Met een kapmes door het geweten
Zuid-Afrikaanse schrijvers leggen de lezer geen moreel oordeel meer op
Niet langer het slachtofferschap, maar het waarom van het dader-zijn staat centraal in de Zuid-Afrikaanse literatuur, afgaande op twee recente romans en een bloemlezing.
Jason Donald:
Choke Chain.
Vintage, 256 blz. € 17,90
De literaire weg van slachtofferschap naar schaamteloosheid kan lang zijn. Twee nieuwe romans uit Zuid-Afrika geven, samen met de historische bloemlezing Heerengracht Zuid-Afrika, een mooi beeld van die route. De vroege geschiedenis van de Afrikaanse letterkunde staat vol verhalen over daders en slachtoffers, waarbij de laatsten via verhalen alsnog geschiedenis willen schrijven.
Opvallend genoeg gaat het in twee recente romans niet om het signaleren van misstanden, maar om het perspectief van de schaamteloze: Zes beetwonden en een tetanusprik van Richard de Nooy en Choke Chain van Jason Donald. Donald schreef een coming of age-roman over twee broers die opgroeien in een arm Engelstalig blank gezin. De vader leert zijn zonen hard te zijn – met mededogen kom je nergens – en legt uit dat je niet met Afrikaners moet omgaan omdat ze niet deugen en dat je je van zwarten (‘kaffers’ genoemd) net zo goed kunt negeren. Dat laatst wordt pijnlijk uitgewerkt in een passage waarin de vader en zijn zoons recente aankoopbonnetjes uit prullenbakken halen. Met die bonnen vorderen ze producten terug bij een bewaardepot. Die spullen zijn er uiteraard niet, toch krijgt de vader het bedrag voor zijn ‘aangeschafte’ goederen terug, al gaat dat ten koste van de zwarte, krom Engels pratende vrouw die in het depot werkt.
De Nooy groeide op in Johannesburg, maar woont inmiddels ruim twintig jaar in Amsterdam. Aan de hand van terugblikken vertelt hij een mooi verhaal waarin geweld voor twee broers steeds meer een manier van leven wordt die uiteindelijk zelfs allesbepalend blijkt. Bij De Nooy, maar ook bij Donald, ontbreekt de buitenstaander die de rol van slachtoffer en dader in een perspectief plaatst en die een schuldvraag stelt. In plaats daarvan beschrijven ze hoe daders omgaan met een belaste maatschappij en een belast verleden. De lezer krijgt geen moreel oordeel meer opgelegd. Sterker nog, bij De Nooy word je knap meegetrokken in de genadeloze gedachtenwereld van de broers. Zoals de ik in Zes beetwonden… opmerkt: ‘Daar had je het weer – die welbekende pioniersgeest die zo karakteristiek is voor het gemenebest ten zuiden van de evenaar, waar echte mannen weten dat echte vrijheid besloten ligt in het recht om te doen en zeggen wat je maar wilt, wanneer je maar wilt, in de vaste overtuiging dat geweten en manieren een dicht struikgewas zijn waar je óf met een grote boog omheen moet óf met een kapmes doorheen moet.’
Hufterigheid
De ontwikkeling van die pioniersgeest, en dus vooral de manier waarop die geest zich uitdrukte, is interessant. Zo onomwonden als bij De Nooy is het bepaald niet altijd geweest. De ‘hufterigheid’ van die pioniers was er misschien al eerder, maar het duurde lang voordat ze hun slachtofferschap van zich durfden af te schudden.
Mooie voorbeelden daarvan zijn te vinden in Heerengracht Zuid-Afrika. Samenstellers Eep Francken en Olf Praamstra kozen ervoor om de verhalen van Nederlanders in en over Zuid-Afrika in drie categorieën te verdelen: Het Nederlands als inheemse taal (1800-1875), Het Nederlands naast het Afrikaans (1875-1925) en het Nederlands als immigrantentaal (vanaf 1925). Ze gingen uit van het idee dat ‘naast de Indische, Surinaamse en Antilliaanse als vierde de Zuid-Afrikaanse Nederlandse literatuur staat’, en ook dat deze ten onrechte nog niet als zodanig bekend is in Nederland.
Het resultaat is een gevarieerd geheel, zowel in teksttype (gedichten staan naast verhandelingen en prozafragmenten) als in thema’s – waarbij dat van het slachtoffer de opvallendste rode draad vormt.
Verrassend genoeg waren dat aanvankelijk de Nederlanders zelf: de zendeling als slachtoffer. Deze zendelingen moesten in Zuid-Afrika zowel de Hottentotten als de Boeren bekeren. Je krijgt een beeld van de christenen die zich staande houden in het ruige en gewelddadige land. Zo klaagt Jacob Haafner in 1807 over de domheid en de barbaarsheid die hij aantreft. ‘Tussen veel van deze Boeren en de Hottentotten is niet meer onderscheid dan dat de eerst gemelden geen caros (zo wordt de schapenvacht genoemd waarmee zich de anderen bedekken) dragen, noch zich met roet en schapenvet besmeren; voor het overige zijn zij even dom, even onkundig van de christelijke godsdienst en van de wetenschappen als de Hottentotten’. Het bleek telkens een te zware taak om het christendom onder de Hottentotten te verspreiden. En wat was behalve de domheid van de Boeren nog meer het probleem? Ze waren behalve goddeloos ook tiranniek, en dwongen de inheemse bevolking telkens tot slavenarbeid of tot vertrek.
Al snel komt er meer aandacht voor hoe er met de inheemse bevolking wordt omgegaan. De aard van het slachtofferschap verschuift daardoor enigszins. Zo laat predikantdichter P. Huet halverwege de 19de eeuw een ‘kafferkind’ zeggen: ‘Wat maakt hun hart zo wreed? Zijn zij zo kwaad geboren? / Of is ’t het Grote Boek, waaruit men ’s avonds leest? […] Ach! beter duizendmaal verscheurd door tijgertanden, / Dan voor mijn leven lang in deze christenlanden. Geen wolf, geen leeuw zo wreed als „christenmensen” zijn’. Met het verdwijnen van de zendingsmissie komt er ruimte voorverhalen van kleurlingen en verhalen uit de orale overlevering. Deze lijken uit antropologische interesse te zijn opgeschreven en geven vooral de ruigheid van het land weer. Van echte inmenging is geen sprake.
Historisch interessante staaltjes van eigen leed vind je in de fragmenten die over de ‘Grote Trek’ gaan (de Boeren trokken weg uit de Kaap om te ontkomen aan het Britse koloniale bestuur). Zo is er in het dagboek van Erasmus Smit uit 1836 aandacht voor de harde natuur en de gevechten met de mannen van Zulu-leider Dingaan. Vele doden zijn te betreuren, onder wie ook Smits zoon. Wat de Boeren op de been houdt, is bidden en samenzang.
Ruim een halve eeuw later is het de Anglo-Boerenoorlog die de Boeren dwingt te vertrekken. Taalstrijder, journalist en onderwijsvernieuwer S.J. du Toit had nog wel gepleit voor meer samenwerking met de Britten en gewezen op de verkeerde start in de kolonisatie van Zuid-Afrika. Daarbij maakt hij een interessante vergelijking met Nederlands-Indië. In plaats van telkens de strijd aan te gaan met de lokale bevolking zou het beter zijn samen te werken: ‘In Indië bevonden zowel de Hollandse als de Engelse regering zich goed bij de naturellenpolitiek van de invloed der stamhoofden tot hun nut te keren door de kapiteins voor zich te winnen en feitelijk tot staatsdienaar te maken.’ Du Toit kwam echter in een isolement terecht. Oorlogsdagboeken en verhalen van Zuid- Afrikaanse Ketelbinkies die de toorn der kaffers en Britten niet overleven, voerden de boventoon.
Pas als apartheid gemeengoed is, verschuift het perspectief van slachtoffer naar dader. De blanke toeschouwer schrijft op wat hij ziet, alleen gaan de verhalen gaan nu over de ander. De hier opgenomen verhalen werpen geen verrassend nieuw licht op de verhalen van de blanke Zuid-Afrikaanse schrijvers die we al kennen. Piet Valkman laat een van zijn personages nog wel zeggen: ‘de hele wereld verdient handenvol aan apartheid, zelfs de Chinezen die stiekem onze maïs kopen, maar wij krijgen de schuld van alles’. Maar veel meer reflectie vanuit de Nederlands-Afrikaner is er niet. Opvallend genoeg zijn het vaak verhalen over journalisten of fotografen: observerenden, geen partijdigen.
Een kleine kentering op dit perspectief blijkt uit het fragment van Henk van Woerden dat in deze bloemlezing is opgenomen. Uit zijn roman Een mond vol glas (1998), over Demitrios Tsafendas (moordenaar van apartheidsarchitect Hendrik Verwoerd) is de opening opgenomen. Het perspectief ligt bij zowel Tsafendas als bij Van Woerden. Hoe Van Woerden (‘een halfbakken Hollander’) in 1966 over de moord op Verwoerd hoorde en dertig jaar later op zoek gaat naar Tsafendas’ motieven achter de moord. Van schaamteloosheid zoals bij De Nooy en Donald is nog geen sprake, maar twijfel aan het perspectief van de buitenstaander is er al wel.
De Nederlander De Nooy schreef zijn roman in het Engels en ontbreekt daarom in de bloemlezing. Maar zijn verhaal is een mooi sluitstuk van een ontwikkeling die zichtbaar maakt hoe Nederlandse schrijvers steeds minder schrijven over ‘goedbedoelende’ zendelingen en meer over nietsontziende roekeloosheid.
Lees verder
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.

