Rampen komen op de terugweg

Alles beweegt en niets verandert in de nieuwe roman van Thomas Rosenboom

Thomas Rosenboom schrijft ook in ‘Zoete mond’ als een vorst die zijn onderdanen af en toe een ironische knipoog geeft. Maar wat wil hij ons écht laten zien?

Thomas Rosenboom:
Zoete mond.
Querido, 546 blz. € 28,50 / € 22,50

Er zijn mensen die het vierde hoofdstuk van Madame Bovary het mooiste vinden dat ooit is geschreven. Flaubert beschrijft de aankomst van de gasten op de bruiloft van de Bovary’s, de bewegingen van de koetsen, het geknal van de zwepen, het wrijven over de stijve knieën na het uitstappen, het geleidelijk uit het gelid raken van de bruidsstoet op de terugweg. De schoonheid zit in het ritme van de gepolijste zinnen, maar ook in de wijze waarop Flaubert de stilstand van het plattelandsleven vastlegt in een scène waarin juist alles in beweging is.

In het vierde hoofdstuk van Zoete mond beschrijft Thomas Rosenboom – die een nawoord schreef bij de recente Perpetua-uitgave van Madame Bovary – het fictieve dorp Angelen. Hij schetst de ligging aan de Rijn, de klimboom van de kinderen, de gewoonten van de bewoners en de bewegingen op de rivier met een gratie die je in Nederlandse romans eigenlijk nooit aantreft. Hij laat de vrachtschepen als trage beesten stroomopwaarts gaan: ‘Pas op het laatst draaiden ze dan bij, waarna ze, vlak onder de wal, tergend traag verder omhoog kropen, krib voor krib, van boei naar boei, zo zwaargaans dat het benauwend was om ernaar te kijken. Bij wijze van verademing verlegde men vervolgens de blik naar de parlevinker van Tolkamer die, iets verder bovenstrooms, in vrolijke tegenstelling tot de lange lijnen van de vrachtvaart, bedrijvig heen en weer schoot tussen de aken, langszij kwam, ze al varende bevoorraadde, en dan weer, deinend op de golven met zijn kleine romp, naar de volgende schoot, opgetogen als een jonge hond die van boom tot boom rent, altijd vol gas, druk en ordeloos, en zo toch altijd hetzelfde.’

Stilstand

Het portret van Angelen is een gecomprimeerde versie van de hele roman, waarin alles in beweging is, terwijl er net als bij Flaubert vooral een beeld van stilstand wordt opgeroepen. In de slotzin van het hoofdstuk schrijft Rosenboom over de mensen in Angelen ‘die wel stierven en geboren werden, maar voornamelijk toch hetzelfde bleven’.

Bekend terrein: de alomtegenwoordige middelmaat waaraan Rosenbooms naïeve personages zich willen ontworstelen, méé in de vaart der volkeren – waarna zij hun streven door eigen onvermogen zien mislukken. Ook in Zoete mond zijn de twee helden weer rijkelijk met naïviteit bedeeld. Rebert van Buyten is een contactschuwe student die uiteindelijk zijn roeping vindt als dierenarts en zelfs trouwt, maar na een adembenemende zeiltocht door het noodlot getroffen wordt en zich – weer alleen – vestigt in Angelen. Aldaar verlustigt hij zich in onkuise gedachten over een plaatselijke zeemansvrouw en verwerft hij onder kinderen een heldenstatus als diergenezer. Het is 1965.

Maar het dorp had al een held: de excentrieke landheer Jan de Loper, voor de oorlog befaamd om zijn langeafstandswandelingen door Indië en naar Parijs, de organisatie van de intocht van Sinterklaas en zijn vermogen om voorbijgangers gemoedelijk in de maling te nemen: een zelfgemaakt zebrapad op straat uitrollen om het verkeer te verwarren – dat werk. In de jaren zestig is Jan de Loper een vergeten curiosum dat wanhopig wacht op telefoon van zijn verhoopte biograaf. Een zekere sluwheid is deze oude baas niet vreemd: hij herkent in de nieuwe dierenarts dadelijk een concurrent, en dus een vijand. De rivaliteit bereikt een hoogtepunt rond het passeren van een verdwaalde witte belugawalvis – een historisch gegeven – die langs Angelen richting Duitsland trekt.

Wat de twee helden van Zoete mond missen, is de brandende ambitie die Rosenboompersonages fataal pleegt te worden. Rebert van Buyten, de hoofdpersoon die het meeste karakter heeft meegekregen alsmede een touch of genius, wil helemaal niet beter zijn dan zijn omgeving, hij wil er juist bij horen. Vanaf het begin van de roman volgen we zijn vergeefse pogingen om aansluiting te vinden: bij medestudenten, later bij andere volwassenen. Het levert hem harde slagen van het lot op.

De geringe eerzucht van Rebert maakt dat Zoete mond veel minder een typische Rosenboomroman is dan je zou denken. Het boek heeft ‘minder richting en vaart’ dan Rosenbooms eerdere werk, zei de schrijver vorige week in deze krant. Dat maakt je soms wat ongeduldig. Want Rosenboom schrijft weliswaar als een vorst die zijn onderdanen af en toe een ironische knipoog geeft, maar wat wil hij ons nu eigenlijk laten zien, behalve zijn talent?

Volgens de auteur zelf is Zoete mond ontsproten aan de liefde voor een huiskonijn. Dat kan zo wezen, en het boek wemelt van de dieren, maar het begin is hier niet de hoofdzaak. In de roman draait het vooral om de dierenliefde van de kinderen van Angelen, die maakt dat ze ook vallen voor hun nieuwe dierenarts. En om die kindergunst strijden Rebert en Jan de Loper.

Maar hoe volwassen zijn ze zelf? Hun conflict vechten ze uit met kinderlijke middelen: pepernoten gooien, roddelen, valse telefoontjes. Zoals ook hun verlangens – leuk gevonden worden, opname in een groep – in essentie kinderwensen zijn. Zo verandert Angelen in een kinderdorp, een soort Neverland – met dien verstande dat je je kunt afvragen hoe leuk het er is.

Dat we allemaal kinderen zijn, stelde Rosenboom al eerder vast, in zijn als Denkend aan Holland gepubliceerde Kellendonk-lezing 2005. Toen trok hij van leer tegen het geschreeuw en de mateloosheid van het hedendaagse kind.

Zo is er achter de zoetheid – en zeker aan het eind van Zoete mond laat een reeks goede daden van Rebert een weeë smaak achter – een schaduwzijde zichtbaar. Die heeft te maken met de verhouding tussen beweging en stilstand. De snelle parlevinker uit het hierboven aangehaalde hoofdstuk 4 gedraagt zich als een dier – of als een kind: een bootje dat snel als een jonge hond tussen de andere doorschiet. De beweging is constant, maar heeft geen doel.

Voettochten

Als je er eenmaal op gaat letten, wordt er ongelooflijk veel bewogen in Zoete mond. Maar het gaat nooit ergens naartoe; altijd zie je een eindeloos heen-en-weer. Dat geldt voor de lange voettochten van Jan de Loper, voor de tocht van de walvis (de Rijn tweemaal op en tweemaal af), een hardlooptocht van Rebert. En voor talloze kleinere verplaatsingen: iedereen keert steeds weer op zijn schreden terug in deze roman, vaak onverrichterzake. Bij elke weg hoort een terugweg – een gevaarlijke. De al gememoreerde zeiltocht dient om een boot terug te brengen, een fataal auto-ongeluk vindt op de terugweg plaats, teruglopend van de dierenarts raakt de jonge Rebert in moeilijkheden.

Zo blijkt Zoete mond veel vernuftiger gecomponeerd dan je op het eerste gezicht denkt: het gebrek aan richting is niet zomaar een kenmerk van het boek, een zwakheid misschien – het is juist precies waar het Rosenboom om te doen is.

Het is misschien de richtingloosheid die hij zelf heeft ervaren: na zijn Librisprijswinnende boeken Gewassen vlees (1994) en Publieke werken (1999) publiceerde hij in 2003 De nieuwe man, een roman die maar moeilijk tot leven wilde komen – een held kan nu eenmaal maar een beperkt aantal keren ten onder gaan. Rosenboom raakte in een impasse waarbij hij maar moeilijk richting aan zijn dagen kon geven.

In zijn nawoord over Madame Bovary schreef Rosenboom: ‘Als je erop let, zie je dat alles toe werkt naar de lach’. Het geldt ook voor hemzelf – Zoete mond is een tragedie die bestaat uit een aaneenschakeling van komische momenten. Of momenten die komisch hadden kunnen zijn, want de vergeefsheid waarvan de roman doortrokken is, maakt dat aan het eind van de rit een intens gevoel van mistroostigheid zich van je meester maakt.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.