Zwijgen, zwoegen, slaan en sterven
De kleine hausse aan boerenromans in de Nederlandse literatuur zindert van de actualiteit
In het landschap van de Nederlandse literatuur rijst een dorpje op met stuurse boeren, bollenkwekers, worstmakers en rattenvangers. Wat drijft onze schrijvers de modder en de mist in?
Je zult er maar mee getrouwd zijn. Neem Harm. Er komt geen stom woord uit. Hooguit een snauw. Hij slaat zijn zoon met een klomp. Zit vaker bij zijn kippen dan in de keuken aan de maaltijd. Eieren stempelen, eieren tellen, eieren in dozen doen. Kippen controleren, kadavers weggooien. En op een kwade dag richt hij zijn geweer verkeerd.
Of Berend. Altijd vroeg op, dat wel. Maar jaloers op de buren en altijd bang. Voor koeienziektes. Voor verandering. Voor mensen. Als een meelzak zit hij erbij in gezelschap, niet in staat tot zinnige conversatie. Een man die zijn eigen gevoelens mijdt zoals die van anderen. Die zich op een nacht vergrijpt aan andermans have en goed.
Anders Helmer: van een iets ander slag, maar toch. Geplaagd door het leven. Eenzelvig. Een leugenaar en een bedrieger, naar eigen zeggen. Maar waarschijnlijk nog lastiger voor zichzelf dan voor zijn omgeving.
Jelle dan. Geen eigen land, een kort bestaan. Zwijgen, zwoegen, slaan en sterven.
Wie zich een voorstelling maakt van de literaire wereld, ziet al snel een stad vol personages voor zich, maar in de recente Nederlandse letteren lijkt zich wel een dorpje gevormd te hebben. Met de stuurse boeren uit Sneeuweieren van Ricus van de Coevering, Kromzicht van Max Niematz, Boven is het stil van Gerbrand Bakker en Bernlefs De pianoman. En in het dorpje is ook nog plaats voor het bollenbedrijf uit Ziekzoekers van Anne-Gine Goemans, de worstfabriek uit Familievlees van Martin Hendriksma, de pastoor uit Het vergeten seizoen van Peter Delpeut en de rattenvanger Bennie uit Geen zee maar water, de nieuwe roman van Gijs IJlander.
Het straatrumoer in de letteren lijkt definitief overstemd door het geloei van de koeien
Het dorp is klein, maar de aanwas is opmerkelijk. Zoals ook het niveau van de meeste boeken dat is. Niet dat dit goede boeken zijn omdat ze over het platteland gaan. Maar dat deze schrijvers hun heil op het platteland zoeken is misschien geen toeval. Wat drijft hen de modder en de mist in? Het is verleidelijk om die vraag te beantwoorden met enig grootstedelijk cynisme: is het straatrumoer in de letteren definitief overstemd door het geloei van de koeien in de stal? Zijn deze schrijvers (of hun lezers) overmand door een verlangen naar nostalgie, naar geruststellende verhalen over de plaatsen waar de tijd heeft stilgestaan, waar een zwarte nog een adoptiekind moet zijn? Een plaats waar je kunt schuilen voor de overdonderende actualiteit?
Inderdaad zijn in deze romans de dagen lang, de weilanden drassig en de hemelen hoog. Het is een decor waar je Doctor Vlimmen aan de staldeur zou verwachten Toch is die sfeer niet waar het in deze boeken om gaat. Het meest expliciet wordt dat duidelijk in de recentste roman uit de rij: Gijs IJlanders Geen zee maar water. IJlander is dan ook een schrijver die allesbehalve op de vlucht is voor de maatschappelijke thema’s. Twee jaar geleden mengde hij zich in de discussie over de Kellendonklezing van Joost Zwagerman. Deze had geconstateerd dat Nederlandse schrijvers zich in tegenstelling tot bijvoorbeeld hun Amerikaanse collega’s amper inlieten met de actualiteit, terwijl er bij dat ‘straatrumoer’ volgens hem in literaire zin wel wat te halen viel. IJlander constateerde in een reactie dat wanneer hij een hedendaagse, actuele roman schreef, het boek door vrijwel iedereen als een psychologische roman werd gelezen.
IJlanders nieuwe roman is voor de helft een plattelandsroman en voor de helft een politieke roman. In Den Haag maakt de jonge staatssecretaris Annet de Goede furore met een taboeloze kijk op ruimtelijke ordening en dan vooral op de mogelijkheid om stukken polder weer onder water te laten lopen. Want watersport is rendabeler dan landbouw. De tijd van polderen is in alle opzichten voorbij. De Goede wil land teruggeven aan de zee en breken met de traditie van bemiddelen en compromissen. Ze wordt de leider van een D66-achtige politieke beweging, maar botst dan hard met haar tegenstanders.
Bij die tegenstanders speelt zich het plattelandsdeel van IJlanders roman af: daar vinden we de op de rand van zwakzinnigheid balancerende muskusrattenvanger Bennie, diens drinkende en smokkelende vader en twee iets meer ontwikkelde buurtgenoten, een rattenhandelaar en een participerend journalist met de omineuze naam Vos van Bergen. Zij beginnen een campagne die de staatssecretaris tot inkeer moet brengen. De plattelanders staan in Geen zee maar water voor conservatisme, de angst voor verandering, maar ook voor de menselijke maat. Die is ver te zoeken bij de politici in het boek, gegrepen als zij zijn door verleidelijke abstracties. In de symboliek van IJlander: Bennie leeft praktisch onder de waterspiegel, Annet de Goede resideert bovenin een Utrechtse woontoren.
IJlanders roman is meer vakwerk dan meesterwerk. Hij vertelt het verhaal voorbeeldig, bouwt de spanning op en knoopt de eindjes netjes aan elkaar, maar het boek mist de vonk die de roman werkelijk tot leven had kunnen wekken. De symboliek van Geen zee maar water is opzichtig, en ook slaagt IJlander er niet in om in zijn beschrijvingen van het politieke bestaan (hard en ijdel en intelligent) en het plattelandsleven (groezelig, warmbloedig en dom) te ontkomen aan het cliché. Maar de tegenstelling is een treffende illustratie van waar het om draait in ook de ándere plattelandsromans.
Dat centrale thema is: verandering. Want of het nu de boeken zijn die grotendeels in het heden spelen (zoals die van Van de Coevering, Bakker, Goemans, Hendriksma) of de zich een eeuw geleden ontrollende vertelling van Niematz, steeds staat het verhaal in het teken van het nieuwe dat komen gaat. Dat gebeurt soms op een manier die doet denken aan de beleidsthematiek van IJlander (een snelwegafslag in Sneeuweieren, een gesubsidieerd watervogelweiland in Boven is het stil), maar veel meer wordt het zichtbaar gemaakt op niveau van de boerderij zelf. Preciezer: op het niveau van vaders en zonen.
Het boerenbedrijf voer eeuwenlang wel bij een handvol zekerheden: de melk- en voedertijden, de wisseling der seizoenen en de garantie dat in elk boerengezin een zoon zou worden geboren die de zaak voort zou zetten. Van dat laatste kan een hedendaagse boer niet meer zeker zijn. Die zekerheid is veranderd in de verwachting dat de zoon een opvolger zal blijken te zijn, een verwachting die geleidelijk transformeert in de bange vrees dat de jongen het zal vertikken. Want die zoons, die willen niet. Ze willen naar de grote stad: om te leren en om te leven om ánders te leven. Om met een man te leven, soms ook. De spanning tussen de vaders die rekenen op voortzetting van het bestaande en de zoons die iets anders willen, is een van de motoren achter deze romans. Dat probleem beperkt zich niet alleen tot de boeren in deze dorpsromans: Victor Barels, zoon van een worstfabrikant die door de dood van zijn broer tegen wil en dank aan het hoofd van het bedrijf komt te staan.
Daarbij staan die vaders uiteraard voor méér – de psychologie van de personages is hier de hoofdzaak niet. Want als er één ding duidelijk is over de veranderingen die het Nederlandse boerenbedrijf ondergaat, dan is het dat ze onvermijdelijk zijn. De buitenwereld is voorgoed doorgedrongen achter de staldeuren: met zijn technologie, zijn ideeën, zijn lokroep – met alles. Dat maakt de oude boeren tragisch: eenzaam zetten zij hun hakken in de modder, proberen zij een proces tegen te houden dat oneindig veel groter en sterker is dan zijzelf.
Het geeft de romans gewicht, maar vooral een bredere betekenis. Veel meer dan over het oude, gaat het hier om de vraag hoe wij omgaan met het nieuwe, met een wereld waarin
De fictieve boeren zetten je aan het denken over veel meer dan het boerenbestaan alleen
we het overzicht hebben verloren. In politiek-maatschappelijke analyses gaat het dezer dagen vaak licht modieus over ‘de verliezers van de globalisering’: mensen die om zich heen van alles zien veranderen en anderen, die juichverhalen moeten aanhoren over de mogelijkheden van de nieuwe tijd, maar die daar zelf niet van kunnen profiteren. Voor hen rest er slechts onzekerheid zonder kansen.
Levert die inzet ook wat op? Het aanroeren van een maatschappelijk thema is immers één ding, er iets zinnigs over zeggen is een tweede. Want waarom kunnen deze boeren niet meekomen, niet mee-groeien? En wat zijn de gevolgen daarvan voor henzelf en voor de gemeenschap waar ze deel van uitmaken?
Voor de eerste vraag biedt het Boekenweekgeschenk van Bernlef een aanknopingspunt. Het gezin Boender dat hij in De pianoman portretteert wordt namelijk niet gekarakteriseerd door het werk, het land of het landschap (de vader is een dagloner), maar door iets waar het hun aan ontbreekt: zij hebben geen taal. Binnen de muren van de boerderij leidt dat tot onbegrip en geweld. Daarbuiten maakt het de zoon tot een machteloze jongen.
Hij reikt naar het grote avontuur, maar hij kan zich er niet bij aansluiten. Niet uit een gebrek aan verlangen, maar omdat hij niet de middelen heeft om mensen te manipuleren. Hij komt niet uit zijn woorden en kan dus de wereld niet naar zijn hand zetten. Dus wordt hij verlaten, raakt hij verloren en kan hij alleen nog maar afwachten.
Iets vergelijkbaars is aan de hand in Niematz’ Kromzicht, al is de afloop daar anders. De roman draait om de rivaliteit tussen twee boerenzonen in het Groningen van ongeveer een eeuw geleden: de conservatieve Berend Tiedema en de innovatieve Ludo Hensius. Die laatste heeft niet alleen de gave van het woord, hij huldigt ook revolutionaire en op noties van raszuiverheid gebaseerde ideeën over het fokken van vee. Niematz laat de missie van deze Ludo mislukken, maar toont nadrukkelijk hoe de innovatiedrang van deze jonge boer de hele gemeenschap ontwricht. Het dorpje Kromzicht heeft eeuwenlang kunnen leven met de naijver tussen de geslachten Tiedema en Hensius, maar nu die oude tegenstellingen worden aangejaagd door ideologische verschillen (over foktechniek, maar toch) is er geen houden meer aan en vloeit er bloed. Bij Hendriksma verkruimelt een dorp samen met zijn vleesfabriek.
Ook IJlander schetst een beeld van gevaarlijke maatschappelijke ontwrichting. Bij Bernlef, Bakker en Van de Coevering is de verlorenheid kleinschaliger, maar de noodzaak van geborgenheid neemt er niet door af. Zo grijpt de door het lot geplaagde moeder in Sneeuweieren (een van de weinige prominente vrouwen in deze boeken) uiteindelijk naar de religie. Dat is niet alleen een zaak van persoonlijke zingeving, maar ook een sociale kwestie: ze is op zoek naar een gemeenschap.
Dat in een boerenwereld op drift die zekerheid in de dorpskerk of het dorpsklooster wordt gezocht, heeft een zekere logica: de instelling is immers opgericht om het eeuwige en onveranderlijke te dienen. Maar ook wat dat betreft zit er een adder onder het gras met bredere maatschappelijke connotaties. Voordat ze zich bij de kerk meldt, schiet de vrouw uit Sneeuweieren de term ‘fundamentalisme’ te binnen.
Sterker dan in dat enkele, actuele woord komt de donkere kant van religie naar voren in Het vergeten seizoen van Peter Delpeut. Daarin raken de bewoners van een boerendorp in de ban van een meisje met visioenen in haar hoofd en stigmata op haar handen. De nieuw aangestelde pastoor moet zijn uiterste best doen om er het zijne van te denken. Delpeut gebruikt in zijn prachtige roman een boerengemeenschap om zich vragen te stellen over veel bredere thema’s als geloof, ongeloof en het bindweefsel van de maatschappij, zoals Arjan Visser dat een paar jaar geleden deed in De laatste dagen.
Vrolijk zijn de conclusies niet op het boerenerf. De enkeling die veilig het einde van de romans haalt, is vooral vol hoop omdat hij toch de benen neemt. Individuen hebben het even lastig met de vooruitgang als de gemeenschap. Maar zoals vaak is het nieuws voor de literatuur beter dan voor de personages.
Want de reikwijdte van deze op het eerste gezicht kleinschalige romans is groot. De boerderijen zijn hier in feite literaire proefopstellingen. De fictieve boeren van Niematz, Van de Coevering en de anderen zetten je aan het denken over veel meer dan het boerenbestaan alleen. Deze romans gaan over hoe mensen proberen houvast te vinden als hun bestaan op zijn grondvesten begint te schudden. Hoe ze zich dan aan het verkeerde vastgrijpen, op de vlucht slaan of wild om zich heen slaan. Waar het stedelijke straatrumoer nogal eens aan ruis en zielloos realisme ten onder gaat, slagen deze romans er wel in zinnige vragen te stellen, er antwoorden bij te bedenken en – het belangrijkst – er dan weer nieuwe vragen bij te stellen.
Iets dergelijks moet Joost Zwagerman – die gisteren in Amsterdam de Gouden Ganzenveer kreeg uitgereikt – voor ogen hebben gestaan met zijn impliciete oproep tot minder smetvrees wanneer het gaat om actualiteit in de Nederlandse letteren. Al had hij waarschijnlijk ook niet verwacht dat het straatrumoer zou klinken als het gekraai van een haan op een boerenerf.
Het platteland raakt op drift in acht romans
Gerbrand Bakker: Boven is het stil. Cossee, 264 blz. € 19,90. Literaire boerenzoon zoekt zichzelf in Noord-Hollandse weide. (Boeken 29.12.2006)
Bernlef: De pianoman. Stichting CPNB. 92 blz. Boekenweekgeschenk over boerenzoon die vlucht voor vader en eindigt op Engels strand. (NRC, 11.03.2008)
Ricus van de Coevering: Sneeuweieren. Van Gennep, 175 blz. € 17,90. Kippenboer en gezin raken ontwricht in een Brabants moeras. (Boeken 28.12.2007)
Peter Delpeut: Het vergeten seizoen. Atlas, 256 blz. € 18,90. Pastoor twijfelt over Overijsselse dorpsheilige. (Boeken, 07.09.07)
Anne-Gine Goemans: Ziekzoekers. De Geus, 287 blz. € 19,90
Ondernemerszoon in bollenstreek verbaast zichzelf.
Martin Hendriksma: Familievrees. De Geus, 382 blz. € 21,50
Drents worstmakersgeslacht vermalen door de vooruitgang. (Boeken, 0802.08)
Gijs IJlander: Geen zee maar water. Cossee, 288 blz. € 19,90. Rattenvanger uit Wieringermeer zit politiek prijsdier dwars.
Max Niematz: Kromzicht. Contact, 200 blz. € 18,90. Radicale fokpraktijken splijten Gronings gehucht. (Boeken 25.01.2008).
Lees verder
- 16-10-2008 interview: Zie de schrijvers werken - Arthur Japin
- 29-09-2008 interview: Zie de schrijvers werken - Ricus van de Coevering
- Bernlef
Hendrik Jan Marsman koos als pseudoniem de naam van een blinde Friese bard uit de 8ste eeuw. Een ... - Bakker, Gerbrand
- Coevering, Ricus van de
Besproken boeken
- Boven is het stil
auteur: Bakker, G. - Het vergeten seizoen
auteur: Delpeut, P. - Sneeuweieren
auteur: Coevering, R. van de
Recensies op papier
Deze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.
Besproken boeken
- Boven is het stil
auteur: Bakker, G. - Het vergeten seizoen
auteur: Delpeut, P. - Sneeuweieren
auteur: Coevering, R. van de

