Niet op één dag geruïneerd

Edward Gibbons ondergang van Rome vertaald

Historici hebben zijn beeld van de late Oudheid inmiddels drastisch herzien, maar Edward Gibbons `Verval en ondergang van het Romeinse Rijk' geldt nog steeds als een model van cultuurpessimisme. Maar Gibbon was ook een groot ironicus, en zijn boek een literair meesterwerk.

Eerdere Nederlandse vertalingen verschenen in 1981 van Willem Nieuwenhuis (een selectie): Herfsttij en ondergang van het Romeinde Rijk, uitg. Becht Amsterdam/Nederlandse Boekhandel Antwerpen en in 1810 en 1811 van N. Messchaert: De geschiedenis van het verval en den ondergang des Romeinschen Rijks (selectie, in 2 delen), uitg. J. Allart Amsterdam.

Tijdens een invallende oktoberavond zat in 1764 een kleine man met een rond hoofd, waarop twee bolle wangen als billen naar voren staken, bij de Santa Maria d'Araceli, de Middeleeuwse Franciscanerkerk vlakbij het Capitool. Een kerk die, door zijn rust, nog steeds een toevluchtsoord is voor de door drukte en hitte geïntimideerde reiziger. De sereniteit werd versterkt door de klank van de vespers, gezongen door de Zoccolanti oftewel `blootsvoetsbroeders'. Een moment, kortom, waarop menigeen zou denken aan de deugdzame Franciscus en zijn integere leer van ascese, liefde en onthechting.

Zo niet Edward Gibbon. Met één van de beroemdste zinnen uit de Engelse literatuur markeert hij deze zoete avond in zijn Autobiography: `It was at Rome on the 15th of october 1764, as I sat musing amidst the ruins of the Capitol [...], that the idea of writing the decline and fall of the City first started to my mind'. Verval en ondergang, dát werd zijn thema.

De triomf van de christelijke kerk betekende voor Gibbon het einde voor de glorieuze antieke beschaving. Dat wordt pas goed duidelijk voor wie de ironie van deze beroemde historicus op waarde weet te schatten: op het Capitool te Rome bevonden zich in 1764 helemaal geen ruïnes, zoals hij schrijft, maar Michelangelo's Piazza del Campidoglio. Dat plein is eerder een symbool voor de renaissance van de Oudheid. Maar Gibbon goochelt wel vaker met feiten en waarnemingen. Zeker is, dat een Middeleeuwse kerk als de Santa Maria voor hem hét symbool was voor wat verloren was gegaan. In het barbaarse habijt van de zingende Franciscanen zag hij de ondergang van Rome's blinkende toga's.

Edward Gibbon (1737-1794) was gevoelig voor grote momenten. Wanneer hij 23 jaar later de laatste zin van zijn ruim 2700 pagina's tellende meesterwerk The Decline and Fall of the Roman Empire heeft neergeschreven, maakt hij in zijn dagboek gewag van de helderheid van de nacht die hem weer de beschikking geeft over vrije tijd, maar direct daarna van het melancholieke besef dat hij nu ook afscheid moet nemen van zijn dierbare metgezel, het lees- en schrijfgenot. Die sterke betrokkenheid bij zijn titanen-onderneming is een van de verklaringen voor de kwaliteit van zijn werk als historicus, maar vooral voor de grootsheid van zijn boek als literatuur. Van het omvangrijke Decline and Fall (1776-1788) werd in 1960 een verkorte uitgave bezorgd door D.M. Low, die bijna tweederde van de tekst en bijna alle voetnoten wegliet. Deze editie is nu vertaald door Paul Syrier, zodat een moderne Nederlandse versie beschikbaar is. Eerdere Nederlandse vertalingen dateren van 1811 en van 1981.

Een verkorte uitgave ligt ook voor de hand bij een haast megalomane onderneming: Gibbon wilde niet minder dan de periode van 180 na Christus (de dood van Marcus Aurelius) tot 1453 (de verovering van Constantinopel door de Ottomaanse Turken) uitputtend behandelen. En dat met behulp van moeilijk toegankelijke, duistere en soms nog niet wetenschappelijk uitgegeven bronnen. Megalomaan lijkt het ook, om het thema van de stad Rome uit te breiden tot de hele mediterrane wereld, zelfs tot Brittannië en Perzië aan toe. Misschien niet megalomaan, maar dan toch zeker riskant, was het bovendien om het christendom van alle ellende de schuld te geven. Want zelfs in de verlichte kringen van achttiende-eeuwse antiquarii, historici, literatoren en philosophes waar Gibbon verkeerde was dit nog altijd een omstreden interpretatie van de geschiedenis.

Geen wonder dat Gibbon ergernis opwekte. Voor veel lezers was zijn boek eenvoudig te omvangrijk, zoals voor de hertog van Gloucester die bij de aanbieding van het tweede deel uitriep: `Another damned, thick, square book! Always scribble, scribble, scribble! Eh! Mr Gibbon?' Voor anderen was het goddeloos, eigenwijs en scabreus. Maar wat wil je ook in een werk dat getuigt van een ruimhartig, en soms zelfs malicieus, inlevingsvermogen in alles wat menselijk is, ook in wat niet door een puriteinse beugel kon.

Aan die laatste categorie is bij Gibbon geen gebrek. Niet voor niets is Procopius' obscene roddelkroniek over keizer Justinianus en zijn vrouw, de ex-prostituee Theodora, een van zijn favoriete bronnen. Naast keizers, moeten pausen het ontgelden. Over Johannes XXIII, één van de drie pausen tussen wie het Concilie van Konstanz (1414-1418) de enige echte moest kiezen, schrijft hij dat de ergste aanklachten tegen hem nog achterwege bleven; hij werd `alleen maar' beschuldigd van piraterij, moord, verkrachting, sodomie en incest. Anders zijn het de Arabieren, wier bevelhebber na de inname van Salerno in een kerk `zijn bed spreidde op de communietafel en op dat altaar elke nacht de maagdelijkheid van een christelijke non offerde. Terwijl hij bij een van deze gelegenheden met een weerspannige dame worstelde, stortte er een dakbalk op zijn hoofd, waarna de dood van de lustige emir werd toegeschreven aan de gramschap van Christus'. Gibbon vindt dit alles natuurlijk schandelijk. Zó schandelijk dat het leuk wordt.

Juist door de scandaleuze aard van zijn stof – en de hilarische humor – bleven Gibbons critici in de minderheid. De Decline and Fall heeft sinds de publicatie ervan een groot, zelfs ongekend succes gehad. Voor periodes als de chaotische derde eeuw of de opkomst van de Noormannen in Zuid-Italië, is het nog steeds een veel gebruikt handboek onder cultuurhistorici. Maar het is meer dan dat. De Decline and Fall werd een begrip, een archetype van een manier van denken over de Oudheid, beschaving, decadentie en moderniteit. Gibbons relaas over de bloeiende en tolerante cultuur van de hoge Oudheid die vervalt in chaos, analfabetisme, bijgeloof en slavernij op alle fronten, heeft de vraag opgeroepen naar de aard van de Europese beschaving.

Pas duizend jaar na de teloorgang van het Romeinse bestuur in het westen, begonnen humanisten en kunstenaars die zich met de Oudheid bezig hielden, te beseffen dat de wereld en stijl van de late Oudheid afweken van het classicisme van de eerdere keizertijd. Tijdens de Renaissance, met zijn streven naar evenwicht, werd die verandering geïnterpreteerd als een verslechtering, een neergang. Dat is precies het model dat Gibbon en andere historici van de Verlichting later uitwerken. Zijn literaire genie is er de oorzaak van dat juist Gibbons behandeling zo'n weerklank kreeg en dat de nawerking ervan tot in de twintigste eeuw duurde.

Pas de laatste decennia is Gibbons beeld van de geschiedenis genuanceerd door historici die oog kregen voor de eigen dynamiek van de late Oudheid. Zij spraken niet meer over de late Oudheid in termen van boerse kunst en politieke chaos, van gebrek aan zowel maatschappelijke durf als culturele vaardigheid, maar kregen begrip voor de complexe positie van de bewoners van het laat-Romeinse Rijk. Zij begonen de nadruk te leggen op de wil, niet op het onvermogen, om een eigen kunst te maken, anders dan de na eeuwen gebruik versleten klassieke stijl. Historici kregen ook oog voor de sociaal-economische problematiek waar het enorme rijk mee te kampen kreeg, en waartegen men zich creatief en heroïsch probeerde te verweren.

Een voorbeeld van die revisie is te vinden in de benadering van de eerste `soldatenkeizer', Septimius Severus (193-211). Gibbon interpreteert diens maatregelen, die ten koste gingen van de Senaat en ten gunste waren van het leger, in het licht van eerdere `slechte' keizers die niet met de Senaat wilden samenwerken. Moderne historici benadrukken dat de militaire problematiek van het rijk nu eenmaal dringend om een nieuwe aanpak vroeg, en dat Septimius' bevoordeling van de ridderstand als een rechtvaardige sociale emancipatie kan worden gezien. Gibbon was dan ook geen moderne onderzoeker: hij was een `componist' van de laat-Romeinse geschiedenis.

Het gevolg van deze revisies, bedreven door historici als Ramsey MacMullen en Peter Brown, is dat de verlichte filosoof Gibbon de zwartepiet van het cultuurpessimisme kreeg toegespeeld, tegenwoordig een weinig populaire benadering. Maar hoe `pessimistisch' was Gibbon eigenlijk?

Een interessante invalshoek voor een antwoord op die vraag, biedt de moderne multiculturele samenleving, die een zekere verwantschap heeft met het laat-Romeinse Rijk. Gibbon besteedt veel aandacht aan rivalen en tegenstanders van het Romeinse Rijk, voor wie hij zelfs regelmatig zijn bewondering uitspreekt, of het nu gaat om Arabieren, Perzen, Hunnen of Mongolen. Hij heeft daarmee de horizon van de geschiedschrijving letterlijk verbreed, en lijkt zo een soort proto-multiculturalist. Tegelijkertijd laat hij vóór alles zien wat de klassieke oudheid te bieden heeft.

Bij herhaling noemt Gibbon als zijn grote thema de triomf van christelijke religie en barbarij. Dat wil, in de meest letterlijke zin, zeggen dat Rome is gevallen omdat het bezweek aan de horden barbaren die enerzijds haar grenzen en anderzijds haar instituties onder de voet liepen. Daarbij geeft Gibbon een nadere bepaling van wat hij onder beschaving verstaat: het gebruik van het alfabet, en lezen; het beslechten van conflicten door overleg en niet door geweld; een gepast wantrouwen ten aanzien van macht en pretentie, maar een bereidheid met deze noodzakelijke kwaden te leven; de omgangsvormen van een stad, met rechtbanken, scholen, theaters en baden; maar ook de vaste band met een plaats (in contrast met bijvoorbeeld een nomadische gemeenschap); een bereidheid voor die gemeenschap in het geweer te komen, desnoods met de inzet van leven, have en goed. En, belangrijkst van alles: vrijheid.

Zo'n principeverklaring wekt wantrouwen uit de mond van een ironicus. Maar Gibbon méént het. Rome's onderdanen werden door de autocratie van het late principaat zo geknecht dat ze geen burgers meer waren, zoals in een antieke stadstaat, maar onderdanen. En onderdanen voelen zich niet verantwoordelijk voor het geheel. Zoals Gibbon het formuleert: ze krimpen. `De toch al geringe statuur van de mensheid daalde [...] dagelijks onder de oude maatstaf, en de Romeinse wereld werd inderdaad nog slechts door een ras van dwergen bevolkt toen de woeste reuzen uit het noorden zich een weg naar binnen baanden en dit miezerige volk dwongen zich weer op te richten'.

Gebrek aan beschaving dus binnen de grenzen van het Rijk, maar ook daarbuiten. Want aan Gibbons criteria voor beschaving voldoet, ondanks zijn respect voor hun nobele kanten, géén van de stammen die Rome aanvielen. De barbaren doen uiteindelijk niet meer dan profiteren van de omstandigheid dat het Rijk te groot en autocratisch is geworden om zichzelf efficiënt te verdedigen. Rome volgt daarmee de melancholieke wet van alle organismen, en het verbaast Gibbon niet zozeer dat het Rijk viel, alswel dat het zo lang stand hield. En van lang standhouden kan men spreken, als het verval intreedt in 180 na Christus en zijn definitieve beslag krijgt in 1453, ruim twaalfhonderd jaar later.

Uit dat chronologische kader blijkt hoezeer Gibbon de Byzantijnse beschaving van het Oost-Romeinse Rijk ziet als een voortzetting van het uitgebluste westelijke deel van het Romeinse Rijk. Moderne Byzantinologen zijn ongelukkig met de consquenties van die visie, namelijk dat hun onderwerp in feite één groot vaarwel is, een langgerekt sterfbed dat duurt totdat het megakanon van Mohammed de Veroveraar de patiënt in 1453 het genadeschot geeft. Men kan Gibbon inderdaad verwijten dat hij de kracht en eigen aard van de Byzantijnse beschaving onderschat. Maar zoals altijd speelt bij zijn beschrijving de ironie hier een rol: de korte karakteristiek van juist de Byzantijnse geleerde Barlaam is een zelfportret van Gibbon: `een man van zeer onaanzienlijk gestalte, maar wel als waarlijk groot wat betrof de afmetingen van zijn eruditie en genie: een man met een doordringend onderscheidingsvermogen, hoewel hij traag en moeizaam sprak'. De indolente Byzantijnen, bij uitstek afstandelijk toeschouwer bij het historisch drama, leken verdacht veel op de historicus zelf.

Uiteindelijk is Gibbon niet zozeer een pessimist, alswel een scepticus. Zijn boek is minder een moralistische gesel dan een lof der zotheid. Hij schopt tegen heilige huisjes, maar is ten slotte de kampioen van de menselijkheid en in die zin dus toch een verlicht optimist. Dat blijkt uit het vervolg op de passage over de `krimpende' Romeinen: `de aanvallen van de [barbaren] herstelden een mannelijke geest van vrijheidslievendheid, en na de revolutie die tien eeuwen had geduurd, werd de vrijheid de gelukkige verwekster van smaak en wetenschap.' De Renaissance was een herbegin van de beschaafde rationaliteit van de Oudheid.

Gibbon was niet alleen een man van de grote greep. Fameus is niet alleen de strekking van Decline and Fall, maar ook Gibbons stijl, bijvoorbeeld zijn gebruik van one-liners. `Mohammed onderscheidde zich door zijn schoonheid, een uiterlijke gave waarop zelden wordt neergezien, behalve door degenen wie ze ontzegd is', schrijft hij. Gibbon, zelf voortdurend geplaagd met zijn uiterlijk in de `herenclub' waarvan hij deel uitmaakte met onder anderen Dr. Johnson en James Boswell, laat zo zien dat hij ook van zijn eigen handicaps afstand kan nemen. Eenmaal werd hij verliefd, op Suzanne Curchot, en vroeg zijn vader toestemming te trouwen. Diens weigering is vooral beroemd geworden door Gibbons bondige reactie: `I sighed as a lover, I obeyed as a son.' Misschien slaakte hij eerder een zucht van verlichting, zoals Peter Gay heeft opgemerkt.

Zijn beoogde verloofde, Suzanne Curchot, heeft er terecht op gewezen dat Tacitus model en bron is geweest voor de stijl van de Decline and Fall. Ze had misschien wel verder kunnen gaan: Gibbon is haast een voetnoot bij Tacitus. Dat is te zien aan Gibbons compositietechniek, die zich laat vergelijken met een antiek fries: contrastrijke beschrijvingen, filosofische analyses, kenmerkende scènes, alle meesterlijk in een aanschouwelijk verband samengebracht. Het blijkt ook uit zijn specifieke ironie. Net als Tacitus, heeft Gibbon een voorkeur voor paradoxale paring: hij spreekt van `het tere respect van Augustus voor de constitutie die hij had vernietigd'; de Grieken zijn `beschaafd en gecorrumpeerd'; de keizer `werd door principes en eigenbelang gedreven de Senaat te raadplegen'. Deze ook door Tacitus gehanteerde methode doet meer dan op slinkse wijze de motieven van zijn hoofdpersonen in twijfel trekken. De paradoxen worden haast gebruikt als een optisch illusiemiddel, zoals de glimlichtjes op een schilderij. Van veraf is de illusie perfect, maar bij nadere inspectie blijkt het `licht' uit een wit puntje te bestaan. Dát is de suggestieve, literaire, kracht van Gibbon, die voor eigentijdse historici onaanvaardbaar onwetenschappelijk is.

Gibbons hanteert ten slotte ook, evenals Tacitus, het ontluisterende verschil tussen de schijn van oprechtheid en de werkelijkheid van het menselijk tekort. Maar waar het bij de oude Romeinse historicus ging om het contrast tussen democratie (de schijn) en autocratie (de werkelijkheid), past Gibbon dit dualisme toe op het christendom. De schijn van heiligheid komt zo te staan tegenover de realiteit van corruptie; de schijn van nederigheid tegenover absolute macht; de schijn van waarachtige eenvoud tegenover domme barbarij. De uitgeteerde monniken uit de Egyptische woestijn, met wormen in de mond en alleen baarden om hun naaktheid te bedekken, zijn het bewijs van Rome's verval. De vernietigende beschrijving van Simeon de Styliet, de pilaarheilige, is niet voor niets geplaatst vlak voor zijn voorlopige conclusie middenin het werk, de befaamde General considerations on the fall of the Roman West.

Schrijvenderwijs ging Gibbon zo steeds meer inzien dat zijn thema, `barbarij en religie', minder een tweeluik was dan hij had gedacht. De grootste boosdoener was de christelijke religie, die een fundamentele kracht tegen de beschaving bleek, oude en hechte sociale verbanden ondermijnde, fanatisme stimuleerde en opriep tot moord en doodslag. Niet barbarij èn religie dus, maar barbarij, dat wil zeggen: religie. In die zin is Gibbon bij uitstek een Verlichtingsdenker, zoals de anticlericale Voltaire en Montesquieu.

Paul Syrier heeft zijn vertaalwerk voor deze editie goed gedaan. Jammer is nog steeds het ontbreken van bijna alle noten, die zo goed op hun plaats zijn in een kalme en mijmerende lectuur van Gibbon. Maar ook met deze korte versie in de hand is het mogelijk om naar het Capitool te trekken en Gibbons gedachtes op onze eigen tijd los te laten. Daar staat nog altijd de Santa Maria d'Araceli en vlakbij de kopie van de bronzen Marcus Aurelius te paard, onder wiens stoïcijnse blik nu, in het Heilige Jaar 2000, de pelgrims met hun door het Vaticaan verstrekte gele petjes in duizendvoud rondkrioelen, zonder daar overigens nog veel kwaad uit te kunnen richten. Gibbon had zich daar zeker om vermaakt.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.