<img src="http://www.nrcboeken.nl/files/images/auteur/afbeelding1/409120_16055.jpg" alt="409120_16055.jpg" title="409120_16055.jpg" width="560" height="373" class="imagefield imagefield-field_au_image_1" />

Grunberg, Arnon

Nederlands romanschrijver en essayist, (Amsterdam 22-02-1971)

‘Ik dacht toen dat wanhoop iets ernstigs was, als in boeken of films. Wanhoop is uitermate droog en komisch.’ Aldus de ik-figuur in Figuranten (1997), de tweede roman van Arnon Yasha Grunberg. Een Chaplin of een Tati had Grunberg willen worden, maar toen hij werd afgewezen voor de toneelschool werd hij schrijver, en een productieve ook. Sinds zijn debuut Blauwe maandagen (1994) publiceerde hij vele tragikomische romans onder zijn eigen naam en twee onder het pseudoniem Marek van der Jagt (De geschiedenis van mijn kaalheid, over een Weense jongen die gebukt gaat onder zijn kleine geslacht, in 2000; Gstaad 95-98, een schelmenroman over een man die grossiert in ‘noodzakelijke zonden’, in 2002). Alle worden ze bevolkt door gedoemde schlemielen die wanhopig vorm proberen te geven aan een leven in de leegte. In Figuranten zijn het drie mensen die ernaar streven Hollywood te veroveren; in het boekenweekgeschenk De heilige Antonio (1998) twee New Yorkse immigrantenjongens die worstelen met hun gedoemde liefde en de aanbidder van hun moeder; in Fantoompijn (2000) een mislukte schrijver die een internationale bestseller schrijft met De Pools-joodse keuken in 69 recepten om daarna te eindigen in eenzaamheid; in De asielzoeker (2003) een cynicus die zichzelf kapotmaakt; De joodse messias (2004) is het levensverhaal van de kleinzoon van een SS'er die zich opwerpt als de trooster der joden; en Tirza (2006) gaat over een fatale vader-dochterrelatie waarbij het beest in de mens wakker wordt geroepen. Grunberg beschrijft de belevenissen van zijn helden als een soort literaire slapstick, in een geheel eigen stijl (korte zinnen, veel herhalingen, hilarische pseudo-filosofieën) die hem tot de opvallendste jonge schrijver van de 21ste eeuw heeft gemaakt.

AANRADER: Blauwe maandagen (1994)
De verschijning van Grunbergs debuut Blauwe maandagen - de titel suggereert een hoofdpersoon die iedere vastigheid in het leven ontbeert - was niets minder dan een sensatie. Niet omdat de inhoud zo bijzonder was: over een mislukte schooltijd, hopeloze liefde en dwangmatig hoerenbezoek waren vaker goede boeken geschreven; en ook de problematiek van kinderen van oorlogsslachtoffers was een veel voorkomend thema in de Nederlandse literatuur. Blauwe maandagen viel vooral op doordat zich van de ene op de andere dag een overrompelende vertelstem aandiende: iemand die met veel vaart en nog meer humor de afschuwelijkste verhalen opdiste. Vanaf de eerste zin sleept 'Arnon Grunberg' je mee in een vergeefs leven, dat zich grotendeels afspeelt in het Amsterdam-Zuid van de jaren 80. De joodse ik-figuur mislukt volledig: als scholier aan het Vossiusgymnasium, als minnaar van de mooie Rosie, als apothekerskoerier, als zoon van zijn in Auschwitz getraumatiseerde moeder, als verzorger van zijn invalide vader, ja zelfs als hoerenloper. Zijn avonturen mogen wat eentonig worden in de tweede helft van de roman, maar het absurdistische proza - vol van prachtige oneliners over de zinloosheid van het leven en de onvolkomendheid van het menselijk contact - maakt van deze geperverteerde Bildungsroman de beste inleiding tot het steeds verder uitdijende universum van Arnon Grunberg.

Zie ook: Jagt, Marek van der