Samen voor altijd ondergronds

Peter Terrin verbluft met een uitgesproken zinnelijke ideeënroman

Onwetendheid en angst zijn kernthema’s in het werk van Peter Terrin, waaraan nu een weergaloze roman over controle en liefde is toegevoegd.
Peter Terrin: De bewaker. De Arbeiderspers, 220 blz. € 19,95

Zo gaan we het doen:  ‘Jij stelt je op bij garage 3, duidelijk zichtbaar, je houdt hem onafgebroken onder schot. Akkoord?’ Als de deuren van het busje opengaan, hebben we een fractie van een seconde. ‘De beslissing om te vuren nemen we elk afzonderlijk. Maar als een van ons het vuur opent, treedt de ander hem onvoorwaardelijk bij.’

Nee, de openingsscène van de nieuwe roman van Peter Terrin  speelt zich niet af op een controlepost in Uruzgan, maar in de ondergrondse parkeergarage van een luxe appartementengebouw. Daar bereiden de twee hoofdfiguren van De bewaker zich niet voor op een onverhoedse aanval, maar op hun wekelijkse bevoorrading. Dat deze twee bewakers hun taak uiterst serieus nemen, lijdt geen twijfel. Als de één zijn Flock 28 schoonmaakt, houdt de ander zijn wapen onafgebroken gericht op de ingang van de garage, die de enige toegang tot het gebouw vormt. Een poort die, zo verzekert de ik-figuur Michel ons, sterk genoeg is om een raketinslag te weerstaan.

Waarom al die voorzorg? Is wat er zich binnen in het gebouw bevindt, zo waardevol of is de situatie buiten  zo bedreigend?

Terrin laat het lang in het midden, en zijn twee bewakers zullen het nooit weten. Zij zitten in hun parkeergarage als de bewoners van Plato’s grot, die naar schaduwen kijken zonder te weten dat dit de echte wereld niet is.

Onwetendheid en angst zijn kernthema’s in het werk van Peter Terrin, dat nu vier romans en twee verhalenbundels omvat. Steeds weer worden zijn personages geconfronteerd met een wereld die zij niet goed begrijpen en die hun angst aanjaagt. Die angst proberen zij te bezweren door het deel van de wereld dat binnen handbereik is, te controleren. Door regels, door formules.

Maar dat blijkt tegen die angst niet te helpen, waarna de pogingen tot controle krampachtiger worden, tot ten slotte blijkt dat de angst in het hoofd van de karakters vele malen gevaarlijker is dan die buitenwereld ooit zal zijn. Terrins boeken zijn dan ook veel meer dan verhalen, ze zijn nadrukkelijke allegorieën over de 21ste-eeuwse samenleving. Zo is ook De bewaker een microkosmos, zij het een die in hoge mate is uitgekleed: twee mannen en een gepantserde deur.

Peter Terrin (1968) vestigde zijn reputatie zes jaar geleden met Blanco. In die hartverscheurende roman liet hij zien hoe een door vrees verteerde weduwnaar de wereld zozeer gaat wantrouwen dat hij zichzelf en zijn negenjarige zoontje naar de afgrond voert. In de opvolger Vrouwen en kinderen eerst (2004) speelden verwante  mechanismen een rol, nu rond de ontmanteling van een machine in een verlaten fabriekshal – zij het dat dit boek de dramatische spanning ontbeerde die Blanco  zo onweerstaanbaar maakte.

Ook in De bewaker speelt angst een allesoverheersende rol. Michel en Harry, zijn collega-bewaker, zijn bang voor alles. Voor de man van de bevoorrading, voor andere mogelijke indringers en voor wat er met de stad gebeurd kan zijn, want al snel dringt er geen enkel geluid van buiten meer door. Hun zorgen (oorlog? atoomaanval? giframp?) worden versterkt wanneer op één na alle bewoners het complex verlaten, gevolgd door hun bedienden.

Harry en Michel klampen zich vast aan hun opdracht: ze gaan niet naar buiten, ze poetsen hun schoenen, tellen dagelijks de kogels in de munitievoorraad, leven op zelfgebakken brood en corned beef, slapen bij toerbeurt vijf uren en ze wachten. Op de bevoorrading en op de nieuwe bewaker, als versterking of als aflossing – wie zal het zeggen? De ‘organisatie’ die het gebouw bestiert laat niets van zich horen.

Dat De bewaker een beklemmende roman is, zal niemand na het voorgaande verbazen – en ook niet dat de hysterische plichtsbetrachting van de twee bewakers zijn komische kanten heeft. Dat garandeert echter nog geen geslaagde roman. Beklemming en absurdisme zijn mooi, maar niet genoeg om bladzijden te dragen, zoals uit Terrins eigen Vrouwen en kinderen eerst al bleek.

Gelukkig is De bewaker veel meer dan een Godot-remake met scriptadviezen van Kafka, Hermans, Pinter en Camus. Dat komt in de eerste plaats door het fijnzinnige observatievermogen van Michel, de verteller. Hij registreert met grote precisie geuren en geluiden, ziet het loshangende draadje aan het uniform van zijn compagnon, merkt het op wanneer iemand een hand op een schouder legt – en wanneer die weer wordt weggehaald.

Terrin schreef niet alleen een ideeënroman, maar ook een uitgesproken zinnelijke roman. Weergaloos is een scène na een twintigtal pagina’s, waarin het rantsoen van de mannen verrijkt blijkt met een pot aardbeienjam. De pot valt op de betonvloer aan stukken, waarna Michel en Harry de gevallen jam gehurkt samen soldaat maken, nadat Harry eerst de glasscherven eruit heeft gevist en afgelikt. Wat volgt is een explosie van smaak (zie kader) in een tafereel dat zindert van erotiek.

Zo begint het je geleidelijk te dagen dat De bewaker ook een liefdesroman is, een onuitgesproken en ongeconsumeerde liefde, maar toch. Wat begint bij het ‘kappen’ van elkaars baard met een bot aardappelmesje en het daarbij lospeuteren van in de wang gegroeide haartjes, wordt alras dwingender. Harry heeft het steeds frequenter over hun kansen om overgeplaatst te worden naar de ‘elite’, die zich wijdt aan de bewaking van villa’s met landerijen en halfnaakte vrouwen. En steeds gaat dat in termen van ‘jij en ik’, hij kan zich geen leven zonder Michel meer voorstellen.

Het is een vastberaden solidariteit die des te ontroerender werkt doordat je als lezer voelt hoe ver weg die ‘elite’ is, als die al bestaat. Je gaat van de twee mannen houden als van kinderen, als van het zwerfkatje dat in het klassieke Gouden Boekje Kareltje  zo verlangt naar een tuin om daar Tijger in het Gras te kunnen spelen. Hier wordt niets anders meer gekoesterd dan een droom, maar met volle overgave.

Dat dit alles ook een schaduwzijde heeft, blijkt als het natuurlijk evenwicht tussen Harry en Michel wordt verstoord, met rampzalige gevolgen. In het laatste deel krijgt de roman zo de trekken van een thriller, waarin de realiteit en de verbeelding van de geplaagde personages naadloos in elkaar overvloeien – zoals wel vaker in het tweede deel van Terrins boeken.

De bewaker  is zo een roman die je in zijn schoonheid en compleetheid verbluft achterlaat. Want tussen de bedrijven door verwerkt hij ook nog een thema als xenofobie in zijn mini-microkosmos  en laat hij Michel een opmerking over zijn ouders maken die ook over de hulpeloosheid van de hedendaagse mens gaat: ‘Ze hebben me geen uitgesproken talenten geschonken. Ze hebben me welwillend bijgestaan. Ze hebben mijn verwarring groter gemaakt. Met oneindig geduld schetsten ze een panoramisch uitzicht, wanneer ik baat had bij exacte coördinaten, en een bevel.’

Zo grijpt alles in elkaar tot op de laatste bladzijden, waarin Terrin nog even  de analogie  met Plato’s grotmythe rondmaakt. Want als de bewoners van die grot naar buiten gebracht worden om de zon te aanschouwen, raken zij verblind en willen zij nog maar één ding: terug naar binnen. Precies zo vergaat het Michel wanneer de waarheid over wat er buiten gaande is, voor het oprapen ligt. Hij wil het niet weten. Hij keert terug, stapt de lift weer in, drukt op de knop. ‘De gedachte over luttele seconden de vertrouwde kelder terug te zien! Dikke, warme tranen rollen in mijn baard. Een gigantische opluchting maakt mij licht als een veertje, ik dwarrel in de vallende cabine.’

Harry schept voorzichtig met de koffielepel in de brij, brengt die naar mijn mond, ik meen ter compensatie voor wat hij reeds van de glasscherven heeft genoten. Zodra de aardbeienjam in mijn mond ligt, vergeet ik het gevaar voor glassplinters, duw mijn tong tegen mijn verhemelte en slik krachtig door. Als door een schok verdoofd valt mijn mond open, er is te veel smaak, een deel moet worden afgevoerd; zoals een hond zich afkoelt, zit ik te hijgen van aardbei en suiker. De euforie zingt al door mijn aderen, als Harry zichzelf bedient. Hij kijkt me recht in de ogen. We weten wat de ander voelt.

Uit Peter Terrin: De bewaker

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.