Schiet eerst in zigzagpatronen en daarna laag

Soldatenverhalen: poëzie en proza uit de kazerne en van het front.

Soldatenverhalen: poëzie en proza uit de kazerne en van het front
Max Niematz: Het wachtlokaal. Contact, 176 blz. € 17,95 Niels Roelen: Soldaat in Uruzgan. Carrera, 270 blz. € 17,90 Arnon Grunberg: Kamermeisjes en soldaten. Nijgh & Van Ditmar, 329 blz. € 19,90


Ja, toen hebben we nogal gelachen. ‘De artillerie’, schreef het ministerie van Defensie aan de laatste dienstplichtigen, ‘houdt  zich bezig met het geven van vuur (het  schieten). De artillerie beweegt zich voort  op gepantserde voertuigen op rupsbanden.  Voor niet-ingewijden zien deze voertuigen  eruit als tanks.’ Briljante truc, vonden wij. De  vijand denkt een onschuldige tank te zien,  maar het ís geen tank, het is de artillerie. En  die schiet!
De afstand tussen Amsterdam-Zuid en het  Nederlandse leger was groot, zoals ook het  Nederlandse leger en de literatuur elkaar zelden opzoeken. Deze maand verschenen echter Max Niematz’ roman Het wachtlokaal over  een dienstplichtig militair en zag ook Soldaat  in Uruzgan het licht, van de Nederlandse officier Niels Roelen. Roelen had vorige maand  veel bekijks in het Amstel Hotel, waar hij namens Arnon Grunberg aanwezig was bij de uitreiking van de Libris Literatuurprijs. ‘Hij  ziet er helemaal niet uit als een soldaat’.
De verschillen tussen de twee boeken lijken groter dan de overeenkomsten. Niematz  beschrijft op ironische toon de verveling van  een jonge dienstplichtige  op de Veluwe. Roelen is hard en feitelijk, zijn beroepsmilitair  schiet en schreeuwt midden in een oorlogsgebied, hij vecht. Op het slagveld zou hij Niematz’ soldaat omverlopen zonder het te merken. Toch draaien de twee boeken uiteindelijk om dezelfde kern. Wanneer de embedded  schrijver Arnon Grunberg tegen het einde van Soldaat in Uruzgan een boek met zijn eigen  jeugdwerk cadeau doet aan de hoofdpersoon  van Roelens boek, schrijft hij erin ‘Jij gaat  mijn leven veranderen’.
Een ‘startsein voor een nieuw leven’, dat is  precies wat sergeant Miel Swartjes, de held  van Het wachtlokaal, van zijn diensttijd verwacht. Hij is een op het eerste gezicht weke  jongeman, meer een denker dan een doener,  waarbij het nog maar de vraag is hoe goed hij  daar eigenlijk in is, in denken. Het leger kan  misschien helpen: discipline, een opdracht –  wat precies is van ondergeschikt belang. Alles is beter dan zijn leven thuis, dat wordt gedomineerd door zijn vader, die na een zelfmoordpoging in een rolstoel zit. Dat het leger deze Swartjes geen soelaas biedt, maakt  Niematz al kort na de fraaie beginzin (‘Niet te  hoeven weten wie Swartjes is, zou ons vrijwaren van heel wat narigheid.’) duidelijk.
Vol ironie beschrijft Niematz een overbodig soldatenbestaan. Dagen brengt Swartjes  door in een wachtruimte bij een telefoon, die  nooit gaat. Wat maar goed is ook: ‘Want áls-ie  gaat, sergeant, wat hebben we dan? Juist,  stront aan de knikker! Fase Een breekt aan.’  De bedoelde stront behelst: ‘Dreiging ja, zowel van buiten als intern.’ Niematz plaatst  je midden in een instelling  waarin iedereen zich nog wel vasthoudt aan  de krijgsmores, maar waar niets meer te vechten valt: een absurd bedrijf waarvan je je levendig voorstelt dat het curieuze brieven de  wereld instuurt over ‘het geven van vuur (het  schieten).’

Het bewaken van de doodstille telefoon is  al promotie voor Swartjes. Eerst moest hij  potloden slijpen. ‘Al doende had hij over de  weken een coherente dagtaak voor zichzelf  bijeen gesprokkeld. Ja, want je zat in het leger, je moest ervoor vechten. Al vechtend onder zwaar geschut moest je terreinwinst boeken.’

Swartjes is niet geschikt voor het krijgsbedrijf. Hij heeft te weinig gevoel voor hiërarchie, staat niet op zijn strepen en lijkt met  zijn gedachten alweer bij het volgende dat  zijn leven moet veranderen: zoals het beklimmen van een hoge berg. Of de liefde van  Miep, de vrouw die de kantine bestiert. Soms  doet Swartjes in zijn kamer het licht uit,  steekt hij een primus aan en verbeeldt hij  zich met een collega dat zij op 4.000 meter  hoogte een kopje thee zetten.
Het is onmogelijk dit leger serieus te nemen: officiële exercities zijn een reeks van  een reeks van  kolderieke misverstanden, waarbij aan bruggen ten behoeve van de oefening een bordje  aan hangt: ‘Deze brug is opgeblazen.’ Swartjes daarentegen doet zijn best: hij koestert grote bewondering voor de enige hooggeplaatste die hij kent, generaal van Hagevoorts, die hem wijsheden geeft als ‘hoe dichter bij de vijand, hoe veiliger.’ Die door Swartjes hoogst curieus worden geïnterpreteerd. De militairen zijn van een wereldvreemdheid waar  de Nederlandse buitenlandse politiek wel vaker door is geplaagd: van de neutraliteitspolitiek eind jaren dertig, via de politionele acties tot de val van Srebrenica.

Nu is het Niematz daar natuurlijk niet om  te doen in deze wat voorspelbare, maar geslaagde roman. En ook niet om het leger,  maar om zijn held Swartjes, een jonge man  die op zoek is naar een missie voor zichzelf.  Swartjes  bevindt zich fysiek in een wachtlokaal, maar is ook in figuurlijke zin aan het  wachten – verlangend naar iets hogers, naar  een lichamelijk leven ook. Hij ontdekt echter  niets;  Niematz voert hem met zachte hand  naar de afgrond.
Je zou er ook niet aan moeten denken wat  er met Swartjes was gebeurd als hij aan het  front in Uruzgan beland zou zijn. Het meest  waarschijnlijk is dat hij al snel ten prooi zou  vallen aan een tactical freeze, een schoktoestand waarin militairen door grote stress  kunnen belanden, waarna ze niet meer kunnen bewegen.
Niels Roelen beschrijft die tactical freeze in  Soldaat in Uruzgan,  verslag uit een wereld  waarin de ironische duiding van Niematz  plaats heeft gemaakt voor een spervuur aan  feiten en observaties. Sterke observaties,  want er ontgaat Roelen weinig. Hij ziet het  meteen als een soldaat ‘het knoopje van de  zak waarin zijn patroonhouders zitten [losmaakt] om er als het nodig is sneller bij te  kunnen’.
Soldaat in Uruzgan is een ooggetuigeverslag  – er staat nergens roman op het boek – al  heeft de hoofdpersoon niet de naam van de  schrijver, maar heet hij Vik de Wildt. Ondanks die kleine fictionalisering is het boek  één en al realisme – en ongetwijfeld ook realiteit. Roelen beschrijft het leven in Kamp  Holland en de andere kampementen in  Uruzgan, maar ook de ongelukken, de bermbommen, de patrouilles en de gevechten.
Het is een zintuiglijk, lichamelijk boek, waarbij Roelen knap weergeeft hoe  de  wereld zich verkleint tot de vijand en jijzelf op het moment dat er geschoten wordt.  Wie is waar, van waar komen de schoten en waar schiet ik zelf heen? En hoe schiet ik? Roelen beschrijft het hard en feitelijk. Vurend in een zigzagpatroon heb je meer kans om iemand te raken, tussendoor laag schieten is  noodzakelijk omdat de tegenstander inmiddels gewond op de grond kan liggen. ‘Hoewel  hij zeker weet dat hij raak schiet, hebben de  meeste taliban diverse schoten in het lichaam nodig om uitgeschakeld te worden.’
Voor literaire afstandelijkheid  is hier geen  tijd. De empirie heeft voorrang, de reflectie  moet wachten tot na de handeling. Dat betekent niet dat Soldaat in Uruzgan een eendimensionaal schietboek is, zoals het ook geen  aanklacht tegen de oorlog is of een verdediging  ervan. Het is in de eerste plaats een beschrijving, waarbij Roelen de successen en  nederlagen allemaal even sober vastlegt. Het  verdriet om een gesneuvelde soldaat wordt  even kort aangeduid als de vreugde om een  gewonnen gevecht of de woede om een ondoorgrondelijke beslissing van een superieur.
Zonder opsmuk of moralisme – en niet  toevallig in louter fysieke termen – beschrijft  Roelen het dubbele gevoel dat de missie bij  Vik de Wildt (vrouw, twee kinderen) oproept,   wanneer de mannen nog in Nederland zijn,  klaar voor vertrek. ‘Terwijl hij de tranen om  het afscheid probeert te verbergen, wil zijn lichaam gillen van blijdschap dat hij eindelijk  gaat.’ Even verder verklaart hij zich nader,  met een formulering die toch aan de ongelukkige sergeant Swartjes doet denken: ‘Deze  uitzending zou zijn leven gaan veranderen.  Hij zou erachter komen of hij wel of niet geschikt was voor dit werk.’

Swartjes is echter ver weg wanneer De  Wildt op een dag in een ernstig vuurgevecht  verzeild raakt: ‘Vik voelt de adrenaline tot in  de puntjes van zijn tenen gieren en heeft zich  eigenlijk nog nooit zo goed gevoeld als nu.’  Daarbij is de hoofdzaak niet dat er op hem  wordt geschoten, maar dat hij zelf schiet. De  nawerking is meervoudig: hij wordt er opvliegend van, zijn collega’s noemen hem een  adhd’er. Hij verlangt naar nieuwe patrouilles, naar nieuw gevaar. ‘Voor het eerst voelde  Kamp Holland als een gevangenis.’ Dat geldt  trouwens niet voor iedereen: er zijn ook militairen die na elke nieuwe confrontatie moeilijker de poort uit te krijgen zijn.

Ook maakt de opwinding De Wildt  hitsig:  ‘Opnieuw voelt hij de agressie van eerder die  dag. Het geeft hem een gevoel van macht en  opwinding, waarop hij besluit zichzelf ruw af te trekken.’ Het is een van de weinige momenten waarop seks aan de orde komt in Soldaat in Uruzgan. Dat contrasteert met de rol die Niels Roelen onder zijn eigen naam speelde in de stukken die Arnon Grunberg voor  deze krant schreef vanuit Afghanistan. Daarin (de reportages zijn gebundeld in Kamermeisjes en soldaten) maakt Roelen opmerkingen over schandknapen en andere buitenreglementaire handelingen in en om het kamp,  waar hij in zijn eigen boek over zwijgt. Verder komen de verhalen van Grunberg en Roelen sterk overeen, ook in de nadruk die ze leggen op het genot van het gevecht.
Roelen vlakt de morele component van dat  genot niet uit:  hij begint zijn boek wanneer  hij op de school van zijn dochtertje de vraag  krijgt of hij ook mensen heeft doodgeschoten. Hij heeft er geen geruststellend antwoord op.
In zijn voorwoord bij Soldaat in Uruzgan benadrukt Arnon Grunberg de eerlijkheid  van Roelen, hem bij voorbaat verdedigend  tegen mogelijke verwijten van propaganda of  het negeren van het perspectief van de Afghanen. ‘Wie goed leest, zal merken dat er in dit  boek niets wordt verkocht.’ De ernst waarmee Grunberg Roelen verdedigt tegen kritiek nog voordat deze is uitgesproken, is veelzeggend.. Het toont hoezeer Grunberg zich heeft verbonden met Roelen en zijn medesoldaten – iets wat al bleek uit de schrijfcursus voor Afghanistan-veteranen die hij gaf en uit zijn stukken van de laatste jaren.
De opvallend intieme opdracht die Grunberg schreef in het boek dat hij cadeau deed,  sluit daar weer bij aan: ‘Jij gaat mijn leven  veranderen, Vik. Als je in New York bent,  moet je langskomen.’ Nu is het veranderen  van het leven van een schrijver al snel het veranderen van zijn literatuur. Grunbergs meest  recente roman Onze oom is in belangrijke mate een soldatenboek. De inhoud van het boek  en de feitelijkheid waarmee het is geschreven, staan dichter bij de harde empirie van Roelen dan bij de spottende distantie van Niematz.

Toch is dat niet alles. ‘Ik schrijf omdat ik wil weten hoe mensen dat doen, leven’, schrijft Grunberg in een van de reportages in In het voorwoord van Kamermeisjes en soldaten. Hij citeert zichzelf in het voorwoord waarin hij ook schrijft Grunberg:  ‘Als romans de lezer antwoord geven op de  vraag hoe te leven […] dan vond ik dat ik maar  actief antwoord moest zoeken op die vraag:  hoe te leven en vooral ook hoe niet te leven’. Daarmee staan we weer naast Max Niematz en zijn sergeant Swartjes. Want uiteindelijk gaat Het wachtlokaal over die vraag. Hoe vind  je een doel in het bestaan? En wat doe je als je  dan alleen maar voorbeelden aantreft van  hoe je niet kunt of wilt leven: een suïcidale vader, een onbereikbare kantinevrouw, een leger dat geen ‘startsein tot een nieuw leven’ is,  maar een bespottelijk instituut?
Zo blijft Swartjes met lege handen achter  en realiseer je je hoezeer je hem een missie  had gegund. Desnoods bij de echte artillerie,  zich wijdend aan het geven van vuur (het  schieten). In Uruzgan was hij beter af geweest.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.