Wij zijn allen Gordon Gekko’s

Bernard Mandevilles ‘Fabel van de bijen’ over maatschappelijke ondeugd vertaald

Een samenleving zonder machtshonger en hebzucht kon niet bestaan, betoogde Bernard Mandeville in zijn ‘Fabel van de bijen’. Het boek is op voorbeeldige wijze vertaald.
Bernard Mandeville: De fabel van de bijen. Vertaling en toelichting Arne C. Jansen. Inleidingen van Harro Maas en Arne C. Jansen. Lemniscaat, 367 blz., € 29,95.

In de Verenigde Staten wankelt de ene financiële instelling na de andere en Europese regeringen zien angstig het moment tegemoet waarop ook zij de portemonnee moeten gaan trekken. Het beurskapitalisme dreigt te imploderen onder zijn eigen wetten, misschien nog wel meer de psychologische dan de economische; niet speculatie op geld, maar vooral op hebzucht was volgens minister Wouter Bos de voornaamste oorzaak van de huidige crisis.

Onwillekeurig weerklinkt daarbij de slagzin van de meedogenloze broker Gordon Gekko uit de film Wall Street in het geheugen mee. Greed is good, hebzucht is goed, was het motto waaronder hij bedrijven plunderde, pensioenfondsen leegroofde en goedlopende concerns te gronde richtte. Wall Street was een profetische film, zo moet de belastingbetaler, inmiddels verrijkt met termen als hedge funds en subprime mortgages, tot zijn schade constateren. De chaos die Gekko’s ‘herwaardering van alle waarden’ teweeg heeft gebracht blijkt nog aanzienlijk groter dan de filmmakers in 1987 durfden vermoeden.
De wortels ervan reiken dan ook veel verder terug. Al in 1705 gaf de in Londen gevestigde, van oorsprong Rotterdamse arts-filosoof Bernard Mandeville zijn leerdicht De morrende korf de ondertitel ‘particuliere ondeugden, publieke weldaden’ mee. Het is dezelfde paradox als bij Gekko: wat slecht lijkt kan toch goed uitwerken. Mandeville wilde de sluier voor de maatschappelijke werkelijkheid wegtrekken. Achter openbaar beleden deugdzaamheid gaat een wereld schuil van eigenbelang, lustbejag, machtshonger en – inderdaad – hebzucht, zo meende hij.

Moralisten beweerden dat al eeuwen en meestal lieten ze dat vergezeld gaan van ernstige vermaningen tot deugdzaamheid. Maar Mandeville liet zien dat de samenleving zonder ondeugd niet kon bestaan. Want als er geen zucht naar luxe was, hoe zou er bij al die bontmakers en topkoks dan brood op de plank komen? Hoe zouden kunsten en wetenschappen vooruitgang boeken als daar geen eerzucht aan te pas mocht komen? Wat zou er overblijven van het commerciële verkeer, als handelaren zich niet mochten laten leiden door hebzucht?
Dat was voor de morele autoriteiten van Mandevilles tijd een brug te ver, en een vloedgolf van pamfletten, schimpschriften, sermoenen en zelfs juridische aanklachten spatte op het hoofd van de schrijver uiteen. Tot aan zijn dood is Mandeville blijven uitleggen dat hij de werkelijkheid slechts wilde beschrijven en zich in geen enkel opzicht wilde opwerpen als een pleitbezorger van de ondeugd.

Bijna twintig jaar na de publicatie van zijn leerdicht gaf hij dat onder de titel De fabel van de bijen opnieuw uit met een omvangrijke toelichting op de belangrijkste passages eruit. Dat geheel is nu vertaald in het onlangs verschenen derde deel van de prachtig uitgegeven en voorbeeldig bezorgde Nederlandse uitgave van zijn werken. Het leerdicht verscheen afzonderlijk ook al in het eerste deel daarvan.
In zijn Opmerkingen daarbij schrijft Mandeville over de meest uiteenlopende onderwerpen. Over de Nederlandse zuinigheid, die niet is wat ze lijkt. Over kuisheid en goede manieren. Over trots en schaamte. En over flikflooiende vrouwen die – zo schrijft hij met een woede die hij voor één keer de vrije loop laat – ‘rustig hun trucs en misleidende charmes tegen onze kracht en prudentie inzetten en zich bij hun echtgenoten als hoer gedragen!’ Zo mooi en trefzeker vertaald als deze passage is ook de rest van het boek, al blijft het spijtig dat een zo kundige vertaler in het leerdicht zelf niet het metrum en rijm van het origineel gehandhaafd heeft, zoals Jan Eijkelboom twintig jaar geleden heeft gedaan.

De belangrijkste vraag is uiteraard of Mandeville erin slaagt zijn leerdicht de prudente uitleg te geven die hij bij nader inzien dienstig achtte. Hadden de critici die hem met banvloeken bleven achtervolgen ongelijk of was hij met zijn ontmaskering van de maatschappelijke schijn toch wat onbesuisd geweest? De ondertitel van De morrende korf was daarbij uiteraard cruciaal. Wat was de betekenis van deze slagzin, die – zoals Mandeville zelf opmerkt – niet af is? Er ontbreekt een werkwoord en dát is nu juist doorslaggevend voor de relatie die gelegd moet worden tussen de twee delen daarvan: particuliere ondeugden, publieke weldaden.

In een uitvoerige open brief aan de filosoof George Berkeley, die ook in dit deel is opgenomen, legt Mandeville uit dat het één niet zonder meer het ander is. Alleen het ‘handig bestuur van een bekwame politicus’ kan ervoor zorgen dat particuliere ondeugden ook daadwerkelijk uitmonden in publieke weldaden. De autoriteit van wet en moraal staat daarbij buiten kijf, aldus Mandeville. En hij tart al zijn critici te bewijzen dat hij ooit beweerd zou hebben dat een misdadiger níet behoort te worden bestraft voor zijn zonden.

Dat klinkt al een heel stuk minder revolutionair en in één moeite door bekent Mandeville dat hij zijn ondertitel voornamelijk gekozen heeft om aandacht te trekken. Dát was inderdaad aardig gelukt, al moest hij er wel een prijs voor betalen. Want zijn lezers kon het moeilijk kwalijk genomen worden dat zij op de open plek in zijn catchy soundbite automatisch het woord ‘is’ invulden, zoals al sinds de oudheid gebruikelijk was en wij nog altijd doen. ‘Greed, good’ lezen ook wij automatisch als Greed is good!

Mandevilles enthousiasme over de ontdekking van de geheime rol van de menselijke ondeugd lijkt hem aanvankelijk dan ook danig parten te hebben gespeeld. Want gelijk heeft hij ongetwijfeld in zijn bewering dat het sociale en economische verkeer zonder enige eerzucht, ijdelheid of begeerte al snel tot stilstand zou komen. In zijn bewering dit feit slechts te willen constateren, betoont hij zich echter onverwacht naïef. Hij lijkt te menen dat het wegtrekken van de morele sluier voor de maatschappelijke baaierd van ondeugd een neutrale daad is, ja zelfs een triomf in de strijd tegen de maatschappelijke hypocrisie.
En precies daar gaat het wringen – want met dat laatste maakt Mandeville zelf de oversteek van het morele onderzoek naar het morele voorschrift. Deze naakte, illusieloze blik op het menselijk bedrijf is beter, want eerlijker en oprechter, dan het moralistische spiegelspel dat het ontmaskert. Niet voor niets eindigt Mandeville zijn leerdicht dan ook met een vermaning: ‘Hou toch op met klagen. Alleen dwazen trachten/ Van een grote korf een eerlijke korf te maken.’

Die korf is in dit allegorische gedicht de maatschappij – en precies daarin is er in de afgelopen jaren heel wat afgeklaagd: over het sprinkhanengedrag van de hedge funds, over de disproportionele winsten in de banksector, en vooral over de hebzucht van de toplieden daarvan. Die klacht klonk níet ten onrechte, zo blijkt nu. En de verdediging van de inhaligheid op de beursvloer op grond van precies dezelfde overwegingen als die welke Mandeville naar voren schuift, klinkt plotseling nogal vals.

Er is dan ook iets vreemds aan de hand met de publieke moraliteit waarmee een samenleving zichzelf in de teugels houdt. Ze is doordrongen van hypocrisie – want zoals Mandeville terecht constateert is een maatschappij zonder ondeugden ten dode opgeschreven. Men moet dan ook van harte hopen dat de vermaningen van moraalpredikers nooit volledig werkelijkheid zullen worden.
Maar zonder die vermaningen kan de samenleving het evenmin stellen als zonder de kritiek van de ene burger op de levenswandel van de ander – ook al heeft hij zelf een minstens zo grote splinter in het oog. Hypocriet als het is, houdt dit alledaagse moralisme de samenleving wel in het gareel. Het spreekt voortdurend uit wat wél en niet zou moeten mogen – en ook al worden die voorschriften voortdurend overtreden, ze houden het besef levend van wat wél en eigenlijk niet meer kan of mag.
Die rol van deze maatschappelijke hypocrisie heeft Mandeville in zijn eigen intellectuele deugdzaamheid klaarblijkelijk niet onderkend en daarom meende hij dat de ontbloting van de maatschappelijke ondeugd alleen maar een kwestie van kennis was. Hij schreef dat hij alleen maar wilde laten zien wat het geval was. Maar beschrijven werd ook bij hem van de weeromstuit voorschrijven. En toen de Europese mens eenmaal geleerd had zo illusieloos naar zichzelf te kijken als Mandeville hem had voorgehouden, ging hij er op den duur ook naar leven. Gordon Gekko was de uitkomst van dat verhaal.

En Gekko’s zijn we in zekere zin allemaal geworden, sinds we onszelf allereerst hebben leren zien als de baatzuchtige individuen van de liberale economie. Bij Mandeville zien we daar de eerste aanzetten van, ook al worden ze nog met de beste bedoelingen ondernomen. Willen we weten hoe het met de publieke moraal zover heeft kunnen komen als ons nu door de bank- en beurscrisis wordt duidelijk gemaakt, dan kunnen we niet om Mandeville heen. Met hoeveel voorzichtigheid we hem ook moeten lezen, deze uitmuntende editie van zijn werken is verplichte literatuur voor iedereen die iets begrijpen wil van het soort wezens dat wij vandaag de dag menen te zijn.

 

De in Londen wonende Nederlandse arts Bernard Mandeville (1670-1733) publiceerde in 1705 zijn allegorische gedicht De Fabel van de Bijen. Het is het verhaal van een welvarend en machtig bijenvolk dat op een dag besluit deugdzaam te worden, te stoppen met het streven naar rijkdom, met ijdelheid, corruptie en diefstal. Voortaan wil iedere bij bescheiden leven en deugdzaam met andere bijen omgaan. Deze ommekeer in de moraal leidt tot het einde van de welvaart van het bijenvolk.
Het hele gedicht is, in een vertaling van Jan Eijkelboom, te vinden op www.boek.nl/mandeville/.
Hieronder een fragment.

‘Een grote menigte bewoog zich in de korf,
maar daardoor werd juist goed gezorgd:
miljoenen werkten tot profijt
van elkaars lust en ijdelheid
en andere miljoenen hielpen
om al dat werk weer te vernielen;
zij konden half de wereld spekken
en hadden toch meer werk dan werkers.
Enorme voorraden en weinig moeite
deden voor sommigen de handel bloeien;
and’ren waren tot zeis en spa gedoemd
en al wat men hard werken noemt,
waar arme drommels daaglijks zweten,
zichzelf verslijten om te eten.’

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.