheid van een nationaal belastingsysteem. De Franse bevrijding en overheersing in 1795 veranderen de institutionele omgeving en vormen de basis voor een eenheidsstaat, maar opvallend genoeg nog zonder te leiden een economische keer ten goede. Natuurlijk speelt daarbij mee dat Frankrijk de Bataafse Republiek vooral behandelt als wingewest en dat het verliezen van de mondiale economische suprematie omvangrijke aanpassingskosten met zich meebrengt. Maar tegelijkertijd plaatst dit uitblijven van economisch herstel een eerste vraagteken bij de centrale stelling van Nederland 1780-1914, namelijk dat de organisatie van de staat de economische ontwikkeling bepaalt.

In de daaropvolgende kwart eeuw brengt de nieuwe Grondwet van 1814/15 wel de institutionele vernieuwing die in principe het potentieel voor binnenlandse groeidynamiek zou moeten kunnen laten ontbranden. Ook het economische,autocratische leiderschap van koning Willem I, een nieuwe vorst die sterk geïnteresseerd is in de industrie en met veel elan, subsidie en eigen vermogen direct betrokken is bij de modernisering van de economie, slaagt er niet in de Nederlanden in een fase van moderne economische groei te forceren. Nederland 1780-1914 gaat gedetailleerd in op het beleid van onze `kanalenkoning' die voortvarend een industrie- en groeibeleid avant la lettre ontwikkelt en ten uitvoer brengt, maar die met de bodem van de schatkist in zicht het ene fiscale gat met het andere moet dichten om zijn plannen te bekostigen. Hij kan dat ook lange tijd min of meer ongehinderd doen omdat het budgetrecht van de Staten-Generaal sterk is ingeperkt, onder andere doordat begrotingen voor een periode van tien jaar worden vastgesteld.

Van Zanden en Van Riel hebben dus een helder punt als zij de ontsporing van de openbare financiën onder Willem I herleiden tot diens sterke constitutionele machtsbasis en de zwakke positie van het budgetrecht van het parlement in de Grondwet. Maar het is zeer de vraag of de relevante causaliteit van Grondwet naar economische ontwikkeling loopt, of dat de economische ontwikkeling (financieel wanbeleid) niet uiteindelijk de Grondwet dicteert. Het is bijvoorbeeld veelzeggend dat de financiële chaos met de troonsafstand van Willem I kan worden geassocieerd en dat de vereniging van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden spaak loopt op de economische tegenstellingen tussen België en Holland inzake handelspolitiek, belastingheffing en de richting en het tempo van industrialisatie.

Sanering

Van Zanden en Van Riel dragen twee overtuigende economische redenen aan om te verklaren dat Nederland ook later in de negentiende eeuw in vergelijking met andere Europese landen een laatbloeier is. De eerste reden is de langdurige sanering van de onder Willem I volledig uit de hand gelopen overheidsschuld, waardoor pas rond 1860 geld beschikbaar komt voor overheidsinvesteringen in hoogwaardige infrastructurele werken (waaronder een nationaal spoorwegennet en de nieuwe zeeverbindingen van Amsterdam en Rotterdam), die noodzakelijk zijn voor een betere interne en externe integratie van de Nederlandse economie.

De tweede reden is de heffing op energiedragers, die de introductie van stoomkracht lange tijd ten onrechte onrendabel maakte. De mate waarin deze indirecte belastingen het marktproces verstoorden kan goed worden geïllustreerd met de scherpe daling van het aandeel van turf in het energieverbruik, dat uit hun afschaffing resulteerde. In nauwelijks twee jaar daalde dat van 50 procent naar 38 procent.

Zodra de inconsistentie is weggenomen tussen enerzijds het streven naar internationale vrijhandel en anderzijds de ernstige verstoring van binnenlandse prijsverhoudingen, en Nederlandse ondernemingen een vergelijkbare kostenstructuur krijgen als hun Engelse, Duitse en Belgische concurrenten, vindt de omschakeling naar moderne productietechnieken tamelijk snel plaats. Na 1880, als de tweede industriële revolutie (elektriciteit) zich aftekent, blijken Nederlandse ondernemingen vervolgens de aansluiting met het buitenland goed te kunnen vinden.

Het proces van moderne economische groei leidt vervolgens in de tweede helft van de negentiende eeuw tot hogere productiviteit en een zichzelf versterkend proces, waarin productiviteitsstijgingen een hoger gemiddeld inkomen voeden en tot vergroting van de nationale bestedingen leiden, waardoor de productiviteit weer verder kan stijgen en het inkomen verder aantrekt. Deze samenhangende groei van welvaart en productiviteit maakt een hoger scholingsniveau van de gehele bevolking zowel noodzakelijk als mogelijk. Nieuwe markten, producten, productietechnieken en structuurveranderingen scheppen onorthodoxe arbeidskansen waardoor de sociale mobiliteit toeneemt. De maatschappelijke krachten die worden losgemaakt door scholing en doorbreking van de starheid van de arbeidsmarkt zijn de drijvende factoren achter de uitbreiding van het kiesrecht in de Grondwet, die in de kern aan de basis staat van de verzuiling en het neo-corporatisme waarmee eerst in de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw kan worden afgerekend.

Bepalen instituties van staat en standen de ontwikkeling van de economie? Het is vandaag de dag misschien niet meer zo en vogue, maar bij lezing van Nederland 1780-1914 komt regelmatig de gedachte op dat er misschien toch wel wat zit in de spiegelbeeldige marxistische gedachte dat de onderbouw (de economie) uiteindelijk de bovenbouw (de instituties) bepaalt. Of, om het wat moderner te formuleren, dat doelmatigheid uiteindelijk de doorslaggevende rechtvaardiging voor elke institutie is. Instituties veranderen derhalve als de economische condities van plaats en tijd veranderen. De aanpak van Van Zanden en van Riel om de economische ontwikkeling te analyseren met het institutionele raamwerk als gegeven uitgangspunt is daarom op de korte tot middellange termijn nuttig en verhelderend, maar in het eeuwperspectief van Nederland 1780-1914 lijkt de omgekeerde route, de invloed van de economie op de instituties, tenminste even belangrijk. De trage opeenvolging van institutionele constellaties die voortbestaan tot de economische krachten die zij oproepen hun onontkoombare verandering weer afdwingen, die drijft immers uiteindelijk de lange golfbeweging in het beleidskader van onze poldereconomie.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.