Overleven in het Rampjaar 1672
Luc Panhuysen citeert te spaarzaam in zijn boek over het Hollandse annus horribilis
Een bijzondere correspondentie had historicus Panhuysen tot zijn beschikking. Benutte hij die ook?
Luc Panhuysen:
Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte.
Atlas, 480 blz, €39,90
Een paar jaar geleden schreef Luc Panhuysen de geschiedenis van de achtenswaardige gebroeders Jan en Cornelis de Witt, wier leven eindigde bij de Haagse gevangenpoort, waar een woedende menigte hun lichamen aan stukken scheurde. Dat was op 20 augustus 1672. Aan de lynchpartij dankt het jaartal maar zeer ten dele z’n theatrale bijnaam. Het annus horribilis was voor de stadhouderloze Republiek al in het vroege voorjaar begonnen met de oorlogsverklaringen van Engeland en de Duitse bisdommen Münster en Keulen, in juni gevolgd door de inval van Lodewijk XIV die een leger van meer dan 100.000 man zou hebben aangevoerd. Binnen een paar weken was het land driekwart van zijn grondgebied kwijt, en het zou misschien helemaal van de kaart zijn geveegd als tussen Zuiderzee en Merwede niet op het nippertje de Waterlinie was volgelopen en de Franse opmars werd gestuit. Dank zij het water en dank zij de 22-jarige, kersverse stadhouder Willem III van Oranje konden Zeeland en Holland vanuit niet veel meer dan een kuststrook de strijd voortzetten, en ten slotte zelfs nog winnen.
Panhuysens nieuwe boek heet Rampjaar 1672, en het is bijna pikant de gruwelijke lijkenschennis op Johan en Cornelis, die het uitvoerige sluitstuk vormde van het vorige boek (De ware vrijheid), nu zakelijk afgedaan te zien worden in niet veel meer dan anderhalve alinea. Alle geschiedenis kan altijd anders worden verteld, en korter. Prettig aan Rampjaar is dat het bijna de totale ‘Hollandse oorlog’ behelst die Lodewijk XIV nog tot 1678 (Vrede van Nijmegen) liet duren. Raar aan Rampjaar is de titel met dat nadrukkelijke jaartal er in – die slechts eenzesde van de inhoud dekt.
‘Voor dit boek’, schrijft Panhuysen in zijn verantwoording, ‘heb ik gebruik gemaakt van de briefwisseling tussen Margaretha Turnor, haar man Godard Adriaan van Reede en hun zoon Godard. Hun brieven berusten in het Utrechts Archief’. En ‘Wie leest wat zij elkaar schreven, beluistert een driehoeksgesprek. Elk vanuit hun eigen perspectief becommentarieerden ze de wereld en de gebeurtenissen om zich heen. [...] Tijdens het Rampjaar deden ze voor het handwerk van het overleven een voortdurend beroep op elkaar’.
Een gouden vondst, zou je zeggen, al kun je niet helemaal van een vondst spreken, want de correspondentie is voor een goed deel ook al lang openbaar gemaakt. Maar toch is zo’n correspondentie natuurlijk een buitenkans voor de geschiedschrijver– zeker als je bedenkt dat Godard Adriaan van Reede (1621-1691) één van de belangrijkste diplomaten van de Staten-Generaal was, die in het eerste jaar van de ‘Hollandse Oorlog’ de keurvorst van Brandenburg tot bondgenoot probeerde te maken. En dat Margaretha (1613-1700) als kasteelvrouwe van het Huis Amerongen in haar provincie een (ook politiek) invloedrijke grande dame was, bij wie de stadhouder na de oorlog zo nu en dan langs kwam voor een bord warm eten.
Panhuysens echte vondst is dat hij de ‘institutionele’ geschiedenis van angst, oorlog, vernieling, evacuatie en verlies wilde vertellen via de persoonlijke lotgevallen van een schrijfgrage familie. Hij gebruikte in feite de methode die Hella Haasse toepaste toen zij de epistolaire bekommernissen van diverse Hollandse theeplanters verdichtte tot de roman Heren van de thee, die een authentiek beeld oplevert van een laat-19de-eeuwse periode uit onze koloniale geschiedenis.
Maar ja, Hella Haasse.
De grote handicap van Luc Panhuysen is zijn onverzorgde, soms ronduit lelijke, en altijd anti-literaire Nederlands. Dat laatste zou (voor een historicus) niet eens een onoverkomelijk bezwaar zijn, als hij dan maar niet was overmand door het verlangen om het nou allemaal eens hyperliterair aan te pakken – waardoor je over Margaretha ineens een zin tegenkomt als deze: ‘Wie haar ademloze monologen leest, heeft nog lang daarna haar uitroepen in meisjeshandschrift op zijn netvlies’. Dat is alsof je Eddy Poelmann in het vuur van zijn voetbalverslag de ene ademloze metafoor na de andere hoort produceren.
Veel vervelender is nog de ervaring dat je Margaretha’s meisjeshandschrift met geen mogelijkheid op je netvlies krijgt – omdat Panhuysen het nergens ‘oproept’, maar vooral omdat hij zo ontzettend krenterig is met regelrechte citaten. Hij kan prat gaan op zestien archiefdozen met gemiddeld 90 verzonden, plus zeventig dozen met honderden ontvangen brieven – maar als lezer word je er niet of nauwelijks in gekend. De kans om behalve haar meisjeshandschrift ook iets van haar karakter, haar wanhoop, haar emoties te leren kennen is nihil: altijd staat Luc Panhuysen er als ‘vertaler’ tussen – terwijl hij het origineel toch voor het overschrijven had.
De drie ‘informatiedragers’, aan wie Panhuysen zijn 17de-eeuwse Heren van de Thee had kunnen ontlenen, blijven het hele boek door schimmige rijkelui. Margaretha is de meest intrigerende: de achterblijfster die door de Franse bezetters uit haar prachtige kasteel wordt verjaagd en als een displaced person beneden haar stand in Den Haag moet verblijven – lange tijd met haar (katholieke!) schoondochter met wie ze in onmin verkeert en met een groeiend aantal kleinkinderen. Van haar zou je alle brieven willen lezen. Haar zoon Godard is weliswaar officier in het prinselijke leger, maar hij lijkt geen geboren militair te zijn geweest, noch ook aanleg voor heroïek te hebben gehad. Hij wordt door Panhuysen getypeerd als ‘een moederskindje’. Over Godard Sr is wel nog een staaltje letterkundige mannetjesputterij te lezen, als hij – eindelijk op de terugweg van Berlijn naar huis – in een betere stemming komt: ‘Godard Adriaan verliet de klamme spelonken van zijn misantropie en zweefde omhoog op de luchtstromen van het welslagen van zijn missie’.
Wat een gemiste kansen. Of waren de gezinsbrieven niet zo rijk als Panhuysen had gehoopt, en luisterde je al lezend minder naar ‘een driehoeksgesprek’ dan hij in zijn inleiding verzekerde? Maar dan nog. Uit eerdere publicaties (er is veel over Margaretha als kasteelvrouwe) krijg je de indruk dat er levendige ooggetuigeverslagen van haar bestaan over bijvoorbeeld haar vlucht van Utrecht naar Holland.
De hoofdstukken waarin de militaire spanning aan weerszijden van Woerden wordt beschreven blijven gelukkig overeind. Panhuysen schetst heel adequaat de pogingen (van beide kanten) om krijgszuchtige oplossingen te forceren, en hij tekent een geloofwaardig beeld van de ‘zenuwenoorlog’ die aan Republikeinse kant is gevoeld, en gevoed met duizend-en-één verhalen. Maar het is opnieuw de auteur die ons de informatie mondjesmaat aanreikt; met citaten heeft hij ze nauwelijks willen of kunnen staven. Achteraf denk je: wat had het aan de hand van die Van Reedes een fascinerend boek kunnen worden.
Lees verder
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.
